Boszicht

De vogel zat naamloos in de boom rijpe bessen te eten. Beneden op de bladbruine bosbodem zag ze tussen het loof door een dier rondscharrelen. Een dier zonder veren. Ze floot naar haar zwarte echtgenoot die zich bij de mierenhoop aan het ontluizen was. Het bodemdier zonder veren keek omhoog naar haar, maar verstond het bessenlied niet. Het dier zwaaide naar haar of joeg het een vlieg weg? Even later vloog haar zwarte geliefde aan op de tak, hij pikte even in haar mondhoek wat bessenpitjes weg en schuurde met zijn kop langs de hare. Wat rook hij heerlijk naar mierenzuur. Samen pikten ze de bessen van de takken. De tak boog steeds dieper door hoe meer ze aan het uiteinde kwamen. De bodembewoner leek heel klein vanuit de hoogte. De vogels keken naar hem terwijl hij een giftige paddestoel plukte. In een opwelling gaven ze beiden synchroon het alarmsignaal, een schril doordringend noodsein. Alle gevederden kenden dat als een universele wijze raad.
De bodemscharrelaar luisterde niet terwijl hij van zijn vondst at. De vogels staakten hun waarschuwing en aten verder van bessen die voor andere diersoorten zwaar vergif waren.
Misschien gold dat ook voor dit ongevederde gronddier, dat dit paddestoelengif voor zijn maag juist voedzaam was. Later toen ze wegvlogen zagen ze hem even verderop de heuvel languit liggen tussen de gevallen bladeren terwijl een schuchter everzwijn voorzichtig aan zijn voetjes rook.
Hoe kwam dit aan het licht? Het leek alsof het de bomen zelf waren die dit alles hadden gadegeslagen, stil observerend vanuit alle beschikbare knoesten? De bomen stonden niet op zichzelf, ondergronds verbonden verstonden ze elkaar. De bodem nam alles in zich op.

One thought on “Boszicht

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *