Hemelsbreed


Er is een absolute afstand tussen A en B, die heet hemelsbreed.
(op zich al relatief want bestaat er één absoluut middelpunt van A of B?)
Objectief gemeten is hemelsbreed de enige juiste afstand.
Subjectieve ervaring kent ontelbaar meer afstanden tussen A en B.
De grap is dat al die subjectieve afstanden net zo juist of onjuist zijn als die éne objectief juiste. Het laat de pathologische gekte zien van de objectieve benadering om zichzelf als de enig juiste benadering te zien. Meten is weten dat je gek bent.

Van A naar B met de trein vraagt een totaal andere route.
Met de auto wordt de route en de afstand weer anders.
Op de fiets, te voet, kruipend, te paard, per kameel, op de rug van een draak, een duikboot, zwemmend, op de step, met de helikopter, vliegtuig, luchtballon…
Het levert even zovele routes en afstanden op. Reken daarbij de variabele reissnelheden en de pauzes…pech onderweg…vermenigvuldig dit met de belevingssnelheden en de belevingsafstanden, (het equivalent van de ‘gevoelskoude’) en er blijken evenzovele afstanden als mensen te zijn.

Ook degene die van A naar B vertrekt en daar nooit aankomt in B heeft voor hem of haar de juiste route te pakken. Zelfs degene die nooit vertrekt zit goed.
Het absolute is relatief in de objectieve gedaante van meten is weten en het relatieve is absoluut in haar veelvormige rijkdom van beleving.
Het hele begrip ‘juist’ verliest haar betekenis wanneer elke weg juist is.

Photo: Yves Klein

De hele barst

Is herinnering dat gene

wat vergat te vergaan?

Een beslagen raam

betekend door een kindervinger?

Weerstand laat indrukken na.

Een deur die vredig klemt…

de hele barst in dit vaasje.

Vergeten te bestaan zet de zon in het licht.

Geen spoor van wind door het uitgewuifde riet.

Geen natte voetafdruk op de warme steen.

Het vindende


Michael Sowa

Achter de feiten aan of er op vooruitlopen…
Sluip liever behoedzaam & anoniem
tussen het onvoldongene door

wacht af…nader het ontluikende,
wees getuige van de weeën
die vondelingen ter wereld brengen.

Elke vondst wijst naar het vindende
en wat men ook vindt, het wijst naar
dit ene wonder ondervindende

Men is gevonden zijn.

Foewieton


Er bestaan veel lelijke dingen die weer mooi zijn, mooi van lelijkheid.
Het omgekeerde komt ook voor, lelijk van mooiheid.
Op dat laatste heeft Foewieton octrooi aangevraagd.
Ik had ooit een gouden tante, volgehangen met goud. Ze had 1 gouden tand in haar kunstgebit laten zetten. Alles aan tante leek vals. Ze lachte haar valse tanden bloot om het leed van anderen. Alleen haar hart was nog niet van goud.
Met spelletjes speelde ze vals….schoof doodleuk twee damschijven tegelijk met een onschuldig gezicht. Tante jatte al wat los en vast zat, uit winkels, uit toiletten stal ze plastic bloemetjes, handdoekjes, zeepjes. Zinloze roofwaar.
Van glimmende dingen kon ik mij nog voorstellen dat er iets begeerlijks in zat, maar plastic bloemetjes? Haar huis stond vol met blinkende dingetjes.
Toen ze later een flat in Osdorp kreeg nam ze metéén een gouden plafond.
Plafondtegels van goudplastic.
Het leek wel een schatkamer….het graf van een farao daar in Osdorp 8 hoog. Tante hield van kunststof en kunstmatig.De zigeunerin met traan hing boven haar dressoir waar ze af en toe ook haar kunstgebit te ruste legde. Ze overleed niet als een Farao, maar in een kruiwagen op de camping…te dronken om nog naar haar caravan terug te lopen. Ze is nu in de zevende hemel van Louis Vuitton.

Ontologische untersuchungen

Michael Sowa

Je kunt god natuurlijk veel verwijten…bijvoorbeeld dat god niet bestaat of dat
god dood is gegaan (Nietzsche) of dat er nogal wat mankeert aan de schepping…
Maar dat neemt niet weg dat god met deze schepping een pièce de résistance heeft afgeleverd…dat inderdaad nogal wat weerstand oproept…al zou dankbaarheid meer passend zijn…
In ogenschouw genomen dat God autodidact is en dat dit dus zijn eerste schepping is, dan is dat toch zeker niet slecht gedaan…of beter gezegd uitzonderlijk goed zelfs…helemaal omdat het gerealiseerd is vanuit een staat van niet bestaan…scheppen vanuit niet-bestaan kan met recht een wonder boven wonder genoemd worden.

Dat de mens het beter denkt te kunnen lijkt mij een fundamentele denkfout. Het hele denken zou trouwens wel eens een denkfout kunnen zijn…
Tot nu hebben de menselijke ingrepen in de natuur slechts geleid tot vernietiging en misvorming van de oorspronkelijke natuur. Niet in de laatste plaats de misvorming van de menselijke natuur zelf. Het heeft zelfs geleid tot de ontkenning dat er zoiets bestaat als de oorspronkelijke menselijke natuur. De doodverklaring van god heeft geleid tot de doodverklaring van het goddelijke, het goddelijke in de natuur waar de mens één mee is. De rekenmeesters die de mensheid denken te leiden zullen nooit toegang hebben tot de directe ervaring van het goddelijke, domweg omdat ze verblind zijn door cijfers.

‘De almacht van het goddelijke bestaat eruit dat het goddelijke geen god nodig heeft om overal glorieus te bestaan’.
Florian Wildesheim, uit ‘Ontologica van het Sublieme’

Rendiergewei


In Lapland noemen ze de eerstgevallen sneeuw ‘witte schaduw’, tenminste dat dacht ik te begrijpen van de besneeuwde Lap, mijn Laps is niet al te best.
Mogelijk verstond ik hem niet goed?
De grap zit hem in het begrip ‘eerstgevallen’ sneeuw.
Het sneeuwt daar vrijwel permanent, witte schaduw dus in overvloed.
Lappen zijn poëtisch, het ‘licht’ dat de witte schaduw geeft noemen ze Kaamos, een mysterieus blauw paarsachtig licht dat het hele Laplandschap betovert.

Witte schaduw verschuilt zich niet zoals gewone schaduw achter het object, maar gaat er liever bovenop liggen. Waar donkere schaduw nogal schuw en verlegen gedrag vertoont daar laat witte schaduw zich vrijmoedig en openlijk bewonderen.
Je kunt niet anders dan de betovering van witte schaduw ondergaan.

Wij vonden de verdwaalde Lap zonder rendier in de sneeuwjacht.
Hij reed op een te kleine gele huurfiets in Amsterdam Noord.
Door de plotselinge sneeuw was hij gedesoriënteerd, de weg was niet meer te zien.
‘De weg is weg’, zei hij fonetisch voorlezend uit het te kleine taalgidsje. We hielpen hem weer op weg. Nu is hij ook weg. Opgelost in de sneeuw.

De volgende dag betwijfel ik of mijn witte droom wel een echte Lap bevatte.

Montuur

De wc-rolhouder klaagde graag…veel…vaak…en liefst hardop…zodat men kon meegenieten.
Hoewel hij feitelijk weinig reden tot klagen had, zijn leven liep immers op rolletjes. Toch was gezeur om niks zijn lust en leven.
’Mijn rol is uitgespeeld…voorgoed uitgespeeld’ ,declameerde hij dramatisch,
als een uitgerangeerde acteur zonder werk.
‘Ik ben zo leeg….ik heb mij leeggegeven…in iedere rol heb ik mij helemaal…leeg..gegeven…ook wanneer de rol mij totaal niet lag en de verkeerde kant opdraaide!’
De wc-borstel schaamde zich plaatsvervangend in het hoekje achter de pot voor het ergerlijke zelfbeklag. De toiletpot zelf keek meewarig omhoog door haar zwarte bril.
Het zware montuur gaf haar een streng uiterlijk.
Altijd had ze opgekeken naar die verheven functie van rolhouder.
Haar eigen nederige positie viel haar zwaar. Zij had veel meer redenen tot klagen.
Dat deed ze echter niet…ze murmelde het inwendig.
’Wat ik allemaal niet onder ogen heb moeten zien in mijn leven….en nog moet gaan zien…liefst zou ik mijn bril afdoen en nooit meer kijken!’
‘Het is toch werkelijk geen gezicht, al die…welk mens zou dat volhouden?’

De trekker schommelde een beetje heen en weer uit verveling en keek op het geneuzel van de twee neer. Wat kon hij anders dan wachten op die éne helpende hand die dat eeuwige gezanik weer voor even zou wegspoelen?
Onderwijl zong de stortbak een waterig liedje, zachtjes ruisend, soms begeleid door een druppelend ritme.
Hoog verheven, aan de plafondhemel hing het kale peertje gelukzalig te stralen
als een kleine godin.
Alleen de beste oren konden haar horen suizen, suizend licht.
Dat je geluk kon horen….suizende lichtsnelheid.

Butlers van de tempel


Het vreemde van ingewanden is dat je ze nooit ziet…als je geluk hebt.
Ze zijn ook nooit netjes aan je voorgesteld. Ik vind dat op zich nogal onbeleefd.
Het is immers wel het huishoudelijk personeel van je tempel.
Ze verzorgen het voedsel, verdelen de energie , regelen de centrale verwarming, ze maken schoon, ze scheiden het afval. Ze produceren gedachten, gevoelens, medicijnen, verhalen, belevingswerelden…wat al niet?
Ze worden geacht om zonder onze leiding samen te werken en ongeschoold hun arbeid te verrichten voor nog minder dan een hongerloontje, gratis en voor niets.

We zijn in wezen verwende hotelgasten met organen als onzichtbare butlers.
We worden zonder ook maar te moeten wenken bediend in onze bovenkamer, die kamer met uitzicht op alle werelden.
Het wonderlijkste product zijn wel de gedachten, bv. deze gedachten…waar dienen ze voor? Wat zijn ze, waar bestaan ze uit?
Het juiste antwoord zou luiden dat ik dat helemaal niet wil weten als dat het totale functioneren bevordert, want het lijkt er op dat hoe minder we aan die inwendige onderdanen denken hoe beter ze werken. Dus; laat ze feesten tot ze erbij neervallen.

Florian Wildesheim zei het al eens: ‘Natuur floreert bij zorgvuldige verwaarlozing’

Spoileur

Photo: Jules Macramé © 2017

‘Le Chien Poubelle’ heet de schitterende film van Philippe Milhaud.
De hoofdrol van Dieudonné Fauré vertolkt door Gèrard Dépardieu, schooiert als een losgebroken straathond op handen en voeten door het mondaine Parijs.
Het begint ermee dat Dieudonné onder aan zijn rug het begin van een staartje voelt groeien. Eerst schaamt hij zich ervoor en verbergt het. Maar de staart groeit en wil kennelijk vrijuit kwispelen. De mens ontworstelt zich en wordt hond, levend als een vorst van de resten die moderne afvalracemaatschappij achterlaat.
Menshond Dieudonné pist tegen de puien van luxueuze etalages. Hij draagt zelfs een gevonden Rolex, ruikt naar parfum door op de airco van Chanel te slapen.
Sociaal hulpverleenster, Flora Honegger (uiteraard Isabelle Huppert) stort zich op de arme ziel en probeert hem terug de beschaving in te lokken. Steeds weer weet Dieudonné aan haar goede bedoelingen te ontsnappen. Uiteindelijk weet hij de overgeciviliseerde Flora over te halen om met hem mee te leven op straat.
Prachtige scènes van schranspartijen samen met de andere zwerfhonden Auric en Satie wanneer ze uit de clico’s van driesterrenrestaurants eten.
Dieudonné wordt opgepakt en in een dierenasiel opgesloten.
Mensenrechtenadvocate Isabelle Tailleferre (Fanny Ardant) begint een proces tegen de staat om het recht van Dieudonné te bepleiten om zich als een dier te gedragen, desnoods als een beest. ‘De mens is immers is het dier bij uitstek’, zo bepleit Isabelle.
Het is een genot om Dépardieu zich zo wellustig te zien wentelen in het beestzijn.

De film blijkt gebaseerd op de geflopte Nederlandstalige roman ‘Afvalbakras’ van
Hurk van der Veeken, die linea recta in de ramsj verdween.
De vertaling door Patrick Poulenc was echter zo goed dat het als ‘Le Chien Poubelle’ een bestseller werd in Frankrijk. Nu dus verfilmd en genomineerd.

Bimbo

Ome Arie was niet echt mijn oom. Mijn vader fluisterde mij in dat Arie een zware jongen was. ‘Laat Arie maar schuiven’, werd er gegrapt.
Na vele ambachten en nog meer ongelukken was hij het verkeerde pad ingeslagen.
Hij ging voor gaas, zat jaren in de nor met goed gedrag. Toen hij vrijkwam kreeg hij weer een kans in diergaarde Blijdorp. Weer achter tralies.

In de naoorlogse binnensteden barstte het vroeger nog van de omes die van iedereen waren. Ome Nol met zijn handkar haalde lompen en oude metalen op, Ome Cor Vaanzwaaier liep met een emmer verse haring te leuren, wekenlang langs de deuren…de groenteboer…de eierboer…de kolenboer…allemaal heetten ze oom.

Ome Arie werd dierenoppasser, was befaamd als ‘de olifantman’. Het criminele milieu bleef echter aan hem trekken…tot zijn beide voeten werden verbrijzeld onder de achterpoten van zijn favoriete olifant Bimbo. Die schat was erop gaan staan.
Per ongeluk, maar toch.
Alle botjes gebroken en beide voeten voorgoed ontwricht. Arie moest opnieuw leren lopen met platvoeten waar schroeven in zaten. Altijd pijn in zijn voeten. Na het voorval was de olifantman overgeplaatst naar de tropische aquaria. Dagelijks dacht hij aan zijn favoriete olifant. Hij had Bimbo van baby af aan gevoed en verzorgd. Ze waren zo vertrouwd geraakt dat Arie het gevaar niet meer zag. Bimbo deed geen vlieg kwaad, hij was zelfs een beetje bang voor vliegen. Het gevaar verschool zich achteraf in het gewicht.
Bimbo had Arie zo gemist toen die in het ziekenhuis revalideerde, de olifant at niet meer. Pas toen Arie weer verscheen in een rolstoel was Bimbo weer gaan eten.
De grijze reus had getrompetterd.
Het afwikkelen van Arie’s voeten ging niet meer, het werd schuifelen.
Bimbo werd volwassen, begon te stieren en moest worden overgeplaatst naar Tiergarten Berlin. Ome Arie zocht hem nog jaarlijks op, schuifelend.
Feitelijk had Bimbo Arie weer op het juiste pad gebracht.
Zware jongens onder mekaar.

Het verschijnsel ‘Oom’ is een uitstervende diersoort, die bescherming verdient.