Miruki vertaalt

Miruki van Geenen – Wildesheim is vertaalster bij Openbaar Geheim van de poëzie van Osho Ozamaki. De redactie van O.G. vroeg Miruki om haar vertalingen toe te lichten gezien de ongezouten kritiek daarop. Het metrum zou niet kloppen, teveel rijm, te magere inhoud…etc. Hieronder een korte telefonische samenvatting van Miruki’s verweer:

“Het is inderdaad flauwe kritiek van ongeïnformeerden. Het vreemde van Ozamaki is natuurlijk dat hij zijn werk onder geen beding poëzie wenst te noemen. Over wat het dan wel is hult hij zich steevast in stilzwijgen”
“Het werk is moeilijk te vertalen en vooral om precies in dat specifieke onregelmatige metrum te blijven”

“Helaas gaat de fonetische muziek van het Japans sowieso al verloren. Het karakter verandert totaal. In het vak noemen we Japans vertalen ook wel ‘karaktermoord’.
Het valt niet mee om een voor de hand liggend rijm te mijden in het Nederlands,
dat is dan ook vaak mislukt in mijn hertaling omdat het rijmende woord simpelweg het meest de betekenis aangaf. Ozamaki’s verzen rijmen dus nooit, ze zijn stuk voor stuk uniek en ongelijk in het aantal lettergrepen. Om elk vers net zo goed mank te laten lopen als in het Japans is dus nog helemaal zo gemakkelijk niet.”

“En wat die magere inhoud betreft: de lezer schenkt zelf zijn thee in de lege kop!’

“Laat ik Ozamaki zelf citeren: ‘Is het eigenlijk niet absurd dat de literaire bonsaimaffia de neiging heeft om elke unieke poëtische impressie in dezelfde mal van expressie te willen dwingen?’

“Hier ben ik het roerend mee eens, ik ben ervan overtuigd dat menige Haiku veel beter zou zijn met een lettergreepje meer of minder”
“Ik vind Ozamaki’s ‘traditie van het eenmalige’ daarom een verademing binnen het
heersende rigide idioom.
“ Om Ozamaki nogmaals te citeren: “Laat het vers manken zoals het leven mankt, vier de onvoltooide vorm volkomen………”
Na deze tirade zag ik eindelijk kans om een vraag te stellen:
“Nog één vraag: Is de afwezige interpunctie in de verzen een direct gevolg van het ontbreken van leestekens in het Japans?”

(hierna werd de verbinding abrupt verbroken, later verontschuldigde de vertaalster zich, de sushi werd op dat uitgelezen moment geserveerd!)

Met dank aan Miruki van Geenen – Wildesheim

Metrospectief


In komende nazomer van vorig jaar zou er in de buitentuin van cultuurtempel ‘de Nieuwe Ruïne’ een metrospectief worden georganiseerd van de niet-onwesterse filantropodoloog Wieland Bijvoet, die alom bekend staat om zijn vermaarde naam. Zeg Wieland Bijvoet en men denkt onmiddellijk aan zijn onwerkelijke oeuvre dat zich kenmerkt als non-artistiek anarchaotisme, deze afsplitsing van het irrelativisionisme hinkt op twee zoniet drie onverenigbare criteria, drie hinkt immers beter :
1) de perceptiekatalysator dient op geen enkele wijze op kunst te lijken noch op iets anders dat iets anders moet voorstellen dan het zelf materieel vertegenwoordigt.
Naam en vorm zijn dus voorbije stations binnen dit metrospectief.
2)deze neutrale ‘katalysator’ dient dusdanig echt te zijn in de zin van ondefinieerbaar, zodat de perceptieparticipant er ter plekke een gewaarzijnsjeuk aan overhoudt.
3)De participant mag niet weten dat hij/zij/het als participant wordt blootgesteld aan de katalysator. Dit om in het project een zo authentiek mogelijke belevingsperceptie te concipiëren.
Feitelijk wordt men dus publiekelijk om de buitentuin geleid zonder het besef daar ooit te zijn geweest.
Dit zou vorig jaar dus één groot feest zijn geweest ware het niet dat het beoogde publiek in grote getale nooit kwam opdagen aan de gouden poort van ‘de Nieuwe Ruïne’.
Bijvoet zelf zag dit niet als een fiasco, maar concludeerde dat zijn opzet in alle opzichten was geslaagd omdat het voorspelbare kunstmechanisme kennelijk met succes onklaar was gemaakt. Het was meer dan wat hij had durven dromen. In zijn ogen was het publiek genezen van haar culturele aandoening: Artificilia Musealis Pretentis.

De directie van de cultuurtempel moest een hovenier inschakelen om de schade aan de buitentuin te herstellen. Voorlopig geen carte blanche meer voor wie dan ook, aldus het persbericht.

Wijsje

‘Meester Tandeloos, er zijn mensen die beweren dat het mysterie niet bestaat, omdat niemand ooit het mysterie heeft gezien’.

‘Inderdaad Veulen, er zijn mensen die alleen erkennen wat zij zien, ze vinden het moeilijk om te erkennen dat ze veel meer niet-weten dan wel-weten’.

‘Hoe kan dat?’, vroeg Veulen.

‘Ze klampen zich vast aan objecten om grip te krijgen, ze willen geen mysterie zien , laat staan mysterie zijn’.

‘Waar is dat mysterie dan in ons, meester Tandeloos?’

‘Waar is het niet, Vaal Veulen? Niemand heeft ooit de ruimte gezien, zij is onzichtbaar, maar waar is zij niet?
‘Wij zien alleen ‘de tienduizend dingen’ die in deze ruimte verschijnen’
‘Waar begint zij en waar houdt zij op?’
‘Niemand weet het… en toch is ruimte onmiskenbaar’.

Vaal Veulen keek naar de ruimte tussen de dingen en wist niet goed waar hij naar keek.

‘Heeft iemand ooit de wind gezien?’ ging Tandeloos verder.
‘We zien alleen maar gevolgen van de wind, in de wolken, in de bomen, in het water’.

Vaal Veulen blies tegen de kaarsvlam op tafel die begon te flakkeren.

‘Heeft iemand ooit de stilte gezien of gehoord?’ vervolgde Tandeloos, ‘toch zwemt iedere klank in deze zee van stilte
,als een visje.’

Veulen luisterde ademloos…hij
wilde de visloze stilte eigenlijk niet verbreken, maar vroeg toch:
‘Hoe zou u het mysterie in ons dan omschrijven?’

‘Als ruimte gevuld met een windstille aanwezigheid…die schittert…hoe zou ik dat weten Veulen?, vroeg Tandeloos plechtig weifelend.

Vergeefs probeerde oude Tandeloos een wijsje te fluiten. Er was niets te horen, maar de oude raakte er helemaal van in vervoering.
Hij zag hoe Veulen in verwondering zijn lippen tuitte. ‘Fluit maar mee, jongen’, moedigde hij aan.

‘Maar ik ken het wijsje niet’, zei Vaal Veulen.

‘Maakt niet uit Veulen, je kunt het heel goed, elke toon is namelijk goed…dit wijsje bestaat uit alle tonen’, Tandeloos ging verder.

Vaal Veulen probeerde het, begreep er niets van en vond het ongehoord mooi.

W. G. Fudgehammer


Warren G. Fudgehammer, ‘The Hammer’, uitvinder van de nachtlamp was er vast van overtuigd dat hij goud in handen had. Zijn Fudge-lamp die op klaarlichte dag diepe duisternis wist te verspreiden zou de wereld gaan veroveren. De markt wilde wel, maar de man in de straat dacht daar anders over.
Het publiek is achterdochtig en behoudend. Men verwacht van een lamp gewoon dat ze licht geeft en geen schaduw, laat staan inktzwarte duisternis. Volgens Warren G. moest ‘de man in de straat’ alleen nog even wennen aan het idee dat een lamp ook diepe duisternis kon verspreiden.
De mens beoefende vele bezigheden die het daglicht niet kon verdragen…een simpele nachtlamp kon daarbij goed van pas komen, zo fantaseerde ‘the Hammer’.
Waar men ook was kon men, op klaarlichte dag dankzij de draagbare nachtlamp een dutje doen. Het zwarte licht gaf ook nog eens een behaaglijk soort warmte, zodat het voelde alsof je door een deken van warme duisternis werd omhuld.
Fudgehammer investeerde zijn vaders erfenis om de nachtlamp zelf in productie te nemen.
Maar hoe Fudgehammer de ongekende mogelijkheden van zijn lamp ook aanprees… De mensen wilden simpelweg licht, was er niet al duisternis genoeg?
Zijn beursgenoteerde onderneming ging failliet, einde verhaal?

Na tien jaar vergeefs leuren met zijn revolutionaire vinding, vond Warren G. een medestander in Fjodor Kolovski bij de faculteit voor biotechnology, die toevallig bezig was om planten zodanig genetisch te modificeren dat ze alleen nog op duisternis groeiden…planten die bladzwartkorrels genereren.
Het zou een revolutie gaan betekenen in de land en tuinbouw. Enorme investeringen werden er gedaan om deze nieuwe technologie uit te rollen.
Na jaren van pionierswerk verschenen de eerste pikzwarte groenten en fruit op de markt. Ze zagen eruit alsof ze verkoold waren.
Ondanks alle rationele argumenten en aantoonbare voordelen wilde ze niemand ze kopen.
Zelfs wanneer ze gratis werden weggegeven wilde de consument ze niet eens proeven. Wie at er nu zwarte bloemkool of een zwart appeltje?
Het hele project ging aan deze onwil ten onder.
Visionair Fudgehammer bleef berooid achter na het debacle, gedesillusioneerd dat men zijn zwarte licht niet zag zitten.
Het rotsvaste geloof in zichzelf had hem verblindt.

Kraak

Op klaarlichte dag
met je lege zaklantaarn
kijken of de zon schijnt

is dat niet kraak helder?

Osho Ozamaki
Uit:’Meester van het Manke Vers’ Futonpress 2016

(Noot van vertaler: kraak kan evt. ook als krakend worden vertaald ,om de actualiteit te benadrukken. Dit vers draagt Ozamaki op aan ‘de grote dwaas’ Ryõkan, die 1400 verzen naliet en schertsend ‘de lamp bij daglicht’ werd genoemd om zijn nutteloosheid.
In dit vers werpt Ozamaki hier een ander licht op.)

Boze bomen

Ze zijn familie van de palmbomen, hals over kop hun geboortegrond ontvlucht. Per boot zijn ze hier aan land gekomen, hopend op veilige en vruchtbare aarde.
Door ontbossing raakten ze ontworteld.
In een te nauw plastic vat dienen ze nu hun asielprocedure te doorstaan. Hun leven is voor onbepaalde tijd geparkeerd.
Tot die tijd mogen ze zich niet hechten, niet wortelen in ‘onze’ grond.
Sommige inheemse bomen, die hier ook maar zijn komen aanwaaien zeggen:
‘Exoten horen hier niet thuis, een palm hoort in de woestijn thuis, daar horen ze oases te vormen met hun soortgenoten’.

Inheemsen zien door de bossen de boom niet meer:

‘Ons bos is al te vol’,zegt de Beuk, ‘de kale vlaktes die het bos omringen zijn ons cultureel erfgoed, dat moet niet worden volgeplant…als overal bos is, is er geen onderscheid meer!’

‘Niet de bomen maken het bos’, roept de Populier, ‘maar het kale cultuurlandschap er omheen, versierd met zwarte linten van asfaltwegen’.

‘Generaties van voorouderlijke inspanning hebben deze gecultiveerde kaalslag bereikt’,
aldus de Zomereik.

‘Vroeger was hier alleen natuur, oerwoud’,klaagt de Plataan

‘Deze verworven kaalslag is wel onze identiteit, die laten we ons niet afnemen’
,jammert de Berk.

‘De kaalslag is verschrikkelijk, maar het is wel onze kaalslag!’, zeurt de Grove Den.

‘Jij moet niet zeuren, jij hoort hier zelf niet eens thuis, jij hoort onder de boomgrens te wonen!’, zegt de Wilg.

‘Maar dit is toch ver beneden de boomgrens?’, verzucht de Grove Den.

De kleine spar hoort het allemaal aan en weet niets te zeggen.

Hondje

Tojo wil echt geen wit hondje
ze loopt achter hem aan
op de heilige Mount Fuji

als gids wijst hij de weg
zij zoekt een baasje
luistert liefdevol naar
die vervloekende stem

vergeefs blaft hij haar af
met haar scheve kopje
maar Tojo heeft geen keus
het hondje likt zijn neus

ze loopt zo in de weg
dat hij haar achtervolgt
en vangt met een touw
om naar het asiel te…

nu loopt ze aan de riem
Tojo is getemd en wandelt
braaf achter zijn harige ziel
vier pootjes en staartje

Fuji lacht om de loop
van het toevallig lot dat
de gids zo teder treft
zijn hart kwispelt weer

Hound Fuji

Osho Ozamaki uit: ‘Meester van het Manke Vers’ Futonpress 2016

Bodyshop

Mijn lichaam begon een beetje te slobberen als een afgedragen maatpak. Er kwamen al kreukels en vouwen in, de haargrens ging wijken, wondjes genazen traag. Ik bezag mijn lijf als de uitgelubberde huidzak in de surround badkamerspiegel van het luxe hotel
Onderweg naar het vliegveld besloot ik, impulsief als ik ben, om terplekke een nieuw
lichaam aan te schaffen bij Mensmodemagazijnen. Opeens was het mij glashelder, zo kon ik toch niet in New York verschijnen en zeker niet op een congres over ‘personal branding’. Ik moest nu maar eens met mijn tijd mee gaan anno 2070.
Iets herinnerde mij dat er in de taxfree-area van de vluchthaven een filiaal was van de lichaamsketen, de onbemande taxi bracht mij.
Eerst moest ik mijn oude lijf laten taxeren op mogelijk hergebruik van organen, dat nam in de bodyscan slechts luttele seconden in beslag. Een discrete bodyshop-assistant liet mij de lichaamscollectie zien. De meesten waren al decent aangekleed.
Na lang dubben viel ik toch voor het donkergetinte lichaam, de glanzend satijnen gloed van de huid beviel mij. Of ik het meteen wilde aanpassen, vroeg de body-assistent.
‘Natuurlijk, over een uur vertrekt mijn Airtube-vlucht’ , zei ik, ‘dan kan ik er nog even in wennen!’
‘Ja, als u zich eerst even inleeft met een mega cappucinetto in de coffeecorner dan draagt het wel zo prettig’, raadde hij mij aan.
Hij vroeg mij plaats te nemen in de Transitionchamber…een soort hogedrukcapsule die mijn lichtlichaam in één flits zou overbeamen naar het nieuwe lijf.
Het was een flitsende ervaring waarvan ik nu nog de bruisende nawerking voel.
Vol statische energie arriveerde ik in het nieuwe lichaam…het voelde warm en soepel, alleen de mond sprak wel erg onwennig alsof het naar een bepaald accent stond.
De geschatte marktwaarde van het oude lichaam werd in mindering gebracht op de
aankoopsom. Verder werd ik nog attent gemaakt op de mogelijkheid van body-lease, waarbij het lichaam juridisch in bezit bleef van het bedrijf, eventueel onderhoud was dan bij de leaseprijs inbegrepen. Met onmiddellijke vervanging van het voertuig bij plotselinge calamiteiten waar ook ter wereld. Ik zag ervan af omdat men levenslang aan zo’n contract vastzit en zelfs langer dan dat.
Bij aankoop kreeg ik een ouderwets zeepje kado, om het lichaam een beetje gevoel van eigenheid te geven, maar lichtte de verkoper toe: ik moest mij wel eerst grondig in en uitleven voor ik de zeep zou gaan gebruiken. Bijkomend in de Airtube stuurde ik mijn vrouw een 3D-maquette van mijn nieuwe voorkomen, binnen tien minuten zou ik in New York zijn. Ik snoof bij aankomst stappend uit de airtube de Amerikaanse lucht diep in, alles rook nieuw met mijn verse neus. Het stonk zelfs een beetje naar nieuwigheid, zoals vroeger een nieuwe auto.