Siliconen

Er was eens, ooit…ergens in het land van de onwenselijke mogelijkheden een denkbeeldig biggetje van ‘echte’ siliconen. Het was geboren in het befaamde Siliconendal.
Data was een klein rozig varkentje.
Men vond biggetje Data schattig. Het at eerst nog mondjesmaat kleine bitjes met z’n gebitje. Maar onmerkbaar geleidelijk werd het biggetje groter en gulziger. Steeds een beetje meer, steeds een beetje groter. De snuit van Data wroette alles om en vrat ondergronds alles wat los en vast zat, nou ja… denkbeeldig dan.

Zoals bekend zijn varkens allesvreters…big Data was daar geen uitzondering op. Op zekere dag was Data was uitgebroken uit de omheining van het dal, maar de boer dacht simpelweg: Wat maakt het uit, gratis eten scheelt geld en hij mest zichzelf wel vet, op een dag vang ik hem en dan gaat hij naar de slacht. De boer dacht slapend rijk te worden.
Maar het liep net even anders. Big Data werd zo monsterachtig groot dat hij de oogst van de boer opvrat, de kippen en alle andere boerderijdieren. De boer wilde het verwilderde varken nu vangen en slachten, maar de kogels uit zijn dubbelloops jachtgeweer kwamen niet door de massieve vetlaag van Data heen. Ook de boer werd verslonden door het onverzadigbare denkbeeldige monster.
Data had geen rem op zijn groei, een genetische afwijking. Hij vrat de godganse wereld op, kruiwagens, snelwegen, lantaarnpalen, wolkenkrabbers, het hele heelal. Big Data liet een verschrikkelijke boer tegen het einde, tegenwoordig beter bekend onder de naam Big Bang. Het begin van een nieuw heelal.
Toegegeven, dit is wel een erg sterk verhaal. Geloof het of niet maar dit huidige heelal is wel het meest wonderlijke heelal van alle heelallen die ik tot nog toe heb bezocht, een onovertroffen exemplaar.

Maan

Vaal Veulen had die nacht niet kunnen slapen. Klaarwakker had hij naar de maan liggen turen.

Tandeloos zag het en zei gapend: ‘Zo Vale wat ben jij wakker jongen…ja, wat niet slaapt kan niet ontwaken, nietwaar!’

De jongen had niet goed gehoord wat Tandeloos zei en vroeg: ‘Meester, wat is nu toch de ziel, waar men het soms over heeft?’

De oude keek hem aan zwijgend als een volle maan en zei bedachtzaam:
‘Wat bezielt je, Vaal Veulen om mij deze vraag te stellen?’

‘Omdat er iets in mij wil weten wat het is, de ziel?’

‘Precies dat willen weten, dat is het kenmerk van de ziel’, zei Tandeloos terwijl hij naar de wolk wees die net de maan verduisterde.

‘Maar dat is een kenmerk dat je niet kunt aanwijzen?’

‘Inderdaad, dat is het kennen van het kennen…dat zielsgraag weten is de ziel van het universum…wat zou het universum zijn als het niet wordt gekend ?’

Veulen probeerde zich een ongekend universum voor te stellen, zonder het kennen.
Er verscheen een glimlach op zijn slaperige gezicht.

‘Je houdt het niet voor mogelijk’, zei Tandeloos,’ maar de ziel is datgene wat de tienduizend dingen bezielt… ‘

Het duizelde Vaal Veulen terwijl hij alle dingen in zich op probeerde te nemen.
‘Hoe kan het, dat één ziel alles bezielt?’

Tandeloos greep machteloos in de lucht en keek dan in zijn lege hand.
‘Hoe is een onmogelijke vraag, maar als wat jou onmogelijk lijkt toch mogelijk blijkt, is dat dan geen wonder?’, vroeg Tandeloos

De jongen nam Tandeloos in zich op en zag de gelijkenis van zijn kale schedel met het gezicht van de maan.
‘Is de maan dan ook bezield?’

Tandeloos speurde de ochtendhemel af op zoek naar de maan, die inmiddels was opgelost in het blauwe.

Tojo eert de berg
hij weet de Kami inwezig
verstild in elke steen

versteende zielen
springlevend werpen ze
flitsende schaduwen

Tojo gaf Fuji zijn hart
koestert al haar nazaten
van keien tot kiezels
van zand tot gruizig stof

Stilstaan bij je steenstaat
noemt hij dat zacht

Stenen zijn licht dicht Tojo
zonder enig gewicht

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’Futonpress 2016

Puiloog

Onze hond krabt zijn neus aan de opstaande spleet van de houtvloer. Soms schuurt hij zich aan een boom. Soms duwt hij ruw z’n kop tussen je knieën, alsof een fietswiel zich in het fietsenrek parkeert.
Ik krab hem overal waar ik hem maar kan vinden binnen zijn vel.
Of hij wordt gek van wellust of hij verdwijnt in een voorgeboortelijk nirvana.
Ik vind hem in z’n buikvel, in z’n oorvoering (mooi onzichtbaar omgestikt en afgezoomd), in z’n rugvacht, in z’n met bontbezoolde voetjes woont hij ook. Onverzadigbaar is z’n halshuid, jeuk doet leven.
Waar vind ik hem eigenlijk niet binnen dit vel?
Hij is overal, alleen zijn oogjes puilen uit als ik stop met krabben.
Precies op de meest geschikte plek daarvoor, niet onder zijn staart, niet op zijn flanken, precies op zijn kop, geniaal ontwerp.
Als ik dit ontworpen had zou ik naast mijn schoenen gaan lopen.
Nu loop ik op blote voeten als een hond.

Steenpers

een pen schreef
in de schaduw van een hand
een gedicht over licht

de woorden verbleekten
metéén in het licht
van de zonnebol

als een verblindend oog
zwevend boven Mount Fuji
een wakende Kami

hiermee vergeleken
blijkt geest slechts
een bleek schemerlampje

heeft geesteslicht gewoon
veel duisternis nodig
om zich te zien?

***

‘hoe pers je water
uit een steen?’
zo dichtte Tojo

‘leg hem blijvend
in de volle zon!’

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’ FutonPress 2016

Wijds

Het was op een doodgewone zomerdag dat
Meester Tandeloos plotseling in verwondering mompelde dat hij op deze bewuste dag herboren was, als hij het zich goed herinnerde…?’

‘Maar dan zou het vandaag uw verjaardag zijn!’, riep Vaal Veulen opgewonden, ‘hoe oud bent u dan nu?’

‘Dat zou ik nu even zo gauw niet weten’ , zei Tandeloos nog steeds verstild van verwondering.

Feitelijk wist Vaal Veulen maar heel weinig over Tandeloos, wel kende hij vele wonderlijke verhalen van horen zeggen, waarop de oude lachend verklaarde:
‘Men beweert zoveel over mij dat ik wel tien levens zou moeten leven om al die verhalen waar te maken, maar misschien kun jij een handje helpen om ze waar te maken?’.

‘Wat is dan het mooiste wat u ooit hebt meegemaakt?’, wilde de jongen opeens weten.

‘Dit, Nu, Hier met jou!’

‘Maar meester, u hebt toch veel meer beleefd dan Dit, Nu, Hier?’

‘Welnee, jongen, hoe kom je erbij, natuurlijk niet, want is Dit, Nu, Hier los te zien van Dat, Straks, Daar? of gescheiden van Dat, Toen, Ooit Waar dan ook?’

‘Leeft u dan zo wijds?’

‘Waarom zou je zo smalletjes leven?…het bestaan bestaat over de volle breedte, de langste lengte en de hoogste diepte…
Al moet ik bekennen dat toen de wereld in mij werd herboren wel het wijdste is wat ik nog steeds beleef!’

‘Maar meester Tandeloos u bent toch in de wereld geboren en niet andersom?’

‘Geloof mij Veulen, elk mens wordt in de wereld geboren en daarna wordt de wereld in hem herboren, zo onthult de natuurlijke weg’.

Vaal Veulen probeerde Tandeloos te volgen:
‘Hoe kan die wijdse wereld in een klein mens worden herboren?’

‘Een moeder baart het kind, en het kind baart
een nieuwe wereld, daarom is elk kind een openbaring…en daarom Vaal Veulen is Dit, Nu, Hier het mooiste moment met jou!’

Vaal Veulen was sprakeloos vanwege deze onverwacht mooie verjaardag…Nu, Hier met hem. De hele wereld gallopeerde in de wijdse wei, als een jong veulen dat bokkesprongen maakt, zo voelde zijn hart.

Reanimatie

De gezworen compagnons kregen onenigheid, over geld. Samen reviseerden ze hoogbejaarde vleugels en piano’s met befaamde merknamen. Als lijk werden ze opgekocht, afgeragd en onteerd, inclusief gescheurde zangbodems, kapotte hamers, rammelende mechanieken. Zij maakten ze weer nieuw en heel, zwart gepolitoerd, nieuwe hamerkoppen, met het beste vilt ingevoerd, nieuwe besnaring.
Hun taakverdeling was niet helder gescheiden, ze overlapten elkaar, ze meenden dingen te hebben volbracht die de ander had gedaan.
De gemoederen bleken onbeheersbaar, de ruzie leidde tot een rigoureuze scheiding. De eiser liet diezelfde nacht nog zijn favoriete drie lijken ontvoeren uit de werkplaats, juweeltjes van authentieke instrumenten, in gereviseerde staat een vermogen waard.
Er volgden vergeefse huiszoekingen, serienummers werd bij of weggewerkt
De ontvoering leek geslaagd en de rekening vereffend.
In het geheim werd er aan de reanimatie gewerkt, door diverse ingehuurde mensen die betaald moesten worden, een fikse investering. Dat gebeurde netjes tot de instrumenten klaar waren.
Men was unaniem lyrisch over het vakwerk. Maar om onbekende reden werden ze geen van drieën verkocht. Geen reden is natuurlijk ook een onbekende reden.
De ontvoerder vond zichzelf een uiterst rationeel, nuchter mens, maar hij betrapte zichzelf op de gedachten dat de drie sublieme vleugels vervloekt waren en dat ze misschien wel helemaal niet gereanimeerd hadden willen worden.
Hij vond dit belachelijke gedachten en toch bleven ze hem bezoeken. Ze leken hem in gijzeling te houden.

Vers falen

Manke haiku’s strompelen
als in vorm gedwongen
bonsai-gedrochten

raku-gestookte poëzie
eenmalige misbaksels
unieke barsten van glazuur

werp lukraak lettergrepen
als bloemen in een vaas
bij wijze van ikebana

bloemen schikken zichzelf
hun kleuren vloeken spontaan
zo prachtig passend bij elkaar

zo is de traditie van het éénmalige
ze wordt doorgegeven door nooit
dezelfde fout maar steeds weer
een andere nieuwe fout…

dit heet: Het eeuwig verse falen

Osho Ozamaki uit:
‘Meester van het Manke Vers’ Futonpress 2016

Boodschappen

‘Wat kijk je bedrukt, Veulen’, zei Tandeloos opgeruimd,
‘hoe was het leven in de stad, was er iets te beleven?’

‘…Ik heb wel alle boodschappen gevonden…zei de jongen weifelend,
‘Ze vroegen alleen lastige vragen…wat ik later wilde worden…of ik net zo wilde worden als…?’

‘Ach, je kreeg een ongevraagde boodschap, maar ik begrijp het…net zo worden als die oude tandeloze gek zeker?’, vulde de oude lachend aan.

Vaal Veulen keek beschaamd naar de grond.

‘Dat is toch een heel gewone vraag!’, zei Tandeloos opgewekt, ‘de vraag is alleen niet compleet…’

‘Hoe luidt de hele vraag dan?’

‘Wat wil je later worden… als je alleen maar nu kan zijn!’ ,terwijl zijn wijsvingers naar elkaar wezen. Met één oog keek Tandeloos scherp naar de ruimte tussen zijn wijsvingers.

‘Nu zijn!’, proefde Vaal Veulen die zijn lippen likte.

‘Wat dacht je trouwens over dat later en wat je dan wil worden?’, vervolgde de oude.

‘Ik weet het echt niet…als ik het nu al niet weet, hoe zou ik het later dan moeten weten?’

‘Het is ook heel mooi, Veulen…. om het blijvenderwijs niet te weten!’

‘Blijvenderwijs ?….maar dan weet je het… nooit?’

‘Nu-niet is nooit, maar nooit-niet is altijd’.

‘Onvoorstelbaar’, verzuchtte Vaal Veulen,
‘niet-weten en dat dan blijvenderwijs!’

Het bleef lang stil in het naluisteren van wat er gezegd was.

‘Hoe kwamen we hierop, meester?’

‘Het kwam als bijvangst samen met die ongevraagde boodschap’.

‘Dus nooit een ongevraagde boodschap aannemen, meester?..’

‘Inderdaad, maar wel kijken of er bijvangst is!’

Mist

Berg Fuji verbergt zich
midden in het zicht
van de dagjestoerist

weggedommeld ligt ze
onder een deken van nevel
een droom van dichte mist

niemand mist haar
schitterende afwezigheid
zonder ondergronds geronk

Tojo leidt bezoekers
rond door de lage wolken
als een blindegeleidehond

ze zijn er stuk voor stuk
geweest, daarvan getuigen
hun volgeschoten fotocamera’s

haarscherp vastgelegde waterdamp
met dank aan de Kami

Osho Ozamaki uit ‘Meester van het Manke Vers’ Futonpress 2016

(Tojo: Tokyo Joe, gids op Mount Fuji)