De uitsparing

Dit is niet niks!
in de vorm van een verdwenen pijp

Magritte was een schilderend filosoof,
hij verbeeldde paradoxen;

zwevende stenen,

een man met vogelkooi als torso,

schoenen van blote voeten met veters,

een vogel van lucht,

een wolkenwandeling
van twee bebolhoede heren in maatpak,

en dan die pijp die geen pijp is
en daardoor emblematisch is voor de pijp an sich

ik zou als eerbetoon aan Magritte alle pijpen
op deze wereld willen verzamelen
om daar een groot vreugdevuur van te stoken

de overgebleven as en houtskool spreiden we uit
waarin we een vorm uitsparen
welke vorm doet er niet toe
het gaat om het uitsparen

Hommel

Ik ben een zondagskind zo blij,
de volle maan zweeft vrij voorbij.
Een zilveren spiegel in de nacht,
een vliegtuig zeilt voorbij zo zacht.

M’n hangmat schommelt heen en weer
onder de bloesems van een peer
en hommels zingen mij hun lied,
de dagdroom is er wel en niet of toch
als een wonderschoon bedrog,
niet en wel in een prachtig samenspel.

Hier wil ik bestaan voortaan

Het zijn geniet volop van jou,
de hele lucht straalt hemelsblauw.
Een pluisje drijft hier op de wind
dat aan een verre reis begint.

M’n hoofd gonst als een hommel door
en volgt geheel haar eigen spoor.
Waar ik ook ga daar moet ik heen,
maar als ik kiezen mag meteen
naar hier waar ik rust vind en plezier,
de manier waarop ik het leven vier.

Hier zijn, liefst altijd zo vrij.

Ik maakte ommetjes rondom
tot ik echt niet meer verder kon.
De hommels brachten mij tot rust,
door liefde uit mijn slaap gekust.

Toen ik ontsnapte uit mijn kluis
kwam ik in deze boomgaard thuis.
De hommels gonzen zacht hun lied,
een dagdroom is er wel en niet
of toch als een wondermooi bedrog,
niet en wel in een prachtig samenspel.

Hier wil ik bestaan voortaan

(zeer vrij hertaald naar Gregory Page’s “The Bumblebees and Me”

Expositie ‘Het eerste zien’


Een bloem bloeit maar één keer en soms wel nooit.
Bloeien tot de dood erop volgt, dat is de oorspronkelijke natuur van de bloem.
Alles geven om niet, dat is de geest van de natuur.
Het is een wijdverbreid misverstand dat herhaling het wonder van de natuur zou verminderen.
Iedere ‘herhaling’ is een vergroting en bevestiging van het wonder.
Je kunt niet eens spreken van herhaling omdat iedere verschijningsvorm toch weer eenmalig en uniek is, net iets anders dan de vorige.
Pas door vergelijking van eeuwen kun je opmerken dat een soort zich sluipenderwijs heeft geëvolueerd naar een nieuwe variatie.
Er is een plant in Zuid-Afrika die alleen zaad geeft wanneer de plant verbrandt.
Het zaad sterft voor de plant, de bloem sterft voor de vrucht, de vrucht sterft voor het zaad, deze cyclus noemen we plant.
Een plant is dus geen statisch ding, maar een dynamisch proces.

Deze foto toont maar één wonderschoon plantje, in statische vorm.
Zo zijn er nog duizenden soorten, 298.000 plantsoorten.
Evolutie weet maar geen maat te houden en toch vindt ze steeds de balans waarin het geheel kan floreren.
Bloeien gaat in overvloed, zaaien gaat nog overvloediger.
De aarde barst van het zaad: zelfs in de woestijn slaapt het zaad haar droge droom tot regen het uit de droom helpt.
Het zet de Kalahari in bloei.

De fotografe wil niet genoemd worden, laat staan beroemd.
Ze vindt het al mooi als mensen de foto mooi vinden.
‘Ik wil verleiden om zelf naar de echte bloem te kijken,’ vertelt ze terloops.
‘Wat is de echte bloem dan?’
‘Het eerste zien is een bloem die steeds weer open kan gaan, elke keer is weer een eerste keer.’
‘Maar u moet er toch van leven, waar leeft u dan van?’
‘Van de kunst,’ verklaart ze.
‘Uit de kunst!’
We lachen om het vreemde gesprek.

De echte kunst is afwassen, onkruid wieden en soep koken.

Jakje


Wat is je lievelingskleur?
Allemaal, zei het kind.
Een wijs antwoord
waar niet over is nagedacht,
het kwam spontaan en lukraak.

Het antwoord is inclusief, integraal.
Alle kleuren zijn meer dan de som der delen.
Ze verlenen elkaar contrast en diepte,
kleuren spelen het spel van wederzijdse aanhankelijkheid.

Kleuren bepalen hun namen ten opzichte van elkaar.
Dat kleuren samen zouden vloeken
vond ik altijd een curieus oordeel.
Ze noemen elkaar door kleur te bekennen.

Het jakje dateert niet uit de Ming-dynastie maar uit 2014,
het bestaat uit 3049 steekjes en er zit er niet eentje los.
De kunstenares wil graag anoniem blijven.
Haar argument “dan willen ze straks allemaal zo’n jakje”
is uitermate steekhoudend.
Het werk is onbetaalbaar en niet te koop.

‘De traditie van het eenmalige’ schrijft voor
dat deze draagbare kunst wordt doorgegeven
van pasgeborene op de eerstvolgende pasgeborene,
en zo voorts.
Van ieder kindje wordt de naam van binnen
in de rug geborduurd.
Het is een ontroerende traditie, er schijnen jakjes
te rouleren met een paar honderd namen.

Stel je voor: een mensheid van pasgeborenen
die allemaal hetzelfde jakje hebben gedragen.
Zo’n mensheid zou gedragen worden.

Fabel van de zeehond


Onze hond is een zeehond, net uit zee aan land gekropen.
Het wonder van de evolutie heeft ons ingepalmd met zijn onverwoestbare lach.
Op het strand is hij in zijn element, het beste van twee werelden.
De zee en het vaste land.
Dat grensgebied herinnert hem aan zijn afkomst.
Zo te zien is hij er erg mee ingenomen.

Voldaan overziet hij zijn jachtgebied.
De prooi van zijn dromen is een teefje, kinderen geen bezwaar.
Onze hond heeft, in onze ogen, de volgende stap in de evolutie gezet.
Hij heeft lachspieren ontwikkeld.
Bij zijn nazaten zullen deze spieren aangeboren zijn als vast repertoire van de genen.

Kan een hond lachen?
In onze ogen wel, het werkt in ieder geval op onze lachspieren.
Waarom zou een hond lachen?
Wij zijn er empirisch van overtuigd dat hij om ons lacht.
Om hoe hij ons steeds van de sokken praat met zijn charmante lichaamstaal.
Hoe hij ons weet te bewegen om hem uit te laten en zijn ondoorgrondelijke geurwegen te volgen.
Hij lacht om hoe onbeholpen wij apporteren; steeds gooien wij de prooi weg, nooit zullen we het leren.
Als dat hondenhumor is, dan is het plezier geheel wederzijds.

Had Darwin hierom kunnen lachen?
Of dacht hij in alle ernst dat de evolutie van de mens ligt in het determineren?
Dan zou determinatie het eindstation zijn.
Dat is op zich een lachwekkend idee, omdat evolutie juist het ontsnappen aan definitieve definities is.

Elke soort schept zich voort.

Soep van nergens


Soep is ons lievelingseten: eten en drinken tegelijk.
Slurpen is toegestaan, slurpen is proeven met lucht,
het intensiveert het proeven.

Dikke soep die, nog net nat,
als kokende lava bubbels spat.
De oersoep van het vloeibare zijn.

Met wat droog brood erbij
heb je toch nog wat te kauwen,
want vertering begint met speekselvorming.

Soep dient op lichaamstemperatuur
te worden opgediend zodat je nauwelijks
nog verschil voelt tussen de soep en de rest van je lijf:
je wordt één met de soep.

Die sensatie wordt nog sterker als
de soep onuitgesproken van smaak is,
zeg maar zoals de smaak van je tong.

Ik hoor u al zeggen:
maar dat smaakt toch nergens naar!
Dat klopt inderdaad, maar nergens is wel de ultieme smaak,
het meest subtiele proeven.

Proeft u zelf maar eens.
U hebt uw mond vol met tong.
Nergens…
ongekend lekker.

Garderobe


schoeisel bestond ooit uit verworven eelt
kleding was voorheen een dichtbehaarde huid
onze maagdelijke zolen raken geen grond meer aan

beheersing van vuur bracht haaruitval teweeg
kleding werd surrogaat voor verdwenen vachten
bescherming tegen koude nachten, nat en leeg

nu kan de mens niet meer zonder modieus textiel
gehuld in (om aandacht schreeuwende) schutkleuren
verschuilt hij zich in het openbaar als eeuwig juveniel

De virtuele archipel


de geesteswereld schijnt een waterachtige spiegel
ze reflecteert moeiteloos hele wereldbeelden
hoe meer golving des te meer vervorming

bij constante beroering slaan de gedachtegolven om
in een kolkende maalstroom komt er schuim bovendrijven
opgeklopt gedachtegoed lijkt bijna vaste vorm aan te nemen

het zijn de schuimeilanden, de archipel van de virtuele wereld
soms lijkt de kaart zo verdacht levensecht op het gebied
maar bij het aan land gaan zak je door de bodem van waan

wacht je lang genoeg, dan spatten alle luchtbellen uiteen
en keert het schuim terug tot spiegelglad watervlak
dat kan een regenplasje zijn, een vijver, een stille oceaan

als spiegel voor de maan

Theologica van de kabouter


Kabouters bestaan niet.
Wat kan deze zin betekenen?

Dat kabouters nooit hebben bestaan.
Dat kabouters zijn uitgestorven.
Dat kabouters nog niet bestaan, maar wel zouden kunnen gaan bestaan.
Dat kabouters nog nooit ontdekt zijn; ze leven geheim.
Dat kabouters onbestaanbaar zijn voor altijd en overal.
Dat kabouters alleen denkbeeldig bestaan.

Al deze voorgaande mogelijkheden gaan uit van de valse aanname dat we zouden weten wat kabouters zijn.
Niemand weet wat een kabouter is, het is iets ongekends.
Hoe zou je een kabouter kunnen herkennen als je niet eens de juiste kenmerken weet om te determineren?
Hoe zou je kunnen zoeken naar iets als je niet weet wat je zoekt?
Er bestaan wonderlijk genoeg talloze speculaties over wat kabouters zouden kunnen zijn.
Hoe meer speculaties, hoe meer het ongekende vaste vorm lijkt aan te nemen.

Bovenstaande bespiegeling gaat over de kabouter als het ongekende.
Hetzelfde gaat natuurlijk op voor het woord god.

God zou het ultieme zijn, het meest sublieme.
Vandaar dat ieder mens god invult met zijn eigen ultieme ervaring, een goddelijke ervaring die al het voorgaande overstijgt, sublimeert.
Voor de een is het seks, voor de ander is het muziek, voor de derde is het niets, voor de vierde is het alles en voor de vijfde is god een combinatie van deze vier.
De inhoud doet er niet wezenlijk toe: het gaat om het ultieme, het sublieme van de directe ervaring.

God is dus feitelijk een ander woord voor: ik weet niet hoe ik het meest ultieme dat ik ken moet uitdrukken, ik heb er geen woorden voor.
Ik weet het niet en dat weet ik.

Hoe kan het dat er zoveel kabouterstoeltjes staan te bestaan als er geen kabouter te vinden is?
Waar rook is, is vuur, zou je zeggen.

Waar goddelijke ervaring is valt de vraag naar god totaal in het niet.