Gum

Je vader was een potlood, hij betekende van alles.
Hij schetste zijn wereldbeeld in perspectief, zijn eigen perspectief.
Moeder bepaalde haar kleuren binnen zijn lijntjes.
Zij sleep vader bij tot hij er een punthoofd van kreeg.
In haar neusgaten bevonden zich twee puntenslijpers,
één voor het potlood en ééntje voor het kleurpotlood.
Wat was jij dan? Een invuloefening? Een leeg vel tekenpapier?
Ze hadden jouw leven uitgetekend en ingekleurd.
Klaar om te worden ingelijst, leuk voor aan de muur.

Op een zekere dag heb je alle tekeningen verscheurd.
In de snippers zag je:
‘Er valt niets te betekenen,
gummen betekent ruimte,
god is een gum, god gumt alles open
wat door anderen wordt ingevuld.

Mank

ijswind snijdt als een mes
je warme winterbaard vriest kaal
zachte kin, als ‘n ongeborene

metrisch klopt er niets van
sentiment mijdt men in de Haiku.
‘meester van het manke vers!’

wil je stil gaan in blinde nacht
trap je op een inktzwart staartje
de kat springt krijsend uit haar vel

iets zo noemen zonder juiste kenmerken
ondergraaft de norm die vaste vorm geeft
vier de onvorm, onvast als warm water.

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’ , FutonPress 2014

Ozamaki

Het wintert hier kil.
Ik verlang niet veel meer
hooguit een warme bril

Osho Ozamaki

[Beknopte biografie van Osho Ozamaki (1959)
Ambtenaar bij Mount Fuji, doet al het
papierwerk aan de voet van de heilige berg.
Osho heeft de verheven taak om als papierprikker
de voet van de berg schoon te houden van allerhande
afval die de dagelijkse toeristenhorde daar achterlaat.
Ozamaki begon als monnik in een Zen-klooster. Toen zijn
Meester hem traditiegetrouw & plotsklaps sloeg had Osho
meteen teruggeslagen. Hij kon gaan…Mount Fuji wachtte
op hem, aldus de geslagen zenmeester.
Daar kreeg hij de eervolle baan aangeboden.
Onder het papierprikken begon Ozamaki haiku’s
te dichten die afwijken van het voorgeschreven
metrum van 5-7-5 lettergrepen…de rest is geschiedenis.]

Florale motieven

‘Meneer Wildesheim of mag ik Florian zeggen…u schrijft als aforist vaak over de mens…hoe definieert u de mens en …bent u een mens? …wilt u misschien iets drinken’

‘Ja water graag, en hoe u mij noemt is mij om het even…wat was de vraag ook al weer?’ , vroeg Florian Wildesheim monter als altijd.

‘Bent u een mens?’ ,herhaalde ik opgewonden en benieuwd naar zijn antwoord’

‘Ach, wat is een mens?’ , verzuchtte Wildesheim, ‘de mens is een mogelijkheid…
of laat ik het zo zeggen:
‘Je had ook kunnen vragen: bent u een bloem? ,maar wat is een bloem…?
,van vlees en bloed….met huid en haar…?

‘Wat wilt u daarmee zeggen?’

‘Heeft een bloem de mens Linnaeus ooit gedetermineerd als ‘Namennoemer’ , en gecategoriseerd als behorend tot de familie der loslippigen?’

‘Nee, niet dat ik weet…Linnaeus is toch die plantkundige…maar waar wilt u naartoe?’

‘Net als een echte plant wil ik nergens naartoe….ik zeg alleen maar, dat de bloem zonder naam leeft, zonder definitie van wat een bloem zou zijn…ze heet zelfs niet ‘Bloem’…begrijp je?’
‘Waarom zou een mens zichzelf dat wel wijsmaken, zichzelf definiëren, indelen in een afgebakende soort, evolutie is juist niet afgebakend zijn?’

‘Je zou volgens u dus net zo goed kunnen zeggen: ‘de mens is een bloem van vlees en bloed met huid en haar?’

‘Zou kunnen, maar je kunt ook niets zeggen…geen namen noemen…
niet definiëren, niet categoriseren…bloemen blijken zo heel goed te kunnen leven…
een bloem heeft geen identiteit, geen diploma, geen vergunning, geen verzekering!’

‘Suggereert u nu dat de mens evengoed als een bloem zou kunnen gaan leven?’

‘Misschien zelfs beter…de mens zou kunnen floreren. Weet u, het namennoemen staat ten onrechte in een hoog aanzien, maar een naam is geen feit en een feit is geen verklaring…en elke verklaring is hooguit een nieuwe poort naar het mysterie’

‘Goed, laten we even opnieuw beginnen: ‘Bent u dan een bloem?’

‘Dat zou je net zo goed kunnen zeggen of niet…maar hoe dan ook,
pluk mij maar niet, de zon is mij genoeg’

‘U zou anders mooi staan in een mooie vaas!’ ,merkte ik plagerig op.

‘Een lege mooie vaas is mooi genoeg, negeer mij liever…laat mij staan in het open veld van het voorwoordelijke’

‘Wat is dan het doel?’

‘Een bloem heeft geen doel, geen strategie, het is haar oorspronkelijke natuur om zich eenmalig leeg te geven’ , zei Wildesheim resumerend.

‘Kunt u dit interview samenvatten tot een kernachtig aforisme?’ , probeerde ik Wildesheim te verleiden.’

‘Daar begin ik niet aan’ ,zei Florian resoluut, ‘elk samenvatten is een misvatting!…krijg ik trouwens nog water?’

Pas achteraf realiseerde ik mij het verband tussen zijn voornaam en de uitkomst van ons florale gesprek.

Vaal

Tandeloze meester had lang en vergeefs geprobeerd na te denken over wat Wild Veulen hem laatst had voorgelegd…iets over ruimte…binnen…buiten…?

Als er nog haren op zijn hoofd waren geweest dan had hij er met zijn handen in gezeten…nu trommelde hij afwezig op een kale schedel.

‘Wat is er kaler dan geen schedel? ‘, mummelde hij onverwacht onverstaanbaar voor zich uit.

Wild Veulen had het niet goed verstaan…’Wat is er valer dan schemer…??’

‘Zei ik dat?’ , vroeg meester Tandeloos wiens gehoor niet meer zo best was.

‘Is de herinnering aan schemer valer dan de schemer? ,probeerde Wild Veulen.

Tandeloze meester keek verbaasd naar zijn vingertoppen.

‘Of is een vergeten herinnering nog valer?’

‘Ik heb bijna geen nagels meer..! , mompelde Tandeloze.

‘Heeft u dan jeuk, meester?’, vroeg Wild Veulen meelevend.

‘Welnee, ik heb zelfs geen jeuk meer!’ ,zei de oude, ‘wil je even op mijn rug krabben?.

‘Maar u hebt geen jeuk, zegt u!’

‘Weet ik, is dat echter een reden om nooit meer te krabben?’ ,Tandeloos glimlachte als een pasgeborene.

Wild Veulen krabte met liefde de oude rug en kon niet nalaten nog te vragen of vergeten herinneringen soms nog valer zijn…

Tandeloze meester kreunde genoeglijk onder de behandeling en verzuchtte:
‘Iets meer naar rechts graag, daar jeukt het ook al niet!’

Wild Veulen vergat zijn vale vraag…

‘…Soms’ ,verzuchtte de oude nog.

Worst zijn

De banaliteit van het kwaad is dat het zo ‘gewoontjes’ is, zo ‘gangbaar’, zo ‘normaal’.
Het meest tot de verbeelding sprekende archetype van dit soort kwaad is de worst.
‘De worst is het icoon van de meest gangbare wreedheid’. Alledaagse kost.
Om een levend wezen van vlees en bloed zo te vernederen door het in zijn eigen darmen te persen. De eigenheid en de unieke vorm van het dier wordt gedeformeerd tot eenheidsworst. De menselijke onverschilligheid daarover wordt treffend samengevat in de uitdrukking:
‘Het zal mij worst zijn’
Het komt neer op het verdingen van levende wezens, het degraderen tot ding.

‘Zolang er worsten zijn zal het menselijk geweld de aardkorst blijven teisteren’

‘Met een mens als dierenvriend heeft het dier geen vijanden meer nodig’

F. Wildesheim

Uitzicht

De bomen gingen tegenwoordig op vakantie naar de evenaar,
ze hadden geen zin meer in de herfst, dat geruk en getrek van de wind aan hun ledematen.
Ook vogels namen in grote getale het vliegtuig richting het verre zuiden en de vissen?
Die zwommen in optocht naar de Himalaya om de top te beklimmen. Ze hadden lang genoeg onder zeeniveau geleefd vond de maanvis.
Een oude plataan kreeg al gauw heimwee en verlangde naar bladval en winterstorm.
De vogels zaten op een kluitje vlakbij de zuidelijke luchthaven te wachten op vervoer. Wie nog zelf vliegen kon vluchtte naar stillere oorden, om het gezang verstaanbaar te maken.
De eerste vis die de top had bereikt verklaarde:
‘Laat mij eigenvinnig verdrinken in een oceaan of desnoods in een vijvertje, ik heb hier niets te vinden dan dorst, maar wat een uitzicht!’

Bergruimte

We leven in het dal, waar anders?

Het dal bergt veel ruimte,
feitelijk is het dal de voet van die enorme berg ruimte,
waarin ook planeten als bergen zweven.

Zelfs in atomen ligt het dal besloten.

Wat doen mensen in het dal anders dan piekeren over de top halen?
Mensen denken dat ze bergen zijn, maar ze zijn niets dan dal.

Niemandal.

Wat is mooier dan dal zijn,
bedding te zijn voor een beekje?

Niets?

Nergens is het dal afwezig.

Een wonderlijke bestaansgrond:

alom tegenwoordig dankzij afwezig zijn…

Gids

Rare jongens waren het, maar wel hele rare, volgens de DSM-gids dan. Bradley Graanoogst wilde beroemd worden, desnoods vanwege grote bekendheid. Ze bedoelden het niet slecht, welnee, juist niet, ze waren volgepropt met goede bedoelingen. Naar school gingen ze niet…nog niet…ze wachtten op een herplaatsing. Op het pleintje vonden ze elkaar om rond te hangen. Casey Boonstra had ADHD volgens de gids. Iedereen herkende zich wel in de zelfportretten die de gids schetste.
De jongens herkenden zich moeiteloos in de kenmerken van elke afwijking. Afwijkingen…dat waren ze, maar wel heel bijzondere. Ieder op zich hadden ze een unieke mélange van diverse aandoeningen. Alsof het om een mengsel koffiebonen ging, zorgvuldig gebrand en op de juiste maling. Zo had het leven deze jongens met een uitgelezen samenstelling van smaken toebedeeld. Leonardo Quack was gediagnosticeerd autist, met een vleugje ODD, een zombie, maar als hij geen medicatie slikte gewoon een bijzondere jongen.
Beestjes waren ze, en beestjes moesten nu eenmaal een naampje hebben. Een naam waar ze naar moesten leren luisteren, anders waren ze niet te handhaven binnen het bestel. PDD-NOS had zijn naam ingeruild. De jongens noemden hem Nossie. Hij vatte het op als een eretitel. Wat betekent NOS eigenlijk had Bratt gevraagd.
‘Not Otherwise Specified’ , had Ronaldo meteen geantwoord.
Wat dat dan verder te betekenen had wist niemand.

Alleen op het pleintje voelden ze zich vrij om te zijn.
De straat zou hun gids zijn.