Taartje

Op vijf april 1954 hakte Miep, dochter van Nescio de knoop door:
“Als ik een taartje eet heb ik lak aan de eeuwigheid”.
Nescio spreekt haar niet tegen.
Niet de eeuwigheid, maar het hier en nu om te genieten…

Is Nu in tegenspraak met Eeuwigheid?
Sluit het éne het ‘andere’ éne uit?
Hoe, waar en wanneer zou eeuwigheid anders beleefd kunnen worden dan hier en nu?
Nu is de tijdloze poort tot welke beleving dan ook.
En ook eeuwigheid heeft nu als begin voor degene die haar kwijt is.

Nescio langs de mystieke meetlat van de literatuurwetenschapper.
De loopkip in de ren geeft uitleg over de hoogverheven vlucht van de buizerd.

Petite Philosophie du Nez

“De neus mag dan de zetel van de intuïtie verzinnebeelden, maar dat wil niet zeggen dat men er gerieflijk en zelfvoldaan in kan gaan zitten.
Toch ziet men dit verschijnsel veel om zich heen, mensen die in hun neus zitten, als betrof het een gecapitoneerde crapeau….”

“Het reinigen van de neus verdient de hoogste prioriteit.
Een neus zelf dient geurloos te zijn om intuïtie te kunnen ruiken.
Intuïtie is zelf ook geurloos en vraagt daarom de meest verfijnde vorm van ruiken”

‘Met de neus naar voren geboren worden’…luidt het gezegde.
Hetgeen wil zeggen dat de neus richting geeft aan het stuurloze bestaan…
De neus is zowel de voorsteven als het roer van het vaartuig dat mens heet.
Het ruikvermogen staat immer paraat op de voorplecht…
Ver voor er land in zicht komt zal eerst de geur zich melden, het land komt eventueel later of nooit…”

“Als de neus het niet zelf ruikt zal ruiken aan andere neuzen die het wel hebben geroken niet helpen…”

“Van het gerecht des levens ruikt niemand de geur, want:
wie is het die ruikt? Het is niemand anders dan de neus, de neus is een heus niemand…”

“De neus is blind maar neemt daarom des te scherper waar door zijn neusgaten. Wat is geur anders dan de verdamping van een directe ervaring die nog ergens op jou ligt te wachten?
Zo beschouwd is intuïtie een herinnering aan een toekomst. Dankzij de neus kan de mens zich verheugen op herinneringen aan ervaringen die in een toekomst nog gaan komen…”

“De neus steekt zich graag in andermans zaken en ruikt daar meestal zijn eigen ongewassen staat. Het is dus zaak de neus goed te wassen en te snuiten alvorens hem uitsluitend nog in eigen zaken te steken tot men is uitgeroken…”

“Een goede neus behoeft geen wind, windstilte is het paradijs voor de neus. In het windstille geurparadijs liggen de geuren keurig gelaagd op elkaar als millefeuille…”

“Een sublieme geur geeft de neus vleugels en daarmee krijgt de geest ruimte.
Er bestaat uiteraard geen sublieme geur zonder een sublieme neus… onder het sublieme versta ik het ruiken van het mogelijke, het onmogelijke, het onbestaanbare…”

“Creativiteit is het vermogen om de geur te ruiken van dingen die niet bestaan…nog niet bestaan…, de neus is in deze zin het geboortekanaal van het onbestaanbare”

“Een neus is om te ruiken, niet om een neuslengte voor te liggen op andere neuzen…”

Enkele vertaalde citaten uit :
‘Petite Philosophie du Nez’
Claude-Michel Beausavage

Kosmopolieten


We hebben de eerste mens naar de maan geholpen. Wat zag hij daar en wat zei hij?
‘Onze blauwe planeet is uniek, een oase in de ruimtewoestijn, kwetsbaar’.
De doorgewinterde objectieve wetenschapper kreeg zowaar een spirituele ervaring.
Om dit meest simpele feit te realiseren moest een enorme ruimtereis ondernomen worden, terwijl een simpele reis naar binnen je hetzelfde inzicht kan brengen.
Stil zitten is genoeg.
Een wereldberoemd hoboïst reisde de hele planeet af om concerten te geven.
Hem werd bewonderend gevraagd:
‘Wat heeft u dan veel van de wereld gezien…u bent wel een echte kosmopoliet?’
In alle bescheidenheid gaf hij antwoord:
‘Welnee, dat is een groot misverstand, ik heb alleen maar hotelkamers gezien, de lobby en de televisie…ik was te nerveus voor het concert om de stad in te gaan en de volgende dag moest ik mijn vlucht weer halen, op naar de volgende triomf…’
Wij kenden een piloot met hetzelfde verhaal. Hij vloog op alle hoofdsteden.
In één week, Rio, NewYork, Delhi, Berlijn, Stockholm.
‘Ik slaap altijd in hetzelfde hotel in welke stad dan ook, ik loop het hotel uit dat straatje in met die krantenkiosk op de hoek, haal mijn krantje en ga terug naar het hotel.
Rusten voor de volgende vlucht. In mijn hoofd is de wereld een dorpje van hoofdsteden met 1 hotel’
De grootste uitdaging voor de mens lijkt, om te zijn waar je bent.

Voorlopig

Het is maar voorlopig.
Wat dan?
De loop der dingen.
Je bedoelt: het loopt zoals het loopt?
Natuurlijk, en ook als het helemaal niet loopt.
Dan loopt het uit de hand…
Uit de klauwen…
In de soep…
Op de zaken vooruit…
Achter de feiten aan…
Weet je, ik vind het voorlopige zo terloops!
Ja, mooi hè?
Vind je?
Ja, omdat het voorlopige zo permanent tijdelijk is…
Hoe bedoel je, het voorlopige is toch juist niet blijvend?
Precies en dat blijft, zoals ook de verandering niet verandert.
Dat is toch hetzelfde, verandering is het voorlopige.
Laten we daar voorlopig van uitgaan.
Zou er geen ‘Ministerie van Terloopse Zaken’ moeten zijn.
Waarom dat dan?
De dingen gebeuren terloops…in het voorbij gaan.
Dat zou dan een ministerie zijn dat niets organiseert, niets regelt, geen planning…
Inderdaad, en daar zou ik dan wel geen leiding aan willen geven.
Dat doe je toch al.
Hoezo, je verwijt mij toch geen nalatigheid.
Welnee, ik prijs je erom.
Nalatigheid wordt sterk onderschat.

Wit

Er ligt een dik pak sneeuw in de geest. Elk woord klinkt verstild onder deze witte deken. De denkbeeldige dingen zijn door wit omvat, in maagdelijke onschuld verpakt. Het vuil is witgewassen, schoon. Wonderlijk dat deze sneeuw nooit kan smelten, ze is immers denkbeeldig. Zo kan ook leegte niet verdwijnen.
Winter van de ziel. Permafrost van de geest.

Is de leegte dan ook denkbeeldig?
Natuurlijk, het woord leegte is ook een concept.
Echte leegte is geen concept, geen woord , geen beeld.

Maar onder die denkbeeldige sneeuw ligt toch nog steeds dat vuil?
Inderdaad, denkbeeldige vuil, net zo denkbeeldig als die sneeuw.

Hoe kan elk woord stil klinken, verstild?
Het is maar poëzie hoor, stilte klinkt natuurlijk nergens naar,
Denkbeeldige stilte bestaat niet, dat is slechts herrie in dit gedicht.

Geschiedenis van mijn jeuk 5

Na vier sessies met Zeelbrandt begon ik langzamerhand te genieten van de permanente jeuk die door mijn hele lijf meanderde. Soms leek de jeuk een koesterende streling van binnenuit, de losse prikkelende puntjes leken te worden verbonden als zo’n cijfertekening vroeger in je kleurboek.
Voor het eerst in mijn leven voelde ik totale ontspanning in mijn huidzak. De staat van niet-weten breidde zich gestaag uit naar steeds meer domeinen van het bestaan. Soms wist ik niet meer hoe ik heette, of waar ik mij bevond.
Zeelbrandt drukte mij op het hart om mij vooral geen zorgen te maken, dit waren de natuurlijke verschijnselen die verruiming van de ziel nu eenmaal met zich meebracht.
‘Het allemaal wel denken te weten’ vormt een soort harnas waarin de ziel gekneveld wordt…maar het ligt in het natuurlijke verloop van de ziel om naakt door het leven te gaan…je kunt je aankleden met allerlei taalconstructies, maar je wezen blijft eeuwig naakt…’ ,legde hij mij uit.
Mijn vrouw Maria raakte onverwacht helemaal in de ban van Zeelbrandt. Er gingen spontaan luikjes open, muren van weerstand vielen om. Onvermoede vermogens kwamen aan licht. Zo raakten wij bevriend met Zeelbrandt die ons nu wekelijks op zijn levensverhaal trakteerde.

‘Wat ik jullie de afgelopen sessies vertelde zijn natuurlijk slechts speculaties dat begrijpen jullie, niets meer en niets minder dan veronderstellingen’ , verklaarde Zeelbrandt bescheiden.

Wij waren in eerste instantie geschokt door deze ontboezeming van de professor.
Hadden we alles zomaar kritiekloos van hem aangenomen?
‘Hoe komt u er dan bij ons dit allemaal te vertellen alsof het op gedegen onderzoek is gebaseerd?’ ,vroeg mijn vrouw, ‘u kletst toch niet zomaar wat, het eelt verdween toch
wel degelijk!’

‘Dat komt omdat ik blind ben gaan vertrouwen op de creatieve stroom,
en op jullie eigen vermogen om precies dat eruit te filteren wat voor jullie geldig en werkzaam is… ik heb mij nooit verlaagd tot een armzalig theoretisch kader maar mij altijd gebaseerd op direct empirisch bewijs…mijn praktijk is dat wat werkt … het leven is geen verhaal, maar een verhaal kan wel een helende werking bevatten voor de luisteraar, je weet als verteller alleen niet wat en op wie….maar dat er iets in werking wordt gezet zag ik bewezen in mijn eigen praktijk’

Waarom heb je jouw opmerkelijke visie nooit in een boek vastgelegd, Ger, dan zou iedereen ze kunnen lezen? ,vroeg ik hem, ‘je zou toch iedereen toewensen om te kunnen genieten van jeuk?’

‘Dat werkt helaas niet’ ,legde de zielkundige uit, terwijl hij zijn baard op en af rolde, ‘ze moeten beluisterd worden, dan komen de woorden pas binnen is mijn ervaring, anders maakt de lezer er gewoon weer zijn eigen verhaal van in plaats dat het z’n werk doet’.

‘Klinkt magisch!’ ,zei Maria, ‘maar wijs maar eens iets aan dat gewoon is!’

‘Dat klopt, taal is op z’n best een toverspreuk en op z’n slechts een vervloeking, onderschat dat niet’ ,resumeerde Zeelbrandt die in het schemerlicht wat weg had van een archetypische tovenaar. ‘Pas maar op met wat je denkt, voor je het weet krijgt je eelt’

Geschiedenis van mijn jeuk 4

Met veel moeite wist ik Maria over te halen om eens mee te gaan naar professor Zeelbrandt. ‘Je moet die markante verschijning gewoon eens voor één keer ontmoeten
dan voel je wat ik bedoel!’
‘Als je maar niet denkt dat ik op die sofa ga liggen!’, fulmineerde ze nog.
‘Uiteraard niet lieverd, daar ligt de professor zelf op!’
Bij de pallisander voordeur van het herenhuis aangekomen liet de huishoudster ons binnen: ‘U kunt doorlopen naar de spreekkamer…de professor is zich vast aan het opwarmen’.
In negentiende eeuwse spreekkamer troffen we de professor op zijn kop staand aan in yogahouding bovenop zijn bureaublad, zijn baard hing over een stapeltje dossiers.
‘Ach, verontschuldigt u mij’ ,pufte Zeelbrandt monter, ‘maar ik kan niet meer zo goed door mijn knieën, vandaar dat ik mijn oefeningen liever op een wat hoger niveau praktiseer!’. Zijn roodaangelopen hoofd leek wel een zonnetje.
‘Kijk professor, dit is Maria over wie ik u nog nooit iets verteld heb!’, zei ik tegen mijn jeuktherapeut terwijl hij zijn baard kamde.
‘Mijn vrouw heeft mij door heel wat jeukende jaren heen geholpen’.
‘Wat fijn om u te ontmoeten mevrouw, heeft u ook last van jeuk of alleen van uw man?’
Maria werd even in verlegenheid gebracht door de openhartige toon van de grijsaard.
Ik knikte bemoedigend naar haar om vooral haar hart te luchten.
‘Eerlijk gezegd, vooral van mijn man…ik kan na jaren gekrab geen medeleven meer opbrengen voor dat gezanik over jeuk!’, zei ze uit de grond van haar wezen.
Ze schrok er zelf enigszins van.
De professor had kennelijk een ontwapenend effect op haar.
‘Dat kan ik mij levendig voorstellen, Maria…ik mag u toch tutoyeren als u het goed vindt?’
‘Uiteraard, als ik dat bij u ook mag?’, vroeg mijn vrouw onverwacht.
Zo direct kende ik Maria niet, ze kon vaak mosselachtig zwijgzaam zijn.
‘Met alle plezier, jongedame, mijn roep naam is Geronimus Harold…zeg maar Ger!’
Binnen de kortste keren zaten de twee vertrouwd keuvelend samen op de sofa, terwijl ik achter het bureau wat in de vertrouwelijke dossiers bladerde.
‘Kom!’, zei Ger opeens, ‘we gaan meteen aan de slag, ik weet genoeg!’
Zeelbrandt vlijde zich op de sofa en Maria nam aandachtig op het bureau plaats in afwachting van het college:

‘Luister, oogjes dicht, en probeer mij te volgen…zoals ik eerder vertelde over de vereelting van de huid bij chronisch gebrek aan aanrakingen, zo bestaat ook het verschijnsel van eelt op de ziel…nu zult u zich afvragen, wat heeft de ziel met huid te maken?…
Welnu, de ziel is niets anders dan een spirituele huid… zo subtiel, zo verfijnd dat zij
door velen wordt ontkend…echter de levensweg is een weg richting verfijning, van het onderkennen van subtiliteiten…het is als het ware een omgekeerde geboorte, zoals het lichaam uit één eicel zich vermeerderde, zo gaat de levensweg middels vermindering…
tot er vrijwel niets over is…bereik je die oceaan van verfijning dan ben je direct ingewijd in de wonderen van het scheppen…het scheppen vanuit het ogenschijnlijke niets…

Het duizelde mij al, maar Maria onderbrak Zeelbrandt:
‘Zeg Ger, kun je nog even terug naar dat subtiele eelt wat op die arme ziel groeit…waardoor ontstaat dat eelt?’

‘Dank voor de relevante interventie Maria, ik heb nogal de neiging door te draven als wild paard… de vereelting ontstaat elke keer wanneer je iets wat zich aan je voordoet ontkent…steeds als je ontkent wat er is komt er een verharding op de waarneming…je voelt het dan ook niet meer, je kunt het niet meer horen, je proeft niet meer hoe iets echt smaakt…al je zintuigen verstenen feitelijk…’

‘Wat is die ziel dan, waar bestaat ze uit, Ger?’

‘Dat zou ik je graag vertellen als er voor zoiets subtiels woorden bestonden…misschien zou je de ziel de huid van ‘de uiterste verfijning’ kunnen noemen, maar dat doe ik niet, want wie weet wat uiterste verfijning is!’

‘Is dat dan niet het grensgebied van iets naar niets en van niets naar iets?’, vroeg Maria,
‘van het laatste kenmerk naar het kenmerkloze?’

‘Wat prachtig gezegd, Maria’ ,riep Zeelbrandt begeesterd, ‘dan kun je je wel voorstellen hoe dun die huid van de ziel is!’

‘Zo dun als een schaduw in het licht!’ ,fabuleerde mijn vrouw voor de vuist weg.

Zeelbrandt was zichtbaar aangedaan door de spontane poëtische virtuositeit van mijn vrouw. Waar haalde ze dat lyrische talent plots vandaan?
Er was onmiskenbare chemie tussen deze twee.

Blaar

De geboorte van een blaar gebeurt
in een fractie van een flits.
De hamerkop weet van niks.
Dan reist de bloedblaar tergend langzaam,
een reis van vele maanden…
onder de nagelriem vandaan, richting nagelrand.
De blaar kijkt mij onderweg vaak aan,
door de nagel heen als door een beslagen raam.
Mooi uitzicht. Vanuit de traagte flitst alles voorbij.
De hamer slaapt zwaar in de la.