Heiligh Boontje

‘En het vonde plaats in die huydighe tyden van weleer dat die voghelen geheimsels roofden ende doorvertelden aan het kruipend gedierte des velds, handlangers van grootmondbezitters wier nesten uitpuilden van de glimmedingen, openbaer doorzightich syn was tot tyranny verheven, gene vorst regheerde dees’
chaos, die hogere maght was duurzaem uitbesteed aan het verwaerloosde kind dat een waer schrickbewindt voerde, het danste en tierde uitzinnigh op het graf van de doodverklaerde godheyt, als ene schendingh van het afwezigh lyk.

Zou L.P.Boon dit geschreven kunnen hebben na de stichting van de vrijemarktheilstaat?

Nederchineesje

Mijn oude vriend, in Holland zou hij zonder pensioen gepensioneerd zijn, heeft asiel gevonden in China.
Als geniaal pianotechnicus is zijn kostje daar gekocht, er zijn namelijk zeker twintig miljoen Klavierchinezen.
Ik heb gevloekt toen hij naar Peking vertrok.
De vonk sprong over met Ying, dochter van een pianofabrikant, zijn schoonfamilie adopteerde hem met alle liefde.
Zeven jaar probeerden ze zwanger te worden, nu is het gelukt. Dankzij veel smeergeld werd het een voorspoedige keizersnede. Een nieuw soort Chineesje bij de 1,3 miljard chinezen.
Een verbeterde versie van hemzelf, de technicus is in alle staten of beter in ‘de verenigde staat’ die niet Chinees is maar universeel.
Zijn zoon is nu een brug tussen Holland en China.
Het wonderkind zal zijn moedertaal en vadertaal opzuigen als lauwe melk, vanzelfsprekend. Hij zal Lau-tse en Nescio naast elkaar kunnen lezen.
Met duizend euro per maand is de jonge oudere vader ‘een beter gesitueerde’.
Hij raadt mij af om vooral niets op te sturen.
Dat komt goed uit, ik heb niets in overvloed.
‘Het heeft geen enkele zin, alles verdwijnt of wordt gejat.’
Chinese postbodes worden kennelijk zwaar onderbetaald.

Mozaïsche roman

De criticus had eindelijk een interview met de korteverhalenschrijver en viel meteen met de deur in huis;
‘Waarom toch die korte verhaaltjes en geen roman, waar blijft het grote verhaal?’
De miniatuurschrijver zuchtte van opluchting, eindelijk kon hij het wijdverbreide misverstand ophelderen;
‘Luister, de wereld is niet een groot verhaal, de wereld is al één, maar niet als verhaal, maar in het echt, taal is niet echt, woorden verwijzen in het beste geval slechts naar wat echt is.’
‘Het bestaan is zo overweldigend dat het alleen mozaïsch te benaderen is, het is een mozaïek die niemand kan overzien omdat het geen beeld is, dit mozaïek is het direct geleefde’

‘Dus de roman verklaart u bij deze dood?’
‘Welnee, de roman is alleen nooit klaar omdat zij zo levend is, elk kort verhaaltje is een steentje in het hele mozaïek, hoe meer je er leest hoe meer lijnen je gaat ontdekken tussen al die gekleurde steentjes, met andere woorden: alle verhaaltjes samen vormen een roman, de mozaïsche roman’

‘Waar begint of eindigt die dan?’
‘Zij begint met één steentje en dan begint het te spiralen, verhalen zijn namelijk nooit rond, ze spiralen eindeloos voort’

‘Hoe kun je daar dan ooit kritiek op hebben als het nooit af komt?’
‘Ja, dat vraag ik mij ook af’

‘Maar als het is zoals u zegt dan mag je toch wel verwachten dat de losse steentjes een zelfde stijl hebben?’
‘Natuurlijk mag je dat verwachten…..kijk, ik zal niet zeggen dat het leven geen stijl heeft, het heeft talloze stijlen, maar gelukkig laat het bestaan zich niet beperken door verwachtingen’

‘Wat is uw stijl van schrijven dan?’
‘Stijl is het onvermogen van de schrijver om het beter te verwoorden, stijl is doen wat je niet laten kan’

‘Wat moet ik dan nog als criticus?’
‘Schrijf een beter verhaal dan dat wat je net hebt gelezen, scheppen is de beste kritiek!’

(Ps: Mozaïsch verwijst hier niet naar Mozes, maar uiteraard naar het principe van het mozaïek)

Hangvogels

Daar hingen ze weer lusteloos in de boom, de randgroepvogels. Altijd zag je ze zinloos rondhangen in dezelfde uitgewoonde boom, uit gewoonte, bij gebrek aan wat dan ook.
Wat moesten ze, na de verplchtingen anders dan een beetje kwetteren over ander vogels en terloops voorbijgangers onderschijten.
Te lui om te fluiten, laat staan om een eigen nest te bouwen. Koekoeksjongeren waren het, wezen door een koekoek uit het nest gewerkt. Een tijdje probeerde de gemeente de hangvogels te verjagen,
er kwam echter protest van de sjiekere stadsdelen.
De boom is nu tot gedoogboom verklaard.
Rondhangen is een cultureel erfgoed.

Kwast

In Oost-Buitenland kwam ik aan om weg te gaan.
Ik betrok een doorgangshuis met een verblijf en een vertrek. Omdat ik niet kon kiezen besloot ik de tussenmuur door te breken. Nu was er geen verschil meer tussen blijven en weggaan, ik bleef maar gaan.
Tot ik een grenswachter tegenkwam, die een emmer water droeg met een dikke kwast. ‘Hier trek ik de grenzen mee’ vertelde hij ongevraagd en zonder enig gewicht. ‘Wie bewaakt dan de grens?’ vroeg ik hem.
‘Zij die van grenzen houden, een grens is namelijk pure liefde, maar voor iedereen anders’ legde hij uit.
‘Dus u trekt voor ieder mens een grens, maar waar ligt uw eigen grens dan?’ Hij doopte zijn kwast in de halfvolle emmer en trok een lijn tussen ons in. ‘Er is een grens aan het weten’ zei hij zacht,’precies daar begint de liefde, daar waar je het niet meer weet’
Ik sloot even mijn ogen omdat ik het niet begreep.
De natte grenslijn lag er nog, de grenswachter was verdwenen.

Genealogica

Sommige mensen laten zich graag ergens op voorstaan.
Anderen geven er de voorkeur aan om zich ergens voor te schamen.
Weinigen zijn de persoonlijke verdienste en schaamte voorbij.
Wie zich graag met beide vormen bezig houdt kan zich het beste wijden aan de genealogie. De glorie van je voorvaderen straalt dan op jou persoonlijk af. De vrouwen mogen het lichaamswerk doen, de man draagt zijn naam over.
Eigenaren van vorige levens zijn opvallend vaak Jezus, Elvis of Napoleon geweest. Zo zijn genealogen verdacht vaak afstammeling van illustere voorgangers.
Dit komt vooral door de eclectische benadering, alleen het mooie en het goede is het waard om in geworteld te zijn, de zwarte kant wordt verduisterd.
Je hoort dan ook zelden of nimmer iemand opgetogen vertellen over een voorvader die bij NSB zat of rechercheur was bij de Spaanse inquisitie.
Eigenlijk vreemd, want het is niet iets om je voor te schamen, net zo min als het iets is om trots op te zijn dat je afstamt van Fred Flintstone. Wat kan een kind eraan doen?
Het kan hoogstens de erfenis weigeren. Mijn eigen stamboom voert terug tot het Pantoffeldier en in een vorig leven was ik ‘The Missing Link’

Meldpunt huiselijk geluk

Geluksvogels hebben het nestkastje betrokken.
Hun soort hoort eigenlijk naar Zuid Buitenland te vertrekken,
de opwarming bespaart ze een vlucht.
Het aanvlieggat is verkleind zodat de koekoek er niet in kan.
De vorige bewoner, een pechvogel, werd er door een koekoeksjong uitgepest.
De nieuwe vogels zijn geringd, alsof ze getrouwd zijn.
Vreemde vogelaars hadden een webcamera geplaatst maar het mannetje spoot zijn vogelkak tegen de lens, alsof het niemand wat aangaat wat zij daar uitvogelen?
Hoe ze heten weet ik niet.
Ik hou van vogels daarom geef ik ze geen namen.
Ze fluiten als knerpend grind.

Het gat als uitnodiging.
Je formaat bepaalt of je buitengesloten wordt of niet.
Restrictief deurbeleid.

Jacht

Gelukkig en Jammer zijn vrienden voor het leven, ze gaan samen door dik en dun.
Waar Jammer zich openlijk beklaagt over gemiste kansen moet Gelukkig er niet aan denken om dergelijke gelegenheden te benutten.
‘Nou’ zegt Jammer dan, ‘eigenlijk heb je misschien wel gelijk,’
‘Ach’ zegt Gelukkig, ‘er zitten natuurlijk ook mooie kanten aan, maar ze worden overwoekerd door ongewenste bijverschijnselen’
Het lijkt op een vegetarische jager die jaagt op een prachtig hert, steeds legt hij aan om te schieten, hij houdt het dier in het vizier, net zo lang tot het moment in stilte voorbijgaat Er komt een moment dat het hert naar je toekomt, dat je oog in oog staat. Je kunt het gewei nu aanraken maar het hoeft niet.
Dit werd voorheen ‘toeslaan door niet-handelen’ genoemd.

Praktijkverhalen

Het begon ermee dat X droomde dat hij niet in slaap kon komen. Hij was in zijn droom weer zes jaar en klaarwakker, telde schaapwolkjes in zijn droom, telde hardop, raakte de tel kwijt,
droomde dan dat hij nog steeds wakker was en begon weer opnieuw te tellen. Alsof gaan slapen een examen was waar hij iedere keer weer voor moest slagen.
De droom herhaalde zich tot hij op een bewuste nacht wakker werd en begreep dat hij het gedroomd had.
De droom had hem benauwd, hij was opgelucht wakker te zijn.
Het is voorspelbaar, maar zo is de werkelijkheid in dit geval nu eenmaal, dat valt helaas niet te betreuren. De meeste werkelijkheid is natuurlijk onvoorspelbaar.
X kon nu werkelijk niet meer in slaap komen, hij ging geen schaapwolkjes meer tellen, hij was immers geen zesjarige meer. Eerst probeerde hij Wodka, een oude fles van zijn vader met een Sovjet-etiket, werd dronken en ging vergeefs rondzwalken door de nacht.
Daarna nam hij het slaapmiddel van zijn overleden moeder, ver over de gebruiksdatum, het werkte niet. Het ene na het andere middel greep hij aan om de slaap aan zijn wil te onderwerpen, maar elke poging bevestigde alleen maar het feit dat hij klaarwakker bleef.
Zo kwam X in mijn praktijk terecht.
Nu zit hij tegenover mij, uitverteld.
Hij is ervan overtuigd dat er rond zijn zesde iets gebeurd moet zijn.
Ik vertel dat het lastig is zoiets te vinden, omdat het net zo goed iets kan zijn dat juist niet gebeurde, een afwezigheid. Hij knikt.
Ik vraag: ‘Wat heb je toen gemist, of wat mis je nu?’
Hij slikt, slaat zijn ogen neer en zegt zachtjes: ‘Dit’