Treinsprekers

Gesprek opgevangen tijdens treinreis:

“De meesten mensen verbazen zich over het uitzonderlijke, het eenmalige…
Sommigen verwonderen zich over de stompzinnige mechanische herhaling, de macht der gewoonte….oorlogen, misverstanden, geschiedenis die zich herhaalt…
Een enkeling is verbijsterd door het verdwijnen van het achterhaalde…. oude technologie, dode talen.
Is het niet ontstellend dat er dingen zijn die nooit gebeuren, zaken die kennelijk geen zin hebben om te bestaan.
Ja, om te bestaan moet het bestaande er wel zin in hebben om te bestaan…
Niemand lijkt stil te staan bij het feit dat er überhaupt iets bestaat, terwijl niet-bestaan toch een stuk vanzelfsprekender zou zijn…”

Twee grijnzende mannen stapten uit op het Centraal Station, koffers met wieltjes volgden hen willoos over het perron.

Voor die dingen die nooit gebeuren zou ik een monument willen oprichten, een eerbetoon aan het mogelijke wat zich nooit zal manifesteren.
De rest van de avond dacht ik aan zo’n monument.
Toen ik de hond uitliet zag het pas, de koude sterrenhemel als aandenken.

Multiple Poetry 2

(gebruiksaanwijzing: proef langzaam en lukraak steeds één zinnetje per regel, Probeer ook eens de paardesprong en de loper)

A)
Wat klinkt klank mooi. Een verentooi. Een gouden kooi.
Jij bent de prooi.
B)
Staat in de krant. Interessant. Het klinkt navrant.
Een leeg bestand.
C)
Je geeft een fooi. Als ik ontdooi. Als ik zout strooi.
Strak in de plooi.
D)
Er is niemand. Heel elegant. Je leeft als plant.
Wie staat garant?
E)
Wat een vreemd oord. Ga zeg het voort. Dans op een koord. Onverantwoord.
F)
De praal en pracht. Raarheid in pacht. Ze aait je vacht.
Een eend die lacht.
G)
Doe soort bij soort. Is dit gestoord? Ga door de poort.
Het laatste woord.
H)
Op volle kracht. Zo onverwacht. Een lichte vracht.
Niets is zo zacht.

Multiple poetry


(gebruiksaanwijzing: lees vertikaal, diagonaal, van onder naar boven of lukraak, sprongsgewijs steeds één zin per regel)

A)
De weg was lang – De sfeer was wrang – Iets kwam op gang –
Wat moet is dwang
B)
De maan scheen bleek – Je kreeg een steek – Eens in de week – Geweten spreek
C)
Op het behang – Er klonk gezang – Niet van belang –
Het joeg op stang
D)
Je was van streek – Als je goed keek – Je bent een leek –
Je hart bezweek
E)
Het is voorbij – Slap als gelei – Je breekt een ei –
Zak in de klei
F)
Het is gedaan – Geheel spontaan – Als een varaan –
Lekt als een kraan
G)
De zon is blij – Je houdt van prei – Zoals ik zei –
Het is weer mei
H)
Loop naar de maan – Er is niets aan – Het is ontstaan –
De zin van waan

Kop in schotel (een zelfportret)

een bord voor de kop
je kop als een uitsparing
dat spaart materiaal uit
en maakt bestaan zo licht
zie zijn gave lege huid
zijn doorzichtige gezicht
voorheen had hij een paphoofd
van melk gekookte havermout
zijn denken was gemalen graan
voor de smaak, een snufje zout
eet je bordje leeg, luidde het bevel
het bestaan gehoorzaamde en at
die warme brei uit de hersenpan
je proeft hier letterlijk de gedachten
die zich verbeelden mens te zijn
en die het menszijn verbeelden
wat is lezen anders dan het proeven
van gedachten, die verteerd worden
in de maag van de verbeelding ?
Wat blijft er na elk heerlijk maal?

Een lege maag en een tong van herinnering,
de smaak van alles en niets.

Vertrouwde vervreemding

Ach, je zag ze overal tegenwoordig, tot vervelens toe.
Zo liet je je hond uit zonder acht te slaan op het zacht gonzende object dat boven de huizen zweefde.
Onbekende Vliegende Objecten, OVO’s werden ze hier in de lage landen genoemd.
Ufo’s kwamen voorheen vooral voor boven de warmere taalgebieden, nu hadden die buitenaardsen een nieuw oord ontdekt.

Er was door de overheidsinstanties uitgebreid onderzoek naar OVO’s gedaan, wat op zich al een erkenning leek voor hun vermeende bestaan, maar men kon er niet achterkomen wat Ovo’s feitelijk waren.
Het bleef in de lucht hangen.

Het onderzoek leidde nergens toe, metingen werden verstoord, apparatuur haperde, onderzoeksresultaten veranderden, foto’s, videobeelden werden onverklaarbaar gewist.
Echte of vermeende Ovobrokstukken van neergestorte objecten bleken zo vreemd van samenstelling dat men ze niet kon thuisbrengen, de geanalyseerde elementen kwamen niet eens voor in het periodiek systeem.
Het geldverslindende onderzoek stokte uiteindelijk in de machteloze verklaring dat het hier een verschijnsel betrof
dat hoogstwaarschijnlijk iets met licht van doen had. Lichtverschijnselen aan de hemel, zoals de zon.
Dachten we nu echt te weten wat de zon is?

Het was als een diagnose waar de bevolking maar mee moest leren leven.

Zo langzamerhand waren Ovo’s deel van het luchtruim geworden, ze vielen niet meer op dan een vogel, een cumuluswolk of een reclamevliegtuigje.
Je zag ze wel eens staan in een weiland langs de snelweg, met soms wat vage oplichtende gestaltes, die zag je vanuit je ooghoek rondscharrelen rond de blinkende schotel.
In het begin stopten de mensen nog wel eens langs de weg om te kijken, voor je ze goed in beeld had verdwenen ze met de lichtsnelheid richting het luchtledige.

Als daar weer zo’n ondefinieerbaar ding hing te gonzen, zag je het nu als een abstract kunstwerk, daarbij wist niet wat je zag.
Je wist dat je zag, misschien was dat de impliciete boodschap?
Zou het voor aliëns een vorm van tourisme zijn om onze aarde te bezoeken, exotisch vermaak?
Verveelden ze zich daar lichtelijk op die onleefbaar kale planeten, in die kosmische leegte?
Of waren de waarnemingen toch projecties van wanhopige geesten verlangend naar hulp en verlossing van hogere instantie?

Op een prachtige ochtend deed ik het gordijn open en ja hoor… Waar ik normaal een prachtig uitzicht had op de zonsopgang werd mijn uitzicht verpest door weer zo’n gigantisch fantasieloos ruimteschip nu eens in de vorm van een strijkijzer.

“Sodemieter nu onmiddellijk op met dat wanstaltige voertuig” schreeuwde ik uit het raam,
“ga je moeder pesten op mars!, rot op naar je eigen planeet, Alpha Centauri!”
Ik was buiten mij zelf en kneep mijzelf hard in de arm om wakker te worden.
Helaas, ik droomde niet.
De verblindende flits van het vertrek brandde nog na op mijn netvlies.
Het heeft kennelijk geholpen, ik heb ze nooit meer gezien.

Fabel van de zeetourist

Op een cruiseschip de wereld rond, als zeetourist.
Dat is ieders droom, als wij de markt mogen geloven.

Wie wil er nu niet ronddrijven in een miniatuurwereldje
van louter hoofdsteden, exotisme binnen handbereik.

Je waant je kosmopoliet op je drijvende eiland,
een ontdekkingsreiziger in een driesterrenhut.

Tourist zijn in je eigen leven als het hoogst haalbare.
bezoeker van pretpark aarde, wereldamusement.

We zitten al in hetzelfde bootje, zinken doen we samen.
Ruimteschip aarde vaart roekeloos tussen gesmolten ijsbergtoppen.

Bouwen we aan een ark om de ruimte te koloniseren?
Gaan we vastberaden op ons doel af, naar de maan?

Of is ons lot in te schepen op een ruimtecruiseschip,
eeuwig onderweg, zoekend naar een leefbare planeet?

Fabel van de krokodil

Fabel van de krokodil

Stel je voor dat de schepping zonder schepper is ontstaan,
dat maakt dit alles alleen nog wonderbaarlijker.
Getover zonder tovenaar.
Iets ontstaat uit niets en de tovenaar heeft zichzelf weggetoverd.

Niemand die hier tovert en onderwijl vindt er uitsluitend getover plaats.
Daarom lijkt het zo gewoon, gangbaar, normaal.
Maar toveren is de norm.

Vanwaar dan die herhaling, als alles vreemd en nieuw kan zijn?

Gewoonte, de macht der gewoonte maakt het leven mechanisch.
Herhaling zorgt voor, voorspelbaarheid, stabiliteit, het bekende.
Het geeft het idee van controle om onzekerheden uit te sluiten.

Voor de bovenkamer is het oude reptielenbrein te bedreigend, ze bedenkt begrippen en verklaringen voor de directe
gevoelservaring van onze interne krokodil, taalbezweringen.

Met deze toverspreuken denken we de krokodil onschadelijk te maken.
Onze krokodil huilt elke keer als hij niet gehoord wordt, echte tranen.

Fabel van de privacy

De beste manier van privacybescherming
is het online publiceren van geheime dagboeken.

Heb je geheimen te bewaren, openbare of private,
verstop ze als internetdomein daar zoekt niemand.

Beter kan anonimiteit niet gewaarborgd worden,
in die digitale hooiberg ben je onvindbaar veilig.

Machines zoeken, maar wie leest wat ze vinden?
Het oog van de naald zoekt een leuke speld.

En stel dat ze je speld ontdekken vergeet dan
niet dat het zogenaamd persoonlijke universeel is.

Alleen het zwijgen erover geeft het persoonlijke
een zweem van exclusiviteit, van bijzonder zijn.

Het universele is bijzonder want inclusief,
wat gewoon lijkt is een wonder van vernuft.

Overgroeiend gras

Overgroeiend gras

Het plafond in je bovenkamer moet nodig gewit, ooit of eens.
Je fietsbanden zijn poreus, de heg toont wildgroei.
Stof dient opgezogen, mond gespoeld, hond geaaid.
gras gemaaid, de dingen wachten lijdzaam op hun beurt.

Onderhoud is blijvend achter feiten aanlopen,
zoals je achter je hond aanloopt aan een lijntje.

Achterstallig onderhoud is een opgeruimd wezen met een stofjas. Onverbiddelijk wijst hij met zachte hand op elk verval
dat onmerkbaar traag de dingen teder sloopt.
De stofjas dicteert wat er gebeuren moet, het noodzakelijk kwaad.
Hij geeft je onbepaalde tijd van leven om herstel te plegen en stuurt het meest urgente op je pad, datgene waar je niet omheen kunt leven, voordat je zelf de geest gaat geven in het kader van totale renovatie.

Maar nu aan de slag!

Eerst het gras laten groeien, veel gras erover, tot grazige weiden ontstaan.
Je hond kan nu los, die laat zichzelf wel uit en de feiten kunnen vrijelijk grazen.

Fabel van de Instrumens

>

Wij zijn.
Wij zijn samen.
Wij zijn samen het orkest.
De dirigent hebben we weggestuurd.
De partituren hebben we weggegooid.
De componisten moesten nu maar eens naar ons luisteren.

Mensen zijn instrumenten, ze klinken spookachtig zo zonder bespeler.
Ze spreken instrumentaal als buikspreekpoppen zonder buikspreker en verzint bij alles achteraf een ‘kloppend’ verhaal, elk denken is nadenksel.
De instrumenten zijn meestal niet gestemd, dan klinken ze samen vals, als een kakafonie.
Muziek gaat over samenklank, zonder afstemming,
geen resonantie, geen harmonie.

Er is geen maatstaf voor toonhoogte, er zijn louter onderlinge verhoudingen.
Hoe creëer je verhoudingen?
Door te luisteren naar de samenklank en mee te resoneren.
In het begin zal het klinken als vals gejank, daarna zal de toonhoogte vanzelf verglijden naar sonore samenklank.

Leven is beven, meeleven is meebeven, luisteren is resoneren.
Afstemming ontstaat vanzelf vanuit het luisteren, het oor stuurt de klank richting resonantie.
Daarna maakt het niet meer uit welke intervallen gebruikt worden.
De instrumens wordt bespeeld door het luisteren.