Laatst

Mijn vader liep op zijn laatste benen. Hij deed alle dingen voor het laatst…een laatste peer…een laatste gebakje…een laatste vis. We bezochten ook zijn laatste museum.
Oud, met een glazen oog, schuifelde hij onzeker aan mijn hand langs de meesterwerken, met zijn hoedje op. Ik probeerde hem op ‘Breughels Toren van Babel’ te attenderen, maar hij zag waarschijnlijk al niets meer van de details. Hij keek niet meer op van een meesterwerkje meer of minder…tot wij al voortsloffend langs een zwartleren museumbank schoven. Opeens leefde hij helemaal op.
‘Hee, kijk nou… een bank…!’
Alsof het om het meest exclusieve topstuk uit de museumcollectie ging.
‘Zullen we even gaan zitten?’ ,wilde ik voorstellen, maar hij zat al…met zijn elleboog op de leuning zijn hoofd ondersteunend. Ik keek even rond of ik mijn vrouw ergens zag tussen de bezoekers. Toen ik weer opzij keek zag ik hem slapen, met diepe zuchten.
Mijn vader was zelf een museum met een heel particuliere collectie beelden in zijn bovenkamer. De zwartlederen bank was het laatste kunstwerk dat mijn vader in zijn collectie opnam. Het maakte zijn verzameling compleet. Niet lang daarna overleed hij, uitverzameld. Vaak denk ik aan hem als ik een zwartleren bank zie, daarna zie ik de Toren van Babel voor mijn geestesoog gebouwd worden. Die bouw blijft eindeloos voortduren.

Koeren

    Mijn vader, alias ‘de Pipa’ was niet erg ambitieus. Hij stelde weinig eisen aan het leven, heel bescheiden eisen die betrekking hadden op eerste levensbehoeften. Kleding van het Leger de Heils vond hij goed genoeg, drinken deed hij niet, soms een klein sigaartje roken was zijn grootste uitspatting.
    Het verwonderde ons dan ook dat pa altijd al duifjes had willen hebben. Dat kwam zomaar aan het licht, toen hij drie koerduifjes thuis bracht, die zo op zijn hand bleven zitten. Hij sprak vertrouwelijk met ze.
    Waarschijnlijk een jongensdroom, want de aankoop was impulsief. Over een plek en consequenties had hij niet nagedacht. Maar Pipa was handig genoeg en knutselde bovenop het Tomado pannenrek een duivenhok…voor de drie koerduifjes. Er waren drie poortjes in gefiguurzaagd, want de vogels moesten wel via het bovenluikje van de keuken naar buiten kunnen. Pipa zag het helemaal voor zich.
    De keukenprinses, mijn moeder, stond er gepikeerd bij te kijken alsof zij al een enorme bui zag hangen. Haar Bruynzeel keuken zou onder het bewind komen van maagdelijk witte vogels.
    Het draaide uit op een schrikbewind: Eindeloos gekoer begon na één dag iedereen op de zenuwen te werken. Je schrok je steeds lam van dat plotselinge in en uitgefladder.
    Vrede brachten de duiven niet in ons huis. Integendeel, ze scheten de keuken onder… er zweefden donsveertjes rond boven ons ontbijt. Pipa maakte nog deurtjes in de poortjes en stelde een vliegurenschema in. Kennelijk verwachtte hij dat de vogels zindelijk zouden worden en buiten zouden poepen vòòr ze onze propere keuken weer binnenvlogen.
    De penetrante stank was na twee weken het ergste. Je begon er zelf van te koeren.
    Ma was een zenuwinzinking nabij:
    ‘Hou de keukendeur dicht anders vliegen ze door het hele huis!’

    Pipa zette op een ochtend rigoureus de hele duiventil buiten op het platje achter de galerijwoning. Daar stond het triplex hok te verregenen. De duifjes vlogen uiteindelijk koerend weg.
    Zijn jongensdroom vervloog.
    Pipa stak een sigaartje op om de lucht te klaren.

Caran d’Ache

Als kleuter ging je karandasjen.
Dat was een plat blik vol stompjes kleurpotlood. Bij gebrek aan papier kleurde je het ouwe nieuws van de krant van gisteren. Nieuws zag er destijds uit als een rouwadvertentie, grauw en grijs.
De photo’s leefden niet. Met vleeskleur-roze probeerde je het dode raster tot leven te brengen. Die kleur was dan het snelst op.
Het stompje roze was te kort om nog bij te slijpen.
Het slijpsel vond je eigenlijk het mooiste van dat hele kleurgebeuren.
Die prachtige spiralende kartelrand van flinterdun hout. Je merkte op dat je gefascineerd halve potloden opsleep, als even niemand keek. Heimelijk kleutergenot. Zelfs nu nog, als nooit volwassene, doe je het nog graag.

Binnen de lijntjes kleuren hield je snel voor gezien evenals het subversieve buiten de lijntjes kleuren, een
mechanische tegenreactie. Van slijpen echter kreeg je nooit genoeg. Een scherpe slijper is dan ook veruit het belangrijkste. Doorslijpen tot de potloden zijn weggeslepen en een doos vol feestelijke spiralen.

Het nieuws wordt inmiddels voor ons ingekleurd, tot ver buiten de lijntjes.

Boot

Wij waren tamelijk arm van huis uit. Een huisportemonnee hadden we niet. Het losse geld slingerde zo’n beetje door het hele huis, in broekzak, in jaszakken, in kapotte voeringen.
Als er een brood gekocht moest worden werd iedereen in huis beroofd inclusief de spaarvarkentjes van de kinderen. “Geld kun je niet eten”, zei ons moeder dan.
Ik weigerde dan ook grootmoedig om nog zakgeld aan te nemen. Zo dacht ik mijn ouders ietsepietsje rijker te maken…en dat leek te lukken want daarna gingen we elk jaar op vakantie. Het geval wilde dat we geen roeiboot hadden, maar wel veel roeispanen.
Zoiets zei mijn vader vaak: “Het geval wil dat…”
Ik vraag mij tot op vandaag de dag af wat of wie dat geval is?…Maar goed…
Het geval wilde dus dat we naast de sloot gingen zitten en met de spanen door het water roeiden, soms met het hele gezin, twaalf man sterk. We waren een goed team, zei mijn vader. Mijn vader roeide zelf niet, hij stond aan de kop van de bootsloot en riep dan dat er land in zicht was, dat we voorzichtig naar voren moesten lopen om daar aan de kant te stappen. Gelukkig waren wij goedgelovige kinderen anders hadden we nooit op vakantie gekund. Als iedereen veilig aan land was dan liep vader aan de andere slootkant het maïsveld van de boer in.
Daar dwaalden we doorheen en aten onderweg suikermaïskolfjes. Als ongewassen bemodderde varkentjes kwamen we dan weer thuis waar moeder ons met de tuinslang schoonspoot. Gelukkig hadden we één hele grote harde droge handdoek.
Een buurjongetje dat bleef beweren dat mijn vader over die boot loog heb ik maar in de sloot geduwd…om hem te overtuigen of misschien gewoon omdat het ‘geval’ dat wilde.

Stokje

Je was nog toerist in opleiding. Eerste vakantie in het Ahrdal. Na de eerste bergwandeling werd je ingewijd met een ritueel voorwerp, het Wandelstokje.
Je probeerde opgetogen te kijken. Als kind probeerde je dat, de volwassenen te troosten, steeds als ze je ergens een plezier mee dachten te doen. Tot je besloot dat volwassenen hopeloze gevallen waren, ‘de ontroostbaren’.
Terug naar het Wandelstokje. Je rende als een locomotief de berg op en af, wachtend op voortzwoegende ouders. Wat moest jij met zo’n stokje?
De bedoeling werd pas duidelijk toen je aangemoedigd werd om beneden in het dal een metalen embleempje uit te kiezen van de zojuist bedwongen berg. Dat werd dan op het Wandelstokje gespijkerd net als een Jezus aan het kruis. Als bewijs dat jij die berg
had veroverd.
Met ontzag keek je naar de stokken van oude mannen die helemaal ondergespijkerd waren met onderscheidingen, memorabilia.
Zij hadden de wereld al veroverd.
Je neefje had ook een wandelstok met heel veel bergplaatjes uit heel Europa… van zijn oom gehad, erfgoed.
Je besloot terplekke om niet de concurrentie aan te gaan met de verzamelaars van wapenfeiten.
Jouw eigen mooie wandelstokje verdween in een ravijn.
‘Had je er maar beter voor moeten zorgen’

Terwijl ze je dit inwreven werd de ironie in jouw geboren. Het stokje dat jou moest ondersteunen om niet te vallen, dat stokje had jij doelbewust laten vallen. Je had geen zin om steun te geven aan dat wandelstokje .
Ironie geeft meer steun dan een wandelstokje, ironie ondergraaft alle denkbare wapenfeiten.
Ook de toerist in jou lag voorgoed in het ravijn.

Frekie

Frekie Soethout alias ‘Bijtand’ zat naast mij op school. Hij dankte zijn bijnaam aan het bizarre feit dat zijn tanden niet persé in zijn mond groeiden. Van kinds af kwamen zijn melktandjes al op de meest onverwachte plekken naar boven. Op een rijtje zouden ze nooit komen. Geen beugel die dat zou kunnen reguleren. Zijn echte tanden maakten het later nog bonter door buiten zijn mond te treden. Je gelooft het of niet maar op zijn dertiende verjaardag had Frekie een tand op zijn kin, bovenop zijn hoofd en achter zijn oor een verstandskies. Dat at niet lekker voor een jongen, vond onze huisarts. Tot die tijd had hij vooral vloeibaar voedsel opgeslurpt. Frekie kon geen pap meer zien, hij was het slikken zat, alsof kauwen zo leuk was… Volgens de kauwchirurg zat er niets anders op dan alle uitmondige tanden en kiezen te trekken. Maandag zou hij geholpen worden. Dinsdag verscheen hij onder de pleisters en verband in de klas. Iedereen feliciteerde hem ermee dat hij nu geen tanden meer op zijn hoofd had, nu was hij eindelijk ‘normaal’ geworden, net als wij. Toch had hij iets wat wij niet hadden.
Frekie kreeg een mooi kunstgebitje dat hij op verzoek met trots liet zien. De meisjes griezelden ervan, aan hen liet hij het ongevraagd zien, gillend renden ze voor hem uit. Schaamte was Frekie vreemd. Het gebitje zat meer in zijn broekzak dan in zijn mond, het rammelde als hij hardliep. Dat kauwen ook niet alles is daar kwam hij al gauw achter.
Sommige dingen moet je jong leren anders wen je er niet meer aan, vond onze huisarts.
Na de lagere school verloor ik Frekie uit het oog. Soms vraag ik mij af of hij ooit nog heeft keren kauwen. Hij zou geëmigreerd zijn naar een ver buitenland, dat was het laatste wat ik over hem vernam.

Baba Yaga

‘Moetje voorstel boerman: jij stap als eerlijke volgzaam staatsboerger jou haus aut en die hele weg ies weg, gewoon weg gestolen!’

‘Wat zegt u buurman?’

‘Ach, jij moet gewoon niet aan denken…die weg gestolen…ies te veel idioot!’, jammert mijn buurman Oleg Kopolev, de verbannen Rus.
De diefstal had s’nachts plaatsgevonden. Kopolev had in de vage verte wel enig gedreun en gedruis gehoord, maar had zich de avond ervoor een doelmatige verdoving toegediend met illegaal gestookte Wodka.

‘Zonder Vodka zal geen één staatsboerger meer roestig slapen, lauster Viektor… als men zou weet van die ongelooflijke absoerd gevaar die de Staatsbewind weet te organiseer…elk dag… jou zenoew zou doorbrand, jij moet verdoven, ja? anders jij hoor teveel, zie te veel .’, stamelt Oleg gelaten terwijl zijn hand zichzelf nog wat bijschenkt, water… want hij drinkt nooit meer, zegt hij te vaak.

Kopolev is nog dagelijks verbijsterd over Nederland…dat alles er de volgende ochtend nog gewoon is en dat er kennelijk dus nooit iets geboert.

‘Saai ies die hoogste haalbaar geloek’, grijnst de voormalige Rus grimmig…’alleen jij gaat langezaam dood van die verveling…in Roesland jij verveelt jou nooit…doodsangst verveelt nooit!’, Oleg laat een akelig lachje horen.

‘Vertel verder Oleg, waar was de weg gebleven?’, vraag ik hem…naar de bekende weg.

‘Daar was boem opeens… één vlakte paun, alles weg met boelldozer, de wegen waren weg…al die bomen, lantaarnpalen geplet, aan de kant geschoof …onze haus stond aan rand van een paunvlakte… Ik metéén aangifte gaan doen bij die oud partijboero van staat, maar ook die gebouw weggeveegd’,

‘… die boeldozermannetje sprak vreemd Siberisch dialect en doet alles gewoon in opdracht van ‘Ministerie van Hygiëne’….ze lieten mij een vaag stencilformulier zien als bewijs…er moest een vaulnisstortplaats gebouwd word om al die nooit verwerkt afval kwijt te raak, staatsafval..’
‘Gewoon kwestie van raumtelijk ordning’, zij hebben mij gezegd!’

‘En toen Oleg?’

‘Wij gevloecht… viel niet mee, we krijg geen uitreisvisoem. Toen Staat wist dat wij de Staat wilden verlaten zijn wij oud vaul behandeld en sabotage’

‘Hoe zijn jullie dan ontsnapt Oleg?’

‘Te voet…in de nacht de grens overgekropen, bewaker omgekocht!’, Kopolev neemt nog een slok uit zijn spaflesje.

‘Ongelaublich!…’, verzucht ik na Oleg’s relaas, ‘
het is toch niet echt waar’

‘Welnee, jij moet gewoon niet aan denken, nooit, zeg mijn Kaukasisch moedertje altijd, zij hield nog altijd van Stalin…van angst!’….

‘Ach, Viektor, ies gewoon één oeroud Roessies volkssprookje van Baba Yaga, die gekke heks in haar hoet met die vogelpoten, het kan echt niet waar zijn, zo bizar!’

Oleg tuurt over het groene Hollandse weiland en mompelt:
‘Had ik maar die hoet gehad van Baba Yaga…’

Steeds als ik Oleg tegenkom zie ik een hoed met vogelpoten, natuurlijk bedoelde hij gewoon hut, heel gewoon. En Baba Yaga, wie kent die niet?

Vijver

We zouden hem vandaag gaan bekijken bij de taxidermist, onze Koi, maar we gingen niet. We wisten niet dat je zoveel van een vis kon gaan houden. Koi, onze lievelingsvis.

In de tuin van ons nieuwe huis bleek een grote vijver te liggen. We hadden ons nooit een vijver gewenst, maar soms blijkt het ongewenste een groot geschenk. De vijver had ons steeds leeg en doods aangestaard. Tot mijn vrouw op een ochtend zei:
‘We nemen een vis, dat zal de vijver goed doen, anders ligt die daar maar te liggen!’
Ik had nooit iets met vissen gehad, maar ik gunde de vijver ook wel een pleziertje.
Dezelfde dag hebben we ons in een tuincentrum gewillig een karpertje laten aansmeren.
Ik vond het veel geld, vijfenzeventig euro voor een jong visje.
‘Geen geld voor een echte Koi!’, vond de verkoper, ‘Hij wordt vanzelf groter en nog meer waard!’.
Met het gecertificeerde visje, wat waterplanten en een emmertje krachtvoer gingen we huiswaarts.
Onze vijver was er zichtbaar blij mee, een levende ziel bracht haar stilstaande water in beroering. Binnen twee dagen hadden we een warme band met de kleine koudbloedige Koi.
Hij at zomaar uit onze hand en zoog op onze vingers. Koi ontroerde ons meteen met zijn indringend blije blik, en dat blinde vertrouwen, waar baseerde hij dat op?
Vlees aten al bijna niet meer, maar nu verdween spontaan ook vis van ons menu. Koi werd steeds groter en mooier, oranje gevlekt met zilveren schubben en hele mooie natte ogen. Vanuit huis hoorden we hem plonzen.
Koi herkende mijn gefluit, zwom direct naar de kant om mij te begroeten met zijn stille gapende mond. Hij vlijde zich tegen mijn handpalm aan om mij te voelen. Bij mijn vrouw legde hij zijn kop in haar hand, ze keek mij aan met vochtige ogen.
We raakten gehecht aan de tedere aanrakingen van Koi.
Als een dierbare vriend, zo voelde hij.
Karpers kunnen oud worden, onze Koi overleed twee dagen geleden. We waren ontredderd.

Het vreemde is alleen: hij is niet weg.
In de donkere vijver van de slaap komt Koi ons tegemoetzwemmen. Ons bestaan draait nu om de vijver van de nacht. We leven daar kennelijk onder water…of Koi zwemt door de lucht?
Ik probeer zijn mondbewegingen te liplezen
en ik meen hem werkelijk te verstaan. Mijn vrouw heeft dezelfde nachtelijke ervaring.
‘Wat zei hij tegen jou vannacht?’, vraagt ze meteen aan het ontbijt…’
Koi zei:” wij vissen zwemmen niet, vergis je niet, wij laten ons strelen door het ons omringende water…het leeft ons…zelfs van binnen kietelt het onze ingewanden, water is het bloed van moeder aarde…!’
‘Wat had hij jou vannacht en te vertellen?’
‘Koi zei, “Volg mij, kom in een volgende leven
toch als karper terug…Niets liever wil ik dan jullie deelgenoot maken van dit goddelijke watergeluk”. Opeens dreef hij vredig op z’n rug…als een juweel mooier dan ooit.
“Kom erin, kom erin, vertrouw mij blind!”,
dit is de boodschap van onze Koi die blijft resoneren als echo van zijn bestaan.
In de lege vijver zien we de sterrenhemel lichtjes rimpelen.
De taxidermist hebben we maar afgebeld met de mededeling dat het niet meer hoeft, dat Koi nog leeft…in ons.
Hij begreep er niets van, wie wel?

Voor Aap

Als iemand een lelijke kop had, een ‘echte’ boeventronie, dan zei mijn vader vaak:
‘Die heeft een echte monkiebrand!’.
Ome Piet had bijvoorbeeld zo’n kop.
Waarom?, dat kwam later als aap uit de mouw. Oom bleek een echte boef, had hoogstpersoonlijk in de nor gezeten. Oom Piet had er zichtbaar moeite mee om zijn trots te verbergen. Hij waste zijn vuile voorpoten nooit in onschuld. Piet stak ze triomfantelijk in de lucht, “the art of don’t giving a shit”.
Onlangs ontdekte ik dat ‘Monkey Brand’ een ouderwets zeepmerk is, met een apenkop als logo, om vuile handen schoon te wassen.

Toen ik nog geen vijf was deed mijn vader wel eens een gorilla na door zwartlederen handschoenen aan zijn voeten te doen. Hij werd het echt. Plots rook onze tuttige huiskamer opwindend naar wild dier.
Met zijn tong verwrong hij zijn mond tot een apentronie. Zijn armen slungelden naast zijn lijf terwijl hij wild op de bank sprong om zich te vlooien. Mijn moeder stond er besmuikt bij te lachen terwijl ze ontredderd aan haar jurk plukte. Jurkplukken als uiting van onzekerheid, ze zat verlegen met de situatie, dat ze bij nader inzien met een aap was getrouwd, een Alfa-mannetje.
Vader Aap had kolenschoppen van handen
waar hij miniatuurvogeltjes mee sneed.
Van een boomtakje kerfde hij het lijfje, de vleugeltjes van een luciferdoosdekseltje, van een oude bezemsteel het vogelhuisje.
Uniek natuurlijk, een aap die vogeltjes snijdt.
Mede door hem heb ik de mens altijd vanzelfsprekend als een dier gezien, een dier met kleding aan.
‘Mooi apenpakkie’ zei mijn vader als hij ergens een ‘hoge ome’ of een hoogwaardigheidsbekleder zag in vol ornaat.

Dat hij mij ook als een aap zag vond ik niet meer dan logisch. ‘Aap van een jongen’, daar bedoelde hij mij dan mee.
Na mijn vijfde jaar heb ik mijn vader nogal gemist, ik bedoel daarmee vooral…de aap in mijn vader, die was voorgoed verdwenen in de betonjungle waar wij kwamen te wonen.

Ik ken geen mensaap die zo onschuldig kan
kijken als een jonge Orang Oetang, hoewel Stan Laurel er wel heel dicht bij in de buurt komt, in de filmscène dat er in de gevangenis een foto van hem gemaakt moet worden.

Er zijn kinderen die terecht niet volwassen willen worden, tot op hoge leeftijd slagen sommigen daarin. Ik zelf heb nooit mens willen worden, ik blijf liever een naakte aap, aangekleed voor de buitenwacht.

De mens is een lachertje, natuurlijk gesproken, een tegennatuurlijke speling van de cultuur. Dieren lachen zich dood om ons.
We staan mooi voor aap.

Namaakoom

De leuke oom was een getapte jongen, ving ik ooit thuis op. Een nieuw taalraadsel dat mijn kindergeest enterde als een intrigant.
Wat was dit voor een man die bij navraag helemaal geen oom van mij was maar wel deed alsof. Wat was getapt? Had hij zich heimelijk tot oom gezopen aan de tap?
Hij tapte in elk geval moppen, die niet leuk waren. Hij ‘moest’ er zelf om lachen. Van wie dat moest weet ik niet, zijn lach klonk mij geweldadig en wreed in de oren. Dat begreep ik wel, want als je van iemand moest lachen dan kon dat nooit leuk klinken.
Hij was ook nog een jongen van de gestampte pot, die van wanten wist. Wist ik veel. Ik dacht dat hij met wanten aan in de hutspot stond te roeren. Nog steeds denk ik bij een ovenwant aan die namaakoom.
Een beetje ‘Loesje’ was hij ook nog. Loesje kende ik niet, ook niet een beetje.
Later werd hij persona non grata binnen de familie vanwege ‘geheul’. Ik dacht dan aan de oom als aan een vis zonder graten, zonder ruggengraat. Een soort weekdier, geen dier van de maand of de man van het jaar…de omstreden oom vluchtte naar Canada. Berichten ‘uit den vreemde’ bereikten ons: zijn benen zouden erg achteruit gaan…!
Mijn vader vermaakte zich over het leed van de oom, door de oom de rest van zijn leven achteruit te zien lopen.
Een oom in kreeftgang in den vreemde, dat kreeg je van geheul.

In mijn herinnering loopt hij daar nog steeds,
achteruit. Als kind zag ik op tv de film ‘Het Omen’ aangekondigd en dacht: nu kan ik de verklaring zien van wat al die omen zijn, hoe ze ontstaan en waar ze voor dienen. Het was een rare film, er kwam geen oom in voor.
Nu weet ik inmiddels, als zeven keer de achtjarige, dat taal zelf een intrigant is, intrigerend dat wel.
Taal doet alsof ze dingen kan ophelderen terwijl taal het mysterie alleen maar vergroot.
Taal is een namaakoom die voor z’n mallemoer uit zijn nek kletst.