Naam

Zodra iets een naam krijgt lijkt het echt te bestaan. Dat is een wonderlijk gegeven. Naam schept de waan van werkelijk bestaan. Zelfs bij tastbare dingen is een naam
niets meer dan een afspraak. Het gebruiken van die naam geeft een misplaatst
gevoel van grip, van begrijpen. Hoe meer mensen het zo noemen hoe meer grip er
lijkt te zijn. De illusie van begrijpen wordt zo versterkt.
Sommigen worden helemaal wanhopig als ze iets niet begrijpen. Pas wanneer je ze duidelijk maakt dat er niets te begrijpen is maar dat het slechts een gemeenschappelijke afspraak is die je kunt aannemen kunnen ze het loslaten.
We begrijpen dan waar de woorden naar verwijzen, maar datgene waar het woord naar verwijst begrijpen we meestal niet. Wat is begrijpen?
Wat het ook is, taal is geen hand die werkelijk grip kan hebben op het ontastbare.
Het tastbare is leuk speelgoed, maar het draait altijd om het ontastbare.

Post

Hij stuurde elk jaar aan iedereen een telepathische Valentijnskaart.
Vriend en vijand, ook dieren en planten, bomen en bergketens konden
op zijn warme aandacht rekenen. Eventuele buitenaardsen rekende hij
ook bij voorbaat tot zijn kennissenkring. Je moest dat ruim zien vond hij.
Niet van dat benauwde. Telepathische posterij was volgens hem de
oudste vorm van tele-communicatie. Moest dat niet weer in ere worden hersteld?                                 De non-verbale respons die hij van de wereld kreeg vond hij overweldigend.

Gas

Geprezen zij modder op je bodem.
Dankzij haar is dit wuste water zo helder
als gas dat rustend uit je modder stijgt.

Roer je niet, dan blijft het helder wustig en
vergeet niet, nee vergeet nooit haar te eren.
Het blijft wel je modder, je geboortekust.

Vuil

De zonnestraal in deze lege kamer vormt slechts
een schaduwdun plakje licht op de kale vloer.

Pas dankzij een stofwolk wordt het een massieve staaf.
Het vuil maakt het licht zichtbaar, schijnbaar tastbaar.

Zo straalt ook bewust zijn op het vuil van de wereld,
zelfs vuil is dan subliem, door zon goddelijk bevonkt.

Klopt

‘Als de quantummechanica klopt is de wereld krankzinnig’, stelde Einstein ooit.
‘De wereld is krankzinnig’ , bevestigt vooraanstaand quantumfysicus Greenberger.

De wereld kan niet krankzinnig zijn. Alleen mensen kunnen krankzinnig denken te zijn.
Mensen denken dat ze gek worden omdat de werkelijkheid niet in hun logische model past.
De natuur trekt zich echter niets aan van welk rationeel concept dan ook. In plaats van het concept aan te passen of weg te gooien, verklaart de wetenschapper liever de wereld voor gek.
Een krankzinnige is iemand die permanent in conflict is met ‘de wereld’ , lees: in conflict met de inhoud van zijn bewustzijn. Open onderzoek van neutraal bewust zijn naar de aard van de wereld kan nooit in conflict zijn met de wereld ,lees: de inhoud van het bewuste zijn. Dat onderzoek kenmerkt zich door permanente verwondering om het mysterie dat ons omringt en waar wij uit bestaat. Krankzinnigheid is een probleem van het model.

‘De wereld is van een geniale intelligentie als de quantummechanica klopt’
F. Wildesheim

Volgens welke norm of criterium zou de quantumwereld trouwens moeten kloppen?
Waar meten we dat aan af? Is er een vergelijkbaar universum om de maat mee te nemen?

Cam

Soms wacht je op straat op je vrouw die nog even, twee tellen, een boodschapje haalt. Daar sta je dan, samen met een jou onbekende beroemdheid eveneens wachtend. Je kunt hem niet thuisbrengen. Van een boek, een film, een programma…? Ongewild bestudeer je zijn schichtig ontwijkende blik. Het is alsof je een exotisch dier aan het determineren bent. Het dier voelt zich duidelijk niet op zijn gemak in de openbare ruimte. Het weet zich geen houding geven buiten het oog van de camera’s. Je kunt natuurlijk ook niet gaan vragen wie hij eigenlijk is, dat zou een belediging zijn voor zijn roemruchte reputatie. Velen zijn trouwens voornamelijk bekend vanwege hun beroemdheid. Ze zijn een wandelend merk, ongeacht voor welk product ze reklame maken. Heel gek en waarschijnlijk onterecht krijg je toch met zo’n dier te doen. Liefst zou je het dier vangen en met je verdovingsgeweer platleggen om het voorzichtig te vervoeren naar zijn vertrouwde biotoop, de televisiestudio waar alleen de fans komen, het applaus en de herkenningstune klinkt. Waar alle medewerkers mediagetraind zijn in de code van discrete bewondering.
Terwijl mijn gemijmer over roem wegebde zocht het dier plots toenadering en ging vlak voor mij staan en vroeg:
‘Mag ik u een onbeleefde vraag stellen…maar bent u het nu of niet, ik kan maar niet op uw naam komen?’
Ik schrok nogal dat het dier kon spreken en antwoordde:
‘Nee hoor, wees gerust, ik ben het niet!’
Gelukkig kwam mijn vrouw zojuist de winkel uit.
‘Met wie stond jij nou de hele tijd te praten’ ,vroeg ze, ‘ was dat niet…hoe heet-ie ook al weer, hij leek er anders sprekend op?’
Op de terugweg viel mij op hoeveel camera’s er in de straat hingen te kijken.

Zool

Hij had een steentje in zijn schoen. Onmiddellijk meende hij te weten dat hier om een metafoor moest gaan, een schrijversgewoonte. Hij besloot om rustig door te lopen en het steentje er niet eerder uit te halen voor hij wist om welke metafoor het ging. Vroeger had hij probleemloos blootsvoets over grindpaden gelopen, maar dit ene stukje grind maakte meer indruk in zijn voetzool dan vele. Zou het steentje voor problemen staan…één probleem is storend maar vele problemen niet… Nee, het moest iets anders zijn. Herinnerde het steentje aan hem aan iets…iets dat hij niet mocht vergeten? Aan wat dan? Deze metafoor gaf zich niet zomaar gewonnen. Vreemd, want normaal gesproken dienden metaforen zich als vanzelf aan, als gladde verkoopjongens die jou iets wilden aansmeren. Hij liep nu al een week te ijsberen met dat irritante steentje in zijn schoen.
Op een alledaagse woensdag om 10.47 uur gebeurde het, terwijl hij midden op een zebrapad liep werd het hem opeens duidelijk, zo simpel: Het steentje stond gewoon nergens voor, geen enkele metafoor. Het was alleen maar een steentje.
Een wachtende automobilist was uitgestapt om te vragen of het wel goed met hem ging daar midden op dat zebrapad.
“Ja hoor”, had hij gezegd, “het kan niet beter, ik had alleen maar een steentje in mijn schoen…kijk maar…deze!”
“Halve zool” , had de chauffeur verzucht.
De schrijver voelde zich bevrijd, genezen van de metaforendwang. Soms, als weer eens een aanvechting kreeg in die richting deed hij zelf een steentje in zijn schoen, als reminder. Het was net zoiets als in een kolkende wolkenlucht allerlei gezichtjes menen zien, een amusante oogafwijking.

Grip

De ruimtevaartautoriteit hield mij staande. Ik voerde geen licht op mijn fiets.
Of ik wel wist waar ik fietste?
‘Op de Melkweg, meneer’ ,zei ik verwonderd.
Mijn verweer dat het klaarlichte nacht was…dat de sterren mijn achterlichten
waren en Alpha Centauri mijn voorlicht…’t mocht niet baten. Het zou een fikse prent worden zo beloofde hij plechtig. Diverse raketten hadden niet gelanceerd kunnen worden omdat meneer zo nodig over de Melkweg moest fietsen. Het zou wat moois worden als iedereen dat in zijn malle hoofd haalde. En waar of meneer de fietser zo hoognodig naar op weg was?
‘Ik ben op weg naar de achterkant van het licht…’, verklaarde ik gespeeld bedeesd, ‘
we zien altijd alleen maar de voorkant van het licht dat de dingen beschijnt, maar ik moet en zal weten waar de achterkant uit bestaat’.
De ruimteagent leek onder de indruk van mijn vastberadenheid.
Hij keek mij aan met een vorsende blik…
Nou dan, voor deze keer zou hij het door de vingers zien.
Hij gaf mij zijn adreskaartje en vroeg mij te beloven hem op de hoogte te stellen
zodra ik de achterkant van het licht gevonden had. Met alle genoegen.
Ik mocht verder fietsen. Of hij mijn achterband nog even moest oppompen?
‘Nee hoor’, bedankte ik opgelucht, ‘een zachte band geeft meer grip op de Melkweg’.
Hij salueerde met de universele ruimtegroet en schoot weg op zijn spacescooter.
Het fietsen leek moeiteloos te gaan. Gelukkig maar, want er was nog best
een eindje te gaan. Alsof de achterkant van het licht mij vanzelf naar zich toe trok.