Baba Yaga

‘Moetje voorstel boerman: jij stap als eerlijke volgzaam staatsboerger jou haus aut en die hele weg ies weg, gewoon weg gestolen!’

‘Wat zegt u buurman?’

‘Ach, jij moet gewoon niet aan denken…die weg gestolen…ies te veel idioot!’, jammert mijn buurman Oleg Kopolev, de verbannen Rus.
De diefstal had s’nachts plaatsgevonden. Kopolev had in de vage verte wel enig gedreun en gedruis gehoord, maar had zich de avond ervoor een doelmatige verdoving toegediend met illegaal gestookte Wodka.

‘Zonder Vodka zal geen één staatsboerger meer roestig slapen, lauster Viektor… als men zou weet van die ongelooflijke absoerd gevaar die de Staatsbewind weet te organiseer…elk dag… jou zenoew zou doorbrand, jij moet verdoven, ja? anders jij hoor teveel, zie te veel .’, stamelt Oleg gelaten terwijl zijn hand zichzelf nog wat bijschenkt, water… want hij drinkt nooit meer, zegt hij te vaak.

Kopolev is nog dagelijks verbijsterd over Nederland…dat alles er de volgende ochtend nog gewoon is en dat er kennelijk dus nooit iets geboert.

‘Saai ies die hoogste haalbaar geloek’, grijnst de voormalige Rus grimmig…’alleen jij gaat langezaam dood van die verveling…in Roesland jij verveelt jou nooit…doodsangst verveelt nooit!’, Oleg laat een akelig lachje horen.

‘Vertel verder Oleg, waar was de weg gebleven?’, vraag ik hem…naar de bekende weg.

‘Daar was boem opeens… één vlakte paun, alles weg met boelldozer, de wegen waren weg…al die bomen, lantaarnpalen geplet, aan de kant geschoof …onze haus stond aan rand van een paunvlakte… Ik metéén aangifte gaan doen bij die oud partijboero van staat, maar ook die gebouw weggeveegd’,

‘… die boeldozermannetje sprak vreemd Siberisch dialect en doet alles gewoon in opdracht van ‘Ministerie van Hygiëne’….ze lieten mij een vaag stencilformulier zien als bewijs…er moest een vaulnisstortplaats gebouwd word om al die nooit verwerkt afval kwijt te raak, staatsafval..’
‘Gewoon kwestie van raumtelijk ordning’, zij hebben mij gezegd!’

‘En toen Oleg?’

‘Wij gevloecht… viel niet mee, we krijg geen uitreisvisoem. Toen Staat wist dat wij de Staat wilden verlaten zijn wij oud vaul behandeld en sabotage’

‘Hoe zijn jullie dan ontsnapt Oleg?’

‘Te voet…in de nacht de grens overgekropen, bewaker omgekocht!’, Kopolev neemt nog een slok uit zijn spaflesje.

‘Ongelaublich!…’, verzucht ik na Oleg’s relaas, ‘
het is toch niet echt waar’

‘Welnee, jij moet gewoon niet aan denken, nooit, zeg mijn Kaukasisch moedertje altijd, zij hield nog altijd van Stalin…van angst!’….

‘Ach, Viektor, ies gewoon één oeroud Roessies volkssprookje van Baba Yaga, die gekke heks in haar hoet met die vogelpoten, het kan echt niet waar zijn, zo bizar!’

Oleg tuurt over het groene Hollandse weiland en mompelt:
‘Had ik maar die hoet gehad van Baba Yaga…’

Steeds als ik Oleg tegenkom zie ik een hoed met vogelpoten, natuurlijk bedoelde hij gewoon hut, heel gewoon. En Baba Yaga, wie kent die niet?

Vijver

We zouden hem vandaag gaan bekijken bij de taxidermist, onze Koi, maar we gingen niet. We wisten niet dat je zoveel van een vis kon gaan houden. Koi, onze lievelingsvis.

In de tuin van ons nieuwe huis bleek een grote vijver te liggen. We hadden ons nooit een vijver gewenst, maar soms blijkt het ongewenste een groot geschenk. De vijver had ons steeds leeg en doods aangestaard. Tot mijn vrouw op een ochtend zei:
‘We nemen een vis, dat zal de vijver goed doen, anders ligt die daar maar te liggen!’
Ik had nooit iets met vissen gehad, maar ik gunde de vijver ook wel een pleziertje.
Dezelfde dag hebben we ons in een tuincentrum gewillig een karpertje laten aansmeren.
Ik vond het veel geld, vijfenzeventig euro voor een jong visje.
‘Geen geld voor een echte Koi!’, vond de verkoper, ‘Hij wordt vanzelf groter en nog meer waard!’.
Met het gecertificeerde visje, wat waterplanten en een emmertje krachtvoer gingen we huiswaarts.
Onze vijver was er zichtbaar blij mee, een levende ziel bracht haar stilstaande water in beroering. Binnen twee dagen hadden we een warme band met de kleine koudbloedige Koi.
Hij at zomaar uit onze hand en zoog op onze vingers. Koi ontroerde ons meteen met zijn indringend blije blik, en dat blinde vertrouwen, waar baseerde hij dat op?
Vlees aten al bijna niet meer, maar nu verdween spontaan ook vis van ons menu. Koi werd steeds groter en mooier, oranje gevlekt met zilveren schubben en hele mooie natte ogen. Vanuit huis hoorden we hem plonzen.
Koi herkende mijn gefluit, zwom direct naar de kant om mij te begroeten met zijn stille gapende mond. Hij vlijde zich tegen mijn handpalm aan om mij te voelen. Bij mijn vrouw legde hij zijn kop in haar hand, ze keek mij aan met vochtige ogen.
We raakten gehecht aan de tedere aanrakingen van Koi.
Als een dierbare vriend, zo voelde hij.
Karpers kunnen oud worden, onze Koi overleed twee dagen geleden. We waren ontredderd.

Het vreemde is alleen: hij is niet weg.
In de donkere vijver van de slaap komt Koi ons tegemoetzwemmen. Ons bestaan draait nu om de vijver van de nacht. We leven daar kennelijk onder water…of Koi zwemt door de lucht?
Ik probeer zijn mondbewegingen te liplezen
en ik meen hem werkelijk te verstaan. Mijn vrouw heeft dezelfde nachtelijke ervaring.
‘Wat zei hij tegen jou vannacht?’, vraagt ze meteen aan het ontbijt…’
Koi zei:” wij vissen zwemmen niet, vergis je niet, wij laten ons strelen door het ons omringende water…het leeft ons…zelfs van binnen kietelt het onze ingewanden, water is het bloed van moeder aarde…!’
‘Wat had hij jou vannacht en te vertellen?’
‘Koi zei, “Volg mij, kom in een volgende leven
toch als karper terug…Niets liever wil ik dan jullie deelgenoot maken van dit goddelijke watergeluk”. Opeens dreef hij vredig op z’n rug…als een juweel mooier dan ooit.
“Kom erin, kom erin, vertrouw mij blind!”,
dit is de boodschap van onze Koi die blijft resoneren als echo van zijn bestaan.
In de lege vijver zien we de sterrenhemel lichtjes rimpelen.
De taxidermist hebben we maar afgebeld met de mededeling dat het niet meer hoeft, dat Koi nog leeft…in ons.
Hij begreep er niets van, wie wel?

Namaakoom

De leuke oom was een getapte jongen, ving ik ooit thuis op. Een nieuw taalraadsel dat mijn kindergeest enterde als een intrigant.
Wat was dit voor een man die bij navraag helemaal geen oom van mij was maar wel deed alsof. Wat was getapt? Had hij zich heimelijk tot oom gezopen aan de tap?
Hij tapte in elk geval moppen, die niet leuk waren. Hij ‘moest’ er zelf om lachen. Van wie dat moest weet ik niet, zijn lach klonk mij geweldadig en wreed in de oren. Dat begreep ik wel, want als je van iemand moest lachen dan kon dat nooit leuk klinken.
Hij was ook nog een jongen van de gestampte pot, die van wanten wist. Wist ik veel. Ik dacht dat hij met wanten aan in de hutspot stond te roeren. Nog steeds denk ik bij een ovenwant aan die namaakoom.
Een beetje ‘Loesje’ was hij ook nog. Loesje kende ik niet, ook niet een beetje.
Later werd hij persona non grata binnen de familie vanwege ‘geheul’. Ik dacht dan aan de oom als aan een vis zonder graten, zonder ruggengraat. Een soort weekdier, geen dier van de maand of de man van het jaar…de omstreden oom vluchtte naar Canada. Berichten ‘uit den vreemde’ bereikten ons: zijn benen zouden erg achteruit gaan…!
Mijn vader vermaakte zich over het leed van de oom, door de oom de rest van zijn leven achteruit te zien lopen.
Een oom in kreeftgang in den vreemde, dat kreeg je van geheul.

In mijn herinnering loopt hij daar nog steeds,
achteruit. Als kind zag ik op tv de film ‘Het Omen’ aangekondigd en dacht: nu kan ik de verklaring zien van wat al die omen zijn, hoe ze ontstaan en waar ze voor dienen. Het was een rare film, er kwam geen oom in voor.
Nu weet ik inmiddels, als zeven keer de achtjarige, dat taal zelf een intrigant is, intrigerend dat wel.
Taal doet alsof ze dingen kan ophelderen terwijl taal het mysterie alleen maar vergroot.
Taal is een namaakoom die voor z’n mallemoer uit zijn nek kletst.

Luxe vuilnis


Één zomervakantie bracht je door in Valkenburg, in het jaar van de eerste maanlanding. ‘A giant step for mankind’ zo heette de onderneming, megalomaan.
Onze tent stond boven op de heuvel. De zomer scoorde een recordhitte.
Het stadje lag beneden in het dal. Een broeiend nest van krioelende toeristen.
De hitte verveelde mij…ik zocht een speeltje. Midden in het centrum was een etalage van een speelgoedwinkel. De felle kleuren van het speelgoed trok mijn aandacht.
Het was een surrealistische uitstalling in die etalage omdat bij nadere inspectie al het plastic speeltuig was gesmolten in de felle zon, vervormde autootjes, bootjes, vliegtuigjes, misvormde poppen. Al wat hard leek was vloeibaar geworden.
Deze onbedoelde expositie van vergankelijkheid had een beslissende invloed op mij.
Vanaf die ervaring kon ik geen luxe artikelen meer zien zonder het besef dat dit
onmisbare voorwerpen waren op die legendarische almaar groeiende vuilnisbelt.
Warenhuis de Bijenkorf was in mijn ogen niet meer dan een zeer goed geordende vuilnisstortplaats, weliswaar zorgvuldig geselecteerd, maar niettemin vuilnis.
Vooral plastic dingen wekten mijn afkeer en minachting. Goedkope vervuiling.
Mensen die hoog opgaven van de verdiensten van de petrochemische industrie omdat die zulke fijne plastic producten en welvaart had opgeleverd, die mensen hadden vast zelf plastic hersenen. Ik leefde dagelijks in de adembenemende stank van het Botlekgebied. Plastic is inmiddels ‘A giant threath for mankind’ gebleken.

In Valkenburg kocht ik dus geen speelgoed. Wel sneed ik op de heuvel een houten speer met een vlijmscherpe punt versierd met uitsnijdingen in de bast met potlood ingekleurd. Bij wijze van initiatierite gooide ik deze meteen raak…midden in mijn scheenbeen waarin hij bleef staan. Ik huilde niet, daar was ik indiaan genoeg voor.
Ik had wel voor hetere vuren gestaan. Ook deze ervaring openbaarde mij inzicht:
De jager is zijn eigen prooi. Wie dat inziet kan meteen korte metten maken met het zogenaamde moderne jachtige leven.
De maanlanding zelf maakte mij ook iets duidelijk. Uit de beelden van het ruimtestation bleek onze dierbare maan een ijskoude pokdalige zwevende steen te zijn.
Hoe prachtig was dan onze aarde niet, bezaaid met talloze levensvormen?
Welke idioot ging zijn heil zoeken op die dode kale maan? Dat was net zoiets als met je duikersuitrusting naar de Sahara vertrekken…

Onbedoelde initiaties zijn altijd de beste, eenmalige ervaringen die een blijvend inzicht schenken. Daar kan geen onderwijsprogramma tegenop.
Dagdromend op de hete Limburgse heuvel landde ik op de zon.
Ik stapte uit mijn raket in een plas van metaal en werd warm ontvangen
in het eeuwige licht van de kernfusie.

Pap

Mijn oom, die niet mijn oom was, hield van natte humor, zo kleverig nat als pap.
Hij moest er zelf moddervet om lachen. Vooral als het schuin was stond het schuim in zijn mondhoeken. En schuin was het altijd. Je moest er als kind soms jarenlang over puzzelen om de woordspeling te doorgronden. Dan had je jaren later alsnog een vieze nasmaak in je mond. Volwassenen hadden sowieso de gewoonte om zinsnedes te gebruiken die je niet kon thuisbrengen. Je kreeg die geheime codes ongevraagd in je maag gesplitst, verder mocht je het zelf uitzoeken. Mijn tante die wel mijn tante was
hield er wel van, van mijn omes die niet allemaal mijn omes waren. Tante was niet kieskeurig. Ik ken niet een van mijn Omes die niet voor de bijl van tante is gegaan, behalve mijn vader dan. Achter tantes rug werd er gemonkeld dat ze er wel pap van lustte. Mijn vader heette pap en at ook vaak en veel pap, hete pap. Lang vroeg ik mij af wat het verband was. Toch had pap niks met haar. Mijn pap mocht tante niet zo, hij lustte haar wel rauw. Wat ik weer vreemd vond want hij had een zwakke maag en alles moest voor hem goed doodgekookt zijn, voorverteerd. Ik was geen papkind, ik gruwde van het vel en van die volwassen monden die ondanks dat vel wel pap lustten van pap. Binnen onze familie was tante een soort hete pap waar alle omes van de wereld omheen draaiden. Buiten onze familie wemelde het waarschijnlijk van de bedrogen tantes.

Vaccinatie

Mijn vader, ook wel Pipa genoemd las nooit geen één boek.
Alleen ‘Het Vrije Volk’ van Herman Wigbolt, een arbeidersroman in feuilletonvorm.
Dat was uiteraard geen boek, maar een krant voor het vrije volk.
Ik moet eigenlijk zeggen ‘Het Fraaie Volk’.
Als het over leuteratuur ging dan kwam onze Pipa uit de hoek:

‘Da’s zeker van William Spreekspier!’

Rotjedammers zijn tuurlijk niet echt boekewurmen, das al gemeen bekend toch?
Die gasten doen het leven liever meteen, zonder gebruiksaanwijzing, nietdan?
Toen ik filosofie begon te lezen ondertitelde de Pipa mijn pogingen met:
‘Je moet niet Søren Kierkegaard!’

Las ik ‘Dorian Gray’ dan was het:
‘Oscar Wilde wel maar hij kon niet!’

Madame Bovary….
‘Doet niet zo Flau Bert!

Wat moest ik zeggen….Ik zeg maar zo, ik zeg maar Nietsje?

‘Zeg heb jij dat boek van die Gore Vidal ergens gezien?’

Mijn diepgewortelde vaccinatie voor leuteratuur komt dus niet zomaar uit de koude grond. De Pipa heeft dat woekergewas vakkundig in onze bestaansgrond gezaaid, daar worden nog dagelijks de vruchten van geplukt.
Waarom werd hij trouwens de Pipa genoemd?
Zou het voortkomen uit de legendarische onwil van Rotterdammers om de dingen gewoon bij hun officiële naam te noemen. Zou het verzet zijn tegen de gevestigde orde
waarmee het Fraaie Volk zich de dingen toe-eigent, eigen maakt?
Straattaal is het taalwapen van het fraaie volk, daarmee roven ze ‘namelijk’ alles terug wat hen is ontnomen.

Weesouders

Het fenomeen ‘weesouders’ heeft tot nu toe een verborgen bestaan geleid.
Die stilte mag nu wel eens worden doorbroken.
Ik heb in mijn jeugd in totaal vier paar weesouders geadopteerd.
Ze gingen zonder uitzondering verweesd door het leven, daarom besloot ik ze te adopteren. ‘Wat moet er van ze terecht komen zonder kind?’ ,zo dacht ik als vijfjarige.
Natuurlijk adopteerde ik ze niet allemaal tegelijkertijd. Ik heb nooit van grote meervoudige oudergezinnen gehouden. Om de beurt ontfermde ik mij dus over hen.
Het viel niet mee om ze te leren hoe ze mij moesten opvoeden. Wist ik veel?
Ik had nog nooit ouders gehad.
De eerste twee waren zo bang om te falen dat ze spontaan alles fout deden.
In hun nabijheid voelde ik mij uiterst capabel, in hun warme bad van fouten voelde ik mij geslaagd. Het werd echter zo erg dat ze handelingsonbekwaam raakten.
Het tweede paar was van de anti-autoritaire school, dus ik wilde ze graag een kans gunnen om mij vrij te laten. Verregaande verwaarlozing was hiervan het gevolg.
Ze werden teruggenomen door de Ouderbescherming.
Het derde stel, juist heel directief, vond ik aandoenlijk, ze hanteerden een heel strikt leefregelstelsel, volgens hun religie moesten die regels mij op het rechte pad houden, rechtstreeks de hemel in. Welke religie het was heb ik nooit kunnen achterhalen. Wel trof het mij hoe lelijk hun kerkgebouw was, wat ik als een veeg teken beschouwde.
Het vierde en laatste paar koesterden hun onvervulde ambities en zochten een zoon om die ambities waar te maken.
Ik reisde met hen van de ene naar de andere auditie. Daar probeerde ik zo goed mogelijk teleur te stellen, zodat ze van hun ambities af zouden zien, maar hun prestatiedrang was onstuitbaar. Ze incasseerden nederlaag op nederlaag. Het leek of hun ambitie steeds feller begon te branden. Steeds weer schreven ze mij voor iets anders in. Overtuigd als ze waren dat ik toch ergens een wonderkind in moest zijn.
Ik heb tap voor ze gedanst, gevoetbald, geballèt, geschaakt, getennist, geatletiekt, vals gezongen…en gedaan alsof ik acteerde…
Dat laatste ging mij helaas erg goed af, onbedoeld werd ik steeds uitgekozen voor een reclame of jeugdfilm.
Ze pronkten met mijn hoofd als het op tv of in de bioscoop te zien was in een film of commercial. Uiteindelijk werden ze uit de ouderlijke macht ontzet wegens kinderarbeid, een beetje onzinnig want op dat moment was ik reeds eenentwintig jaar.
Goddank word ik niet meer herkend op straat.
Het is dat ik als officiëel volwassene geen nieuwe pleegouders meer mocht adopteren
van de Ouderbescherming anders had ik er graag nog enkelen uit de brand geholpen.

Sigaar

Het sigarenwinkelmeisje achter de toonbank had een matige snor, vlassig als die van een puberjongen. Haar moeder droeg een iets voller exemplaar op haar bovenlip. Ze raadde haar dochter hardop aan zich niet te scheren, het zou de haargroei maar stimuleren. Het meisje had felrood gestifte lippen en priemende pupillen. Op de vraag van haar moeder of ze wat minder doordringend kon kijken omdat het klanten zou kunnen afschrikken, reageerde ze met een nog fellere blik.
Ze keek mij zo veelbetekenend aan dat ik op slag verliefd werd…op haar snor!
Ik wist het meteen: ‘Ik ben de sigaar’. Mijn neus begon te gloeien.

Om kort te gaan, ik was daar dus om sigaren te kopen…voor mijn moeder, die louter wilde Havana’s rookte, tegen de astma zei ze zelf…’Rook ontsmet de luchtwegen’.
Mijn moeder droeg altijd bergschoenen, hoewel ze het huis bijna nooit verliet.
Het arme mens had zeer moeilijke voeten, zere voeten…ze had het überhaupt moeilijk…wellicht deed ze daarom ook altijd moeilijk…maar ik dwaal af, die neiging heb ik trouwens van mijn moeder zegt mijn vader.
Mijn vader daarentegen deed nooit moeilijk. Hij was een ruimdenkend man en droeg op zolder liefst een galajurk met roze kniekousen daaronder als hij peinzend aan Alaska mentholsigaretjes zoog onder het lezen van ‘madame Bovary’.
Ik wist niet beter dan dat alle vaders dat het liefst deden…waar was ik gebleven?
O ja, ondertussen probeerde ik een woord tegen het meisje uit te brengen…. er kwam niets uit…ik zag alleen nog maar haar snor. Het schijnt dat ik flauwgevallen ben voor de toonbank in de sigarenwinkel. Aan de bergschoenen naast mij op de grond herkende ik mijn moeder. Ik hield mij natuurlijk dood, van schaamte. Op een brancard werd ik de zaak uitgedragen.
Pas jaren later dorst ik voor het eerst weer langs de sigarenzaak te lopen.
Door de etalage zag ik uit mijn ooghoek dat het meisje haar snor toch had geschoren, de betovering was subiet verbroken. Het was dus echt die snor geweest waarvoor ik in zwijm was gevallen.
Zo ontwikkelde ik mijn praktijktheorie van de partiële liefde (wat is een theorie zonder een levende praktijk?) ,tot ik ontdekte dat daar meer aan vast zit, namelijk alles.
Nog steeds kan ik verliefd worden op fragmenten, losse onderdelen en schijnbaar onbetekenende details van wat dan ook, maar daarover later…of nooit.

Kano


Van jongs af aan wilde je indiaan zijn, een nobele wilde in het Botlek-industriegebied.
Rijdend over het wilde braaklandje op een appelpaardje zonder zadel…(goed; het werd een houten hobbelpaard) Op het wilde landje stookte je indianenvuurtjes om rooksignalen te geven aan de volwassen beton&asfaltwereld. Die rookboodschap kwam er bondig op neer dat ze gratis de pest konden krijgen en dat je je nooit zou overgeven. Punt uit. Op het landje beoefende je de tactiek van de verschroeide aarde. Soms brandde het rietlandje helemaal af. Dan stond je achter een struik te gluren naar de brandweer en politie, handlangers van de macht, vissend achter het net.
Onlangs ging je roeien. De nieuwste kano zag er wel wat vreemd uit op het droge, anders dan die lekke opblaaskano van vroeger, maar echte indianen houden hun tradities in leven, desnoods met de modernste middelen.
Nu roei je dus droog op een roeiapparaat. Met je ogen dicht waan je je op open water, een denkbeeldig meer van twee kilometer roei je over. Je voelt de weerstand van het water tegen de spanen. Aan de overkant aangekomen ben je nat, van het zweet.
Je stapt uit op de oever naast de roeimachine en kijkt in de vage verte…de overkant.
Daar ligt het wilde landje van je jeugd. Die indiaan daar heeft zich nooit overgegeven, hij zaait onkruid dat zich door asfalt een weg baant, hij plant betonrot in de volwassen
kantoorbunkers, waar de cijfercowboys wonen.
Volgens de oude Grieken ligt de toekomst achter ons verborgen, voor ons ligt het verleden dat je kunt overzien. Roeien is daar een mooie metafoor voor, je vaart ruggelings de toekomst in. Alleen dit vaartuig blijft roerloos op z’n plaats. Je zit in een dynamische vicieuze beweging, tegelijkertijd zit je stil in een langgerekt heden.
Er vaart eeuwig heden.

In gesprek met F.Wildesheim

-Waar, meneer Wildesheim komt uw voorkeur voor het ongebeurde vandaan, voor ongeboren personages?

Waarom zou je beschrijven wat zogenaamd ‘echt’ gebeurd is…het is nog nooit iemand gelukt!

-Omdat je zou willen getuigen van wat echt is, wat echt gebeurd is?

Daar ben je toch vanzelf al moeiteloos getuige van? Waarom zou je dat aan anderen willen overbrengen? Bovendien is de directe ervaring niet overdraagbaar en al helemaal niet middels taal.
Ik beschrijf dus liever dingen die nog niet bestaan…of over wat net niet gebeurd is…
Het schrijven zelf is wellicht een recept om het alsnog te laten gebeuren?

-Schrijven als toverspreuk? Hoe komt u op deze benadering?

Ik verzin het ter plekke, maar het komt voort uit mededogen met al die mogelijke wezens, dingen en gebeurtenissen die niet het geluk hebben te bestaan…ik gun al wat figureert in mijn verhalen om echt te bestaan. Geboren zijn is zo’n zeldzaam & wonderlijk voorrecht waar wij niets voor gedaan hebben…schrijven is een manier om iets terug te geven.

-Hoe verklaart u eigenlijk dat u zo weinig lezers hebt?

Dat is heel simpel…mijn lezers moeten nog geboren worden.
Ik schrijf louter voor de nog ongeborenen en ik kan u verzekeren dat is een miljoenenpubliek. U wilt niet weten wat er allemaal niet gebeurd is, dat vind ik pas echt
duizelingwekkend!

-Maar daar hebt u nu toch weinig of niets aan!?

De enige beloning voor het schrijven is het goddelijke plezier van het scheppen zelf,
een rijkelijke beloning die ik dagelijks ontvang.

-Maar iedere schrijver zoekt toch de erkenning en bevestiging van zijn lezers?

Een schrijver is toch geen hond die op goedkeuring van de baas wacht…een kunstje flikken op commando en dan een beloning achteraf…?

-Je zult ze de kost geven die om die reden schrijven, daar lusten de honden geen brood van!

Je kunt dit ook heel anders benaderen: ik geef liever bevestiging en erkenning aan al wat nog ongeboren is…als een bevestiging vooraf!

Een nogal magische benadering van….

Toverspreuken zijn scheppend geklets dat vooraf gaat aan de schepping, de rest van het denken is geklets achteraf.

-En tijdens?

Tijdens adviseer ik te zwijgen.