Caran d’Ache

Als kleuter ging je karandasjen.
Dat was een plat blik vol stompjes kleurpotlood. Bij gebrek aan papier kleurde je het ouwe nieuws van de krant van gisteren. Nieuws zag er destijds uit als een rouwadvertentie, grauw en grijs.
De photo’s leefden niet. Met vleeskleur-roze probeerde je het dode raster tot leven te brengen. Die kleur was dan het snelst op.
Het stompje roze was te kort om nog bij te slijpen.
Het slijpsel vond je eigenlijk het mooiste van dat hele kleurgebeuren.
Die prachtige spiralende kartelrand van flinterdun hout. Je merkte op dat je gefascineerd halve potloden opsleep, als even niemand keek. Heimelijk kleutergenot. Zelfs nu nog, als nooit volwassene, doe je het nog graag.

Binnen de lijntjes kleuren hield je snel voor gezien evenals het subversieve buiten de lijntjes kleuren, een
mechanische tegenreactie. Van slijpen echter kreeg je nooit genoeg. Een scherpe slijper is dan ook veruit het belangrijkste. Doorslijpen tot de potloden zijn weggeslepen en de doos achter blijft, vol feestelijke spiralen.

Het nieuws wordt inmiddels voor ons ingekleurd, tot ver buiten de lijntjes.

Slak

‘Medicatie ?’, reageerde hij geagiteerd.

‘Nee rustig, ik zei meditatie’.

‘Wat is dat nou weer?’

‘Hier lees deze handleiding maar even, als je wilt?’

“Wat een versnellingsbak is voor een auto dat is meditatie voor de geest. Meditatie is een vertragingsbak om razendsnel stil te kunnen staan bij het oversteken van een slak.
Accelereren is voor de geest geen probleem, het onvermogen om stil te staan wel.
Vandaar die vertragingsbak.
Zoals diepte begint bij het oppervlak zo begint het oneindige bij stilstand…”

‘En wat koop je daar dan voor?’,vroeg hij cynisch.

‘Niets, want het is gratis en dus onbetaalbaar!’

Boot

Wij waren tamelijk arm van huis uit. Een huisportemonnee hadden we niet. Het losse geld slingerde zo’n beetje door het hele huis, in broekzak, in jaszakken, in kapotte voeringen.
Als er een brood gekocht moest worden werd iedereen in huis beroofd inclusief de spaarvarkentjes van de kinderen. “Geld kun je niet eten”, zei ons moeder dan.
Ik weigerde dan ook grootmoedig om nog zakgeld aan te nemen. Zo dacht ik mijn ouders ietsepietsje rijker te maken…en dat leek te lukken want daarna gingen we elk jaar op vakantie. Het geval wilde dat we geen roeiboot hadden, maar wel veel roeispanen.
Zoiets zei mijn vader vaak: “Het geval wil dat…”
Ik vraag mij tot op vandaag de dag af wat of wie dat geval is?…Maar goed…
Het geval wilde dus dat we naast de sloot gingen zitten en met de spanen door het water roeiden, soms met het hele gezin, twaalf man sterk. We waren een goed team, zei mijn vader. Mijn vader roeide zelf niet, hij stond aan de kop van de bootsloot en riep dan dat er land in zicht was, dat we voorzichtig naar voren moesten lopen om daar aan de kant te stappen. Gelukkig waren wij goedgelovige kinderen anders hadden we nooit op vakantie gekund. Als iedereen veilig aan land was dan liep vader aan de andere slootkant het maïsveld van de boer in.
Daar dwaalden we doorheen en aten onderweg suikermaïskolfjes. Als ongewassen bemodderde varkentjes kwamen we dan weer thuis waar moeder ons met de tuinslang schoonspoot. Gelukkig hadden we één hele grote harde droge handdoek.
Een buurjongetje dat bleef beweren dat mijn vader over die boot loog heb ik maar in de sloot geduwd…om hem te overtuigen of misschien gewoon omdat het ‘geval’ dat wilde.

Scheppen maar!

Hoezo dood, dan maken we toch gewoon een nieuwe, kom op!

Nou, ten eerste…die baard laten we deze keer gewoon achterwege…zo, het begin is er!

Dat lijkt mij ook…en laten we dat geslacht dan ook maar laten vervallen als het even kan.

Natuurlijk kan dat, wij herscheppen het scheppende, dus dan ook geen lichaam, helder!

Akkoord, of…kan ook, juist alle lichamen, planten, dieren, bacteriën en inclusief de hemellichamen…

Prima, maar dan alleen als die zonder uitzondering gegoten zijn in een mal van duisterstille leegte!

Hoewel ruimte klinkt beter dan leegte… is dat ook goed?

Uitstekend, maar vergeten we nu nog iets…toch?…maar wat?

Bedoel je tijd?

Nee, geen tijd…wel tegelijkertijdheid!

Maar wat vergeten we dan?

Bedoel je waar?

Nee, geen waar, de lokatie laten we onbepaald, het is overal hier, dus inherent nergens niet.

Ja, dat is waar!

Er gaat mij een lampje op…het licht natuurlijk!

Het licht dat zicht is!

Kennelijk licht bedoel je?

Precies, licht dat kent!

Verkennend licht?

Of zoeklicht?

Wellicht meer…vindlicht?

Mooi zo, niks meer aan doen!

Klaar, scheppen maar!

Men


Men is een zeer raadselachtige bevolkingsgroep.
Aan de ene kant wil men niets liever dan bij de groep ‘men’ horen.
Anderzijds wil men zich juist onderscheiden van de groep door heel bijzonder te zijn.
Men weet kennelijk niet goed wat men wil. Zelfkennis is aan men niet besteed.
Men kent zichzelf niet….en men wil zich niet laten kennen.

Wie is men eigenlijk? Liefst zouden we het aan men zelf vragen, maar men is niet aanspreekbaar. Wel vreemd omdat men toch in grote getale aanwezig lijkt.
Men zou zelfs, zo gaat het gerucht, de grootste gemene deler zijn… ?
Men zou de zwijgende meerderheid zijn…?
Men zou het statistische gemiddelde zijn van alle doorsneemensen….een men-taal concept…?
Heel bijzonder is dat degene die het over men heeft zelf nooit tot ‘men’ behoort.
Door het over ‘men’ te hebben is al genoeg om jezelf bijzonder te maken.

Men wordt opvallend vaak geciteerd.
Men schijnt overal verstand van te hebben..
Men heeft overal een mening over.
Men schijnt van alles te beweren :

Men pikt het niet meer.
Men heeft er schoon genoeg van!
Men heeft weer vertrouwen in…
Men voelt zich veilig op straat…
Wat zijn deze meningen van men waard?
Wat de gek ervoor geeft?

Men is dus een bijzonder algemeen verschijnsel.

Men schittert door afwezigheid.
Gelukkig bestaat men niet.
Wellicht heeft men wel iets beters te doen dan te bestaan.
Niet dat dit veel zegt hoor, want degene die zich wil onderscheiden van men bestaat evenmin.
Diegene is niemand in het bijzonder.

Stuwmeer


Er wordt vaak nogal makkelijk gedaan over humor.
Men denkt, ach dat loopt wel los…het komt wel.
Maar zo makkelijk is het allemaal niet. Met een afwachtende houding komt men er niet. Het vraagt wel enig doorzettingsvermogen, om niet te zeggen: het eist!
Humor eist inzet…totale inzet, het is niet gewoon een kwestie van even de schoudertjes eronder. Neen dus, blijvende toewijding is nodig, dat vergeten de meeste mensen wel eens. Die lieden haken dus ook af bij de eerste de beste ernstige kwestie. Met zo’n mentaliteit wordt de bevrijdende ontlading natuurlijk nooit bereikt.
Soms ligt het falende lachvermogen ook aan het feit dat er gewoon te weinig lading voorhanden is. Het is dan ook zaak om ruim voor dat humor begint een enorme lading op te bouwen.
Er moet liefst een soort stuwmeer van lading worden aangelegd voordat de spanning weg kan stromen. Een ieder kan begrijpen dat het gewoon hard werken is om even te kunnen lachen. En let wel, het voorwerk hoeft niet persé leuk te zijn…
Nu iedereen weet hoe het in z’n werk gaat zou ik willen zeggen:
“Kom mensen, aan de slag, bouw een damwand!”

Overtocht


Tijdens de overtocht ging ik even aan de reling staan, op de achtersteven van het schip. Starend naar het machtige schuimspoor. Dat heeft mij altijd een euforisch gevoel gegeven: we zijn onderweg…weg van dat eiland…we gaan ergens naartoe…naar…ja naar…een volgend eiland….wat een vaart!
Opeens hoorde ik een stem naast mij in de flakkerende wind hardop, alsof iemand een gedicht voordroeg…was dit voor mij bedoeld?
Ik besloot niet te kijken, maar te luisteren:

“Wat waren we dom, God nog aan toe zeg!… wat waren we nog heerlijk dom toen. Weet je nog… We wisten van niks, echt nergens van… als onbeschreven lenteblaadjes dwarrelend door het leven…”

Ik zag het voor mij, dat gedwarrel.

“Fantastisch was dat…achteraf gezien …heerlijk flanerend over de gapende vlaktes van Dolce far niente…zalige lege hoofden hadden we nog…dat we ons dat konden veroorloven…! wat een broodnodige luxe…waar hadden we dat aan verdiend?”

Het begon zachtjes te regenen, maar de stem oreerde gestaag door…ik stond als aan de reling vastgeklonken door het omberkleurige timbre van die stem.

“Nog geen zorgen over van alles en nog wat, wat buiten ons bereik lag… allemachtig, dat was nog es goddelijk…die weldadige pierenwaaiende vrede”

Ik tuurde verzaligd naar de schitterend ondertitelde horizon…

” en God wat zijn we nu gespannen …zenuwelijers zijn we geworden, afgebrande zenuwpezen…daar hebben we hard aan gewerkt met z’n allen…dat hebben we dan toch maar mooi bereikt niet?”

De stem kwam op stoom…

“Als kwijlende schoothonden liepen we achter die volgepropte dataworst aan.
en nu weten we zoveel…Alles weten we, God wat een ramp…Alles weten we te vinden, denken we…op het wereldweb of hoe heet dat valse kreng… Interweb, weet ik veel punt com…kom! ga dan!…kruip er maar es in met je slimme hoofd, in dat web…in de hersenspinsels van die volslagen idioot…je raakt verstrikt in dat web van leugens…onderwijl zuigt de spindoctor je ziel op…je kostbare tijd van leven…dat offer je op aan dat pathologische geval…dat surrogaatapparaat…gevulde dataworst is het, niet te vreten…maar dansen zul je in de maat van het algoritme!!

Nu ik door de motregen heen opzij keek zag ik een roodbebaarde man met z’n pet stevig tegen zijn borst geklemd. Nu richtte hij zich tot mij in plaats van de kolkende maalstroom.

“Nou, ik laad die spin niet meer op hoor, ben je gek…ik weet nu genoeg….ik weet meer dan goed voor mij is…vergeet het maar…overboord ermee!”

“Wie bent u als ik vragen mag…’ vroeg ik, “u hebt werkelijk een prachtige stem!”

“Dank u, ik ben slechts de kapitein”, zei hij bijna verontschuldigend.

Ik wilde hem een behouden vaart toewensen, maar hij beende al weg naar de brug. Daar boven zwaaide hij nog even met zijn verfomfaaide pet.

“Waar bleef jij nou…?”, vroeg mijn reisgenoot die mij kennelijk had gezocht,
“het lopend buffet is al bijna afgelopen…
wat heb je trouwens met de kapitein, hij zwaaide naar je!?”

“Ach, we hadden het over de koers van het schip”, zei ik terloops.

“En liggen we op koers ?”.

“Volgens de kapitein hoeft een zinkend schip geen koers te houden…
elk strand is geschikt om op vast te lopen”

“Wat sla jij nu voor orakeltaal uit?”, klonk het terwijl mijn lichaam langs het leeggeroofde buffet dwaalde. Het had geen trek meer.

Dingenfokkers

Bestaat de gehele natuur niet uit seksuele handelingen? Het is moeilijk om ergens naar te kijken waar geen sex aan te pas komt. De plantenwereld ovuleert waar je bij staat. Het zaad en stuifmeel waait je om de oren. De evolutie fokt maar raak…en terecht.
Waarom eigenlijk terecht?
Omdat het aan de andere kant sterft van het leven. De natuur sterft van het leven.

Nu zijn er vast die beweren dat dingen door mensen gemaakt niet door sex tot stand komen. Tot voor kort dacht ik er ook zo over…

In het slechtvertaalde boek ‘Dingenfokkers’, ‘Sexy Thing’ schetst Weldon Mayfield de geestelijke geslachtsdaad, ondertitel: ‘de sexuele fenomenologie van het ding’
Kunstenaars, uitvinders, ontwerpers, schrijvers bedrijven sex met ideeën.
Weldon gaat diep in op deze
‘denkbeeldige materie’.
Hierbij onderscheidt Mayfield dezelfde fasen die bij biologische voortplanting spelen:
De baarmoeder van de geest omschrijft hij als lege bovenkamer met poreuze wanden en open dak om de ovulaties uit de zee van mogelijkheden te kunnen ontvangen, het domein van het voorspel.
Dan volgt de fase van bevruchting:
men spreekt van ‘de geest krijgen’.
Is het ‘idee-zaadje’ ingedaald dan volgt de incubatieperiode, het afwachten of het idee wortel schiet en tot wasdom komt. Heel veel ideeën worden afgedreven als niet levensvatbaar, gelukkig maar want anders kwamen we om in een tsunami van dingen.
Blijkt het geesteskind levensvatbaar dan treedt de verwachtingsperiode in.
Anders dan een gewone zwangerschap, weet men niet wat men kan verwachten.
Welke gedaante het idee aanneemt blijft tot aan de geboorte een verrassing.
Zelfs na de geboorte is soms moeilijk vast te stellen waar we mee te maken hebben.
Het is immers in het beste geval iets nieuws in een nieuwe unieke vorm gegoten. Is het geesteskind getalenteerd om te blijven of is het een eenmalige verschijningsvorm?
Geesteskinderen zijn doorgaans nestvlieders, ze moeten meteen op zichzelf staan.
Het laatste hoofdstuk gaat over musici.
Zelfs geluid plant zich voort in de ruimte.
Musici hebben ideële sex met de ruimte. Zij produceren louter bronstgeluiden, aldus Weldon Mayfield.
Zijn conclusies liggen eigenlijk erg voor de hand, toch is er nooit zo’n gedegen studie over verschenen.
Waarschijnlijk te danken aan onze geciviliseerde preutsheid, gemarineerd in schaamte als wij zijn. Cultuur is toch in diepste wezen schaamte voor de eigen natuur.
Cultuur als schaamlap.