Geestig

Vaal Veulen had de afgelopen nacht geen oog dicht gedaan. Tenminste, zijn ogen gingen nog wel dicht, maar de slaap wilde maar niet op bezoek komen. Alsof hij vergeefs op niemand had liggen wachten.

Meester Tandeloos had hem voor het slapen opgedragen om eerst zijn geestesoog te sluiten.

‘Waar waren de oogleden van dit geestesoog?’, dat had hij zich stil liggend afgevraagd.

Hij kon alleen maar denkbeeldige oogleden bedenken…en om die denkbeeldig te sluiten
dat ging ook nog wel, maar het bleef na het sluiten even licht als daarvoor. Het leek zelfs nog helderder dit licht, stil liggend.
Het wilde maar niet donker worden.

De volgende ochtend had Tandeloos doodleuk tegen hem gezegd:

‘Goed gedaan Vale, ik zie aan je dat het gelukt is!’ Daarna had de oude onhoorbaar gegrinnikt.

‘Maar… het is juist helemaal niet gelukt’, had Veulen slaperig tegengesputterd.

‘Juist, het is maar dat je het weet!’, lachte Tandeloos hem toe.

‘U bedoelt dat je het geestesoog niet kan sluiten…wat gemeen…om mij te laten zoeken’, riep Veulen ontgoocheld.

‘Dat niet alleen…je kunt het geestesoog dus ook niet openen in het al-gemeen!’.
Tandeloos had geschuddebuikt.

‘Het geestesoog lijkt dan wel op de zon, die ook altijd schijnt!’, probeerde Vaal Veulen te vergelijken.

‘Dat schijnt zo!’, is dat niet geestig van dat geestesoog?, verklaarde Tandeloos opgewekt terwijl hij naar de ochtendzon wees.

‘Ik ga nog even liggen!’, zei Veulen.

‘Goeiemorgen welterusten!’, zei de oude zacht.

Openbarend vervoer

God mag weten wie of wat dit ‘Openbarende Vervoer’ organiseert, Het leidt ons in vervoering, wie of wat het ook is?
‘Hij spoort niet helemaal’
,zeggen zij die hun vaste vicieuze traject uitzitten, de forensmensen. Zijn reisgenoten zeggen:
‘Hij spoort helemaal niet!’

Het is er eentje die nog overal zijn eigen spoorrails legt of desnoods spoorloos arriveert, ergens of elders, waar geen normaal mens gevonden wil worden. Wagons laat hij her en der achter op het lukrake traject. Zijn droomlocomotief kachelt nog op stoom, elf en dertig keer zo langzaam. Zijn treinkaartje is een abonnement van 24 uur per dag vrij reizen op voorwaarde dat men nergens heen moet.

“De stoptrein richting einder heeft een vertraging van elf en dertig minuten”, zo laat hij steeds opnieuw omroepen (nasaal door een opgerolde oude krant), om te verhullen dat de stoptrein al sinds wensenheugenis is gestopt met vertrekken. Elke seconde kan een station zijn om tijdloos bij stil te staan.

‘De mens is een tijdelijk perronnetje in de eeuwigheid. Een perronnetje van aankomst en vertrek. En het grote mysterie is: ‘hetgene wat reist is het blijvende!’

F. Wildesheim

Miroslav

Het was in de heetste zomer van de eeuw dat Miroslav Mug droomde dat hij
steeds in zijn slaap gebeten werd door bosolifant Balsekar Flabwami ,zo’n uitbundig versierd Indiaas exemplaar, met een stip op zijn voorhoofd, zo ééntje die met boomstammen sleept. Zo groot dat je hem nooit zag aankomen in je slaap.
De beten lieten enorme bulten achter op het muggeruggetje van Miroslav.
Met z’n badmintonracket probeerde hij de grijze kwelgeest dood te meppen,
maar de dikke huid was zo stug dat er alleen een klein stofwolkje uit opsteeg.
Buiten de ondraaglijke jeuk die de olifant veroorzaakte zat die Flapwammes ook nog eens onophoudelijk op zijn slurf te tetteren, met dat irritant nasale geluid.
Miroslav probeerde vergeefs een meeslepend boek te lezen, ‘Wrawotil’s badeend’ om de jeuk een beetje te vergeten. Zijn vriend Katopek de girafrups sliep overal doorheen, de olifant ‘lustte’ zijn bloed kennelijk niet. Die ochtend liet Miroslav aan Katopek zijn bulten zien.

‘Ach jee, Miroslav man, je rug, je lijkt wel een kameel!’.

Katopek verzon meteen een fantastisch plan: ‘Als we nu twee badmintonshuttles in de slurfgaten van die Flapwammes slaan. Dat zal hem leren uit onze buurt te blijven’.
Op dat moment kwam huisvriend Vladomir de zebrakrekel binnengegonsd op zijn hommelscooter.

‘Wat zijn jullie van plan met Flabwami, hoorde ik net iets over shuttles in zijn slurf slaan?, nee toch….die dingen blijven steken!’ , riep Vladomir verontwaardigd, ‘die raakt hij nooit meer kwijt’

‘Ja, wat wil je nu, nog meer bulten op Miroslav of afrekenen met die grijze slampamper?’ ,Katopek wees naar de vurige bulten, ‘die schat sterft nog van de jeuk, wil je dat dan?’

‘Maar, je vergeet wel dat Balsekar Flabwami ons hele geheugen beheert, als hij bezwijkt is het hele bos zijn geheugen kwijt!’ ,waarschuwde Vladomir.

‘Daar had ik niet aan gedacht, was ik al vergeten…’ erkende Katopek schoorvoetend.

‘Weet jij eigenlijk wel, Katopek, waarom olifanten ons bijten…’

‘Nou, ik ben wel heel erg benieuwd wat je ons nu weer wijs gaat maken!’

‘Ze geven ons bulten om ons meer geheugen te geven, legde Vladomir uit.

‘Geloof je het zelf?.’ ,grijnsde Katopek brutaal.

‘Die bulten jeuken zo vreselijk opdat wij niet vergeten’, hield Vladomir vol.

‘Wat vergeten….wat valt er nou te vergeten, nou wat dan? ‘, riep Katopek met een irritant keverstemmetje.

‘Jij hebt echt een geheugen als een muggenzeef Katopek…en dat komt omdat je nooit gebeten ben, je hebt geen enkel geheugen…en dus ook geen geweten’

‘Nou vertel op dan….!’

‘Om…eh…ons eraan te herinneren dat eh…Flapwammes jarig is!’, verzon Vladomir terplekke.

‘Dus jeuk herinnert ons eraan om dat goed te onthouden?’, schamperde Katopek.

‘Kom Katopek, laten we in hemelsnaam even gaan badmintonnen’, stelde Miroslav voor die het gezeur zat was.

‘Waar zijn de shuttles, Vladomir?’

‘Zo net lagen ze hier nog, alletwee!

‘Vladomir! Geef hier! ,kom onmiddellijk terug!’

Vladomir zat al op zijn scooter die stationair stond te gonzen in het ochtendzonnetje met de twee shuttles triomfantelijk onder zijn vleugel geklemd.

‘Wat moet jij nou met onze shuttles?’ ,jammerde Miroslav.

‘Aan de jarige geven natuurlijk, dat waren jullie toch ook van plan?’ , redeneerde Vladomir slim en weg was hij. Met piepende remmen stopte hij bij Balsekar die er
vermoeid uitzag. Vladomir gaf hem meteen zijn kadootjes om hem op te fleuren.

‘Ach, wat leuk, wat attent’ ,mompelde de grijze reus ontroerd, ‘precies wat ik nodig had: Twee oordoppen….ik word namelijk helemaal gek van dat gezwets van die Katopek, die gek met zijn lange nek en die vreselijke Miroslav kletsend achter mijn grijze rug, ik hoor alles wat ze zeggen met die oren van mij….en ik onthou het ook nog allemaal’

‘Alsjeblieft, grote vriend, voor je verjaardag!’ ,zei Vladomir en tjirpte even een klein verjaarsliedje op zijn gestreepte achterpoten.

‘Ach, hoe wist je dat ik jarig was? ,vroeg Balsekar verbaasd terwijl hij de oordoppen in deed.
Het antwoord van Vladomir hoorde hij al niet meer.

Fraai

Tojo waakt over de gewijde Fuji
door toeristen veilig te misleiden

hij toont hen het platgetrede pad
met fraai afgezaagde frasen

waar hij ook gaat huppelt
zijn nieuwe hondje vrolijk mee

als hoogtepunt niet de bergtop
maar ‘Hokusai’s’ souvenirshop

in de sneeuw lost hondje even
maagdelijk wit op, weg is ze

geblaf maakt haar weer zichtbaar
vertedering geeft ruim fooi

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’ , Futonpress 2016

Zalf

Gevoel voor humor had Borek Midalgan niet, als telg van de spierzalfindustrieel, nooit gehad ook en zeker niet van zijn ouders.
De genen, verantwoordelijk voor een spontane lach, ontbraken bij hem simpelweg ,zo was zijn rationele overtuiging.
Zijn huisarts constateerde, inwendig schuddebuikend, ‘dubbelzijdige verlamming aan beide lachspieren’, hij schreef door het schudden een onleesbaar recept uit.
Borek slikte daardoor enige jaren per abuis een overgangsmiddel tegen onrustige benen.

Binnen het sociale leven wist Midalgan zich
even wel te handhaven door op het geëigende moment hinnikende geluiden te produceren wanneer hij bij anderen ‘leuke’ humor meende waar te nemen. Meestal ging dat goed en werd er smakelijk samen gelachen. Evenwel…soms vergaloppeerde hij zich en oogstte verstoorde blikken wanneer zijn gehinnik net iets te lang duurde. Dan stelde men hem wel even voor om in een manege te gaan werken, hetgeen hij niet begreep. Borek wist werkelijk niet waar men zo om moest grinniken en zag geen ander parcours dan zich aan te passen aan de sociale conventie en maar hard mee te brullen met de bijbehorende mimiek.

Als vanzelf rolde hij evenwel in de meest humorloze wetenschap, die van de genetica. Tijdens zijn stage bij het justitieel forensisch instituut vatte hij het plan op om het gen voor humor op te sporen. Om zich niet belachelijk te maken zweeg hij erover als het graf, zijn missie bleef geheim. Humor was wel even het laatste wat men binnen de academische wereld onderzoekwaardig achtte.

Midalgan liet zijn eigen genoom analyseren.
Door vergelijking met andere genomen zou hij het ontbrekende gen op het spoor komen.Tot zijn verrassing bleken zijn genen identiek met de genen van degenen waar hij zich mee vergeleek, stuk voor stuk volbloed lachebekjes.
Hij vond het niet leuk dat zijn hypothese niet klopte, zijn stokpaardje…maar dat betekende niets, want hij vond immers niets grappig.

Borek schaamde zich eerst nog even wel voor zijn onvermogen tot zijn psychiater hem aanmoedigde om openlijk uit te komen voor zijn gebrek aan humor.
‘Gooi de teugels los Borek, het leven is toch al geen lolletje’…het is een hard gelach!’ ,grijnsde de zielkundige wellevend.

Steeds wanneer hij in schaterend gezelschap verkeerde begon Borek uit te leggen dat het niet leuk was om te gieren om onzinnige dingen en waarom humor in het algemeen eigenlijk nooit grappig kon zijn…dat lachsalvo’s per definitie op een pijnlijk misverstand berusten. Borek wist zijn toehoorders even wel zo te overtuigen dat het lachen hen verging, ze waren dus nog te genezen… ze werden zich bewust dat ze tot dan toe uit ongemak, onbegrip, onmacht en onwetendheid hadden gelachen.

Midalgan begon een therapeutische praktijk om mensen voor hun grappen of practical jokes te behandelen, alsof het enge ziektes betrof.
Zodra ze de grap konden doorzien kregen ze inzicht in het feit dat humor in wezen niet bestaat.

‘Humor is een serieuze aandoening waar helaas veel tijd mee verloren gaat…’, aldus Midalgan, ‘kostbare tijd die veel nuttiger besteed kan worden aan ernstige zaken en situaties die echt niet leuk zijn….’
‘Zijn niet alle oorlogen ontstaan door misplaatste grappen, die verkeerd vielen…’
Borek schudt zijn hoofd denkend aan de nabestaanden.

Dalen

langzaam zakt hij
volgevreten
Mount Fuji af
roerloos glijdend

de dikke naaktslak

in zijn verbeelding
kruipt Fuji
onder hem door

speciaal voor hem
is deze vulkaan
ooit geschapen

hoe kwam hij ooit boven
deze weke Boeddha?

glijden hooggeborenen
zo het nirvana in?

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’ , Futonpress 2016

Holte

de oude wijze haas toont
mij slechts zijn lege leger

een lege holte van gras
warmte nog voelbaar

ik voel mij gezien
aanwezige leemte
van warme nabijheid

Kami haas ziet al
met zijn oren

leg m’n hoofd in
deze holte van halmen

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’ ,Futonpress 2016

Voor Aap

Als iemand een lelijke kop had, een ‘echte’ boeventronie, dan zei mijn vader vaak:
‘Die heeft een echte monkiebrand!’.
Ome Piet had bijvoorbeeld zo’n kop.
Waarom?, dat kwam later als aap uit de mouw. Oom bleek een echte boef, had hoogstpersoonlijk in de nor gezeten. Oom Piet had er zichtbaar moeite mee om zijn trots te verbergen. Hij waste zijn vuile voorpoten nooit in onschuld. Piet stak ze triomfantelijk in de lucht, “the art of don’t giving a shit”.
Onlangs ontdekte ik dat ‘Monkey Brand’ een ouderwets zeepmerk is, met een apenkop als logo, om vuile handen schoon te wassen.

Toen ik nog geen vijf was deed mijn vader wel eens een gorilla na door zwartlederen handschoenen aan zijn voeten te doen. Hij werd het echt. Plots rook onze tuttige huiskamer opwindend naar wild dier.
Met zijn tong verwrong hij zijn mond tot een apentronie. Zijn armen slungelden naast zijn lijf terwijl hij wild op de bank sprong om zich te vlooien. Mijn moeder stond er besmuikt bij te lachen terwijl ze ontredderd aan haar jurk plukte. Jurkplukken als uiting van onzekerheid, ze zat verlegen met de situatie, dat ze bij nader inzien met een aap was getrouwd, een Alfa-mannetje.
Vader Aap had kolenschoppen van handen
waar hij miniatuurvogeltjes mee sneed.
Van een boomtakje kerfde hij het lijfje, de vleugeltjes van een luciferdoosdekseltje, van een oude bezemsteel het vogelhuisje.
Uniek natuurlijk, een aap die vogeltjes snijdt.
Mede door hem heb ik de mens altijd vanzelfsprekend als een dier gezien, een dier met kleding aan.
‘Mooi apenpakkie’ zei mijn vader als hij ergens een ‘hoge ome’ of een hoogwaardigheidsbekleder zag in vol ornaat.

Dat hij mij ook als een aap zag vond ik niet meer dan logisch. ‘Aap van een jongen’, daar bedoelde hij mij dan mee.
Na mijn vijfde jaar heb ik mijn vader nogal gemist, ik bedoel daarmee vooral…de aap in mijn vader, die was voorgoed verdwenen in de betonjungle waar wij kwamen te wonen.

Ik ken geen mensaap die zo onschuldig kan
kijken als een jonge Orang Oetang, hoewel Stan Laurel er wel heel dicht bij in de buurt komt, in de filmscène dat er in de gevangenis een foto van hem gemaakt moet worden.

Er zijn kinderen die terecht niet volwassen willen worden, tot op hoge leeftijd slagen sommigen daarin. Ik zelf heb nooit mens willen worden, ik blijf liever een naakte aap, aangekleed voor de buitenwacht.

De mens is een lachertje, natuurlijk gesproken, een tegennatuurlijke speling van de cultuur. Dieren lachen zich dood om ons.
We staan mooi voor aap.

Namaakoom

De leuke oom was een getapte jongen, ving ik ooit thuis op. Een nieuw taalraadsel dat mijn kindergeest enterde als een intrigant.
Wat was dit voor een man die bij navraag helemaal geen oom van mij was maar wel deed alsof. Wat was getapt? Had hij zich heimelijk tot oom gezopen aan de tap?
Hij tapte in elk geval moppen, die niet leuk waren. Hij ‘moest’ er zelf om lachen. Van wie dat moest weet ik niet, zijn lach klonk mij geweldadig en wreed in de oren. Dat begreep ik wel, want als je van iemand moest lachen dan kon dat nooit leuk klinken.
Hij was ook nog een jongen van de gestampte pot, die van wanten wist. Wist ik veel. Ik dacht dat hij met wanten aan in de hutspot stond te roeren. Nog steeds denk ik bij een ovenwant aan die namaakoom.
Een beetje ‘Loesje’ was hij ook nog. Loesje kende ik niet, ook niet een beetje.
Later werd hij persona non grata binnen de familie vanwege ‘geheul’. Ik dacht dan aan de oom als aan een vis zonder graten, zonder ruggengraat. Een soort weekdier, geen dier van de maand of de man van het jaar…de omstreden oom vluchtte naar Canada. Berichten ‘uit den vreemde’ bereikten ons: zijn benen zouden erg achteruit gaan…!
Mijn vader vermaakte zich over het leed van de oom, door de oom de rest van zijn leven achteruit te zien lopen.
Een oom in kreeftgang in den vreemde, dat kreeg je van geheul.

In mijn herinnering loopt hij daar nog steeds,
achteruit. Als kind zag ik op tv de film ‘Het Omen’ aangekondigd en dacht: nu kan ik de verklaring zien van wat al die omen zijn, hoe ze ontstaan en waar ze voor dienen. Het was een rare film, er kwam geen oom in voor.
Nu weet ik inmiddels, als zeven keer de achtjarige, dat taal zelf een intrigant is, intrigerend dat wel.
Taal doet alsof ze dingen kan ophelderen terwijl taal het mysterie alleen maar vergroot.
Taal is een namaakoom die voor z’n mallemoer uit zijn nek kletst.