Bodycheck

Je hond loopt zomaar onder een auto. Ook dat is gratis. Hij steekt onverwachts over.
Op het moment dat je het ziet gebeuren, piepende remmen, neem je al afscheid van het fantastische dier, jarenlang plezier. Stomverbaasd zie je hem lopen op drie poten, rechtervoorpoot opgetild. Op zoek naar een bovenbaas om zijn poot te maken. Dit spel speelden we vaker, als hij in het vuur het spel zijn poot verstuikte, de Baasgod maakte ter plekke de poot weer heel, met zijn goddelijk placebo-handen. Sindsdien is de hond gelovig.
Nu bloedt zijn poot. Ik til hem in de auto. Meteen naar de kliniek voor een botfoto.
Hij trilt en is in shock. In de kliniek blijkt de voorpoot heel, alleen schaafwonden en mogelijk een hersenschudding. Na de body-check staat hij weer op vier poten,
na te rillen. De volgende dag bij het uitlaten staat hij stokstijf en weet hij de weg naar huis niet meer te vinden, hij doolt rond. De herseninhoud van geurroutes ligt kennelijk overhoop, een labyrint van luchtjes. Als revalidatie laat ik handmatig zijn staart kwispelen om het brein weer aan te zwengelen.

Je hond is vanaf nu een held, straffeloos onvoorzichtig geweest. Het leven geeft een extra bonus weg, gratis en onbetaalbaar.

Trottoir

Wapens kunnen we helaas niets verwijten, het zijn levende wezens die daden doen,
zij trekken de kogels aan in plaats van kogelvrije vesten. Bij elk gelost schot sterft er weer een kogel. Welke rokende loop treurt om het verlies, welke lege huls?
Wie haalt de trekker over om niet over te gaan? Een goed nat alternatief is het waterpistool of de banaan. Munitie in overvloed voor het vullen van de watermagazijnen. Tranen blijven achterwege, een zakdoekje voldoet.Grijp de macht, schiet in de lach met een banaan in je hand. De gewapende vrede is een trottoir bezaaid met bananenschillen.

Omheindigheid

Woorden zijn paaltjes die dingen proberen te bepalen.
Twee paaltjes markeren een grenslijn, met het draad van een zin.

Met z’n vieren kunnen woorden al werken als  perk, voor strijd of bloemen.

Het hekwerk van taal perkt de dingen in tot begrippen.
Begrippen lijken houvast te geven, grip op de ‘tienduizend dingen’

Het ‘hanteren’ van begrippen geeft de illusie van beheersing.

Maar taal heeft geen lichaam, men grijpt dus in lege lucht.
Van hanteren kan dus geen sprake zijn, luchtverplaatsing.

Definities zijn op z’n best open omheiningen,
open voor wat ze buitensluiten, als een membraan.
Er zijn geen harde grenzen tussen de dingen,
het is één groot grijs overgangsgebied.

De mooiste woorden zijn omheiningen die niets buiten sluiten, ze includeren alles, bijvoorbeeld: natuur, eeuwigheid of oneindigheid. Het mooie is dat deze woorden zichzelf overbodig maken en zich opheffen. Er is immers niets te vinden dat niet natuur is of eruit voort komt.

Omheindigheid

Dag van de Waan

‘Heb je het nog gezien gisteravond?’ vroeg mijn collega bij de koffieautomaat. Dat nieuwe praatprogramma: ‘De Dag van de Waan’
‘Ach nee uitzending gemist, wat was er dan?’
‘Er was een man die iets schandalig vond en een andere vrouw die vond dat het wel moest kunnen’

‘Zo, een verhit debat dus, en toen?’
‘Er kwam een sportheld die eerste was geworden omdat hij op dat moment de beste was’
‘Daarna vertelde de verliezer waarom hij zijn dag niet had, omdat hij uit vorm was, maar de volgende keer zeker weer voor de volle winst zou gaan.

‘En toen, legaal gesjoemel met dopingfraude?’
‘Nee, verder was er een auteur die een boek ging schrijven dat nog verkocht moest worden, het was nog niet gelezen maar de filmrechten waren al verkocht.’
‘Daarna kwam de acteur die voor een rol zichzelf had gespeeld in een film, hijzelf vond de film beter dan het gelijknamige boek, tussendoor zong een zangerzingschrijver een liedje, gekofferd, dezelfde noten maar dan in een andere koffer. Tot slot was er nog een slachtoffer van een misdrijf en een advocaat die de dader verdedigde.’

‘Hoe was de praatgastheer?’
‘Nou, die praatte alles geweldig snel aan elkaar, precies zoals het op de autocue stond. ‘Was er dan geen diepteinterview?’
‘Ja, natuurlijk, dat ik dat bijna vergeet, de gastheer schitterde door vragen te stellen waar het antwoord al in verwerkt was, geniaal, de gast keek met open mond toe. ‘Wie was het ?’
‘Een doofstomme nog onbekende nederlander’
‘Vanavond kijken hoor, dan komen die Parijse mode-iconen college geven over hun nieuwste collectie haute-couture, gebaseerde op de lijkwade van Turijn’ ‘Met Christusprints zeker, ik ga kijken, lijkt me mooi’

‘Nog een koffie?’

Visgronden

Mijn oom Gunnar had het flegmatische voorkomen van een stokvis, graatmager. Zijn kop was gelooid door de wind van de Skandinavische visgronden. Je zag hem niet ademen, alsof hij kiewen achter zijn oren had. Stond alom bekend om zijn, na dagenlang zwijgen, droge opmerkingsgave,
Tante Geer uit Alblasserdam viel op de tanige Noor, maar kon uiteindelijk niet aarden
in het Noorse vissersplaatsje, dat vooral uit wachtende vrouwen bestond, ze trok terug naar haar geboortegrond.
Gunnar stond in aanzien omdat hij ‘die mooie Hollandse’ tante aan de haak had geslagen.

Op trektocht naar het hoge noorden vond oom zijn bestemming in de maag van een orka
die hem voor een zeehond aanzag. Gunnar Sigmundsson was de ijsschots opgestapt om ijsboringen te verrichten voor een bevriende klimaatonderzoeker in Narvik.
De orka zag hem vooroverliggend op de schots en duwde van onder af de schots scheef.
De bemanning van de vistrailer stond vastgeklampt aan de railing te staren hoe hun levende legende in de grijnzende vissenbek gleed.
Ze waren met meer, samenwerkende jagers, gooiden het lichaam nog een paar keer
boven het water uit, om het te vieren. De euforie van de dieren was beschamend aanstekelijk.
De vissers keken machteloos toe hoe een beschermde diersoort hun legende in visvoer veranderde.
We weten nog steeds niet of tante dit ooit ter ore is gekomen, niemand durfde het te vragen.

Klokhuis

Ik ken een man, kennen is teveel gezegd, het is zelfs geen kennis.
Eigenlijk ken hem van horen zeggen, van horen klagen. Zijn vrouw klaagt tegen mijn vrouw dat hij het huis volpropt met ‘troep’ die hij bij de vuilnisbak vindt. Hij ziet zichzelf als redder van dingen die vernietigd dreigen te worden, met een scherp oog voor hergebruik van materialen. Wellicht is zijn reddingsdwang geworteld in een crisistijd waarin niets meer te krijgen was en alles welkom, al was het maar voor de allesbrander.
Na grote ruzie met moeder de vrouw en ontruiming van het huis heeft hij zich gestort op het verzamelen van klokken van allerlei soorten, van pendule, staartklok tot horloges.
Om zijn verzamelwoede te legitimeren probeert hij de uurwerken aan de praat te krijgen.
Ze vertikken het om te lopen, soms lopen ze heel even, uit de pas. Met onderdelen van de ene klok probeert hij de andere aan de gang te krijgen. Hij bestelt onderdelen die net niet passen.
Het huis slibt weer dicht met onderdelen, nu legaal, het doel heiligt de middelen. Zolang hij zich op een doel richt heeft zij het minste last van hem.
Wij verdenken haar ervan dat ze gek wordt van het getik en de klokken stiekem stil zet.
Misschien is hij er helemaal niet op uit om uurwerken te laten lopen maar juist om de tijd stil te zetten…om de tijd te doden?
Al zijn klokken wijzen een andere tijd aan of hebben helemaal geen wijzers meer. Twee keer per etmaal staan ze precies gelijk met de huidige tijd.

Lentesnor

Er staat een wat morsige merrie in de zon.
Op haar rug loopt een kauwtje met een forse snor.
Hij plukt overtollig haar van de paarderug.
Ze geniet zichtbaar van de rondstappende kauwenpootjes.
De ‘snor’ is voor het nieuwe nest.
Jonge kauwtjes ruiken naar paard en weten waar warmte graast.

Rituelen zijn verbonden met baltsgedrag,
het verleidingsspel om tot eenheid te komen.
De kauw met de grootste snor heeft het warmste nest.
Natuurlijke selectie. De jongen van de kauw keren jaarlijks terug naar deze plek waar dit specifieke paardenhaar groeit. Een nieuwe soort ontstaat.

Wapenfeiten

‘Historische wapenfeiten’ zo luidt de ondertitel van het pas verschenen boek ‘Het is Geschiet’ van Tjerk Walstra, uitgeverij Prospect 2016. Een antropologische studie geschreven vanuit het kogelperspectief.
Van omgesmolten kerkklok tot kogelhuls, van Balthasar Gerards tot Gavrilo Prinzip. Het is de geschiedenis van de gewapende vrede en hoofdrol van de kogel daarin.
Sinds het projectiel ‘De Vliegende Vuist’ het luchtruim in bezit nam schreef de kogel geschiedenis. De middeleeuwse blijde en de steenslinger waren de eerste middelen om op afstand vuistslagen uit te delen. Walstra poneert hier de theorie dat de mens doelgericht is geraakt door wapengebruik, in tegenstelling tot de ongewapende mens die procesgericht is.
In het hoofdstuk ‘De mens als zeef’ komt de wapenwedloop in Amerika aan de orde.
De helft van de bevolking voelt zich veiliger met een wapen – de andere helft voelt zich bedreigd door het wapenbezit; oplossing en probleem in één.

Het tegendeel van de kogel is de ruimte. Mensen de ruimte geven werkt vrede in de hand. De meeste oorlogen gaan over ruimte innemen.

‘Het is lente boven onze loopgraaf,
de kogels fluiten ons verliefd om de oren.
Ze werken ons in hun nesten,
waar wij hun dode ei mogen uitbroeden.’ (citaat uit anoniem gedicht, 1917)

Marktziel

Door de bank genomen heet het piratenschip Panamakassa.
Een geheime schatkaart is aangespoeld in een lege whiskyfles.

De kaart toont op welk verlaten palmstrand de schatten begraven zijn.

Roven mag zolang ‘men’ er maar niet achter komt.
Zolang het dezelfde ‘men’ is die rooft is elke kust veilig.
De vrije markt is roven of beroofd worden, roofbouw.
De ziel van die markt is het bankgeheim, discretie haar alibi.

Nergens is de loyaliteit zo groot als onder rovers.

Datawar

Uit alle schermen druipt visuele lijm,
vastgeplakt zitten we achter digitaal behang.
Schermschijn belicht ons dwaalzuchtige zicht.

Wat is waar, in deze war van datawaan?

Digitale kennis chat hooguit met tweedehands kennis,
dat zijn kennissen van de vage kennis die ik mijn vriend noem.
Waar stroomt zijn echte bloed, onder welk digitaal vel?

Wat is hier in deze war van datawaan?

Waar klopt het levende hart van virtuele kennissen?
Negeren van het onclassificeerbare is de nieuwe tolerantie.
De spelregels manipuleren vormt hier het altijd winnende spel.

(Olaf Wildesheim, titelgedicht uit de bundel ‘Datawar’ 2015)