Resten

De sloop van het verwoeste…
Op de heuvelachtige berg van het toeristenstadje staan de schamele resten van een ruïne. De locale middenstand wil het kasteel herbouwen, als trekpleister op de ‘wond’. Dit stuit op verzet van historisch besefdragers. ‘De ruïne zou onherstelbaar beschadigd worden door herbouw’ ,aldus het ruïne-comité. Voor en tegenstanders zoeken een compromis dat beide principiële standpunten constructief zal slopen.
De ruïne is een monument voor de vergeten geschiedenis, om de herinnering aan het zwakke geheugen levend te houden. We mogen nooit vergeten dat we maar zo weinig onthouden. Het geheugen is slechts een ruïne van de alomvattende werkelijkheid.

Stank

Always look on the bright side of life, for heavens sake.
‘Kijk eens naar die prachtige kleuren aan de hemel, mijn kind.’
‘Vergeet maar even dat ze ontstaan door de luchtvervuiling….nee, wat zeg ik, dankzij de luchtvervuiling, negeer de stank en geniet van de kleuren.’

Think positive, ignore the negative…a smile sells better!
Positief denken maakt meer kapot dan algemeen gedacht wordt.
Het lijkt zoiets moois, zo positief, maar het is meestal een gladde strategie om de ongemakkelijke werkelijkheid niet te moeten zien, laat staan erkennen.
De negatie van gebeurtenissen uit het verleden heeft altijd een beslissende invloed op het heden.
Vergelijk het met een familiegeheim, bv; een dood kind dat verzwegen wordt.
Het geheim in het gezin is permanent voelbaar, de spanning te snijden.
Degenen die onwetend gehouden worden lijden dagelijks aan die spanning,
zonder te weten waarom ze voelen wat ze voelen, hun directe ervaring wordt ontkend. Het is een beproefde methode om mensen gek te maken.
‘Je ziet dingen die er niet zijn!’

Als dit op microschaal al zo werkt, hoe werkt dit dan door op de macro-schaal van bv; een volkerenmoord? Zonder erkenning van de werkelijke geschiedenis kan er nooit voortgang worden gemaakt. De stank van de leugen blijft hangen. Een land dat zo met zijn onverwerkte verleden omgaat maakt zijn bevolking geestelijk ziek. Positivity stinks.

Kind

Elk Kind wordt als indiaan geboren. De definitie van indiaan is simpel: Natuurmens.
Direct na de geboorte wordt het al vervreemdt van de eigen natuur.
Het leert zorgvuldig om niet naar het lichaam te luisteren, om het te wantrouwen.
Het Kind wordt verteld dat het geen ziel heeft, dat de natuur iets is om te onderdrukken, te overheersen, uit te baten als een kolonie.
Het Kind komt sowieso al in het reservaat ter wereld en dat reservaat is in alles het tegendeel van natuurlijk. Het Kind leert luisteren naar het kunstmatige, het wordt subtiel geforceerd dingen aan te leren die tegen zijn natuur in gaan. Het leert strategieën die zouden helpen om te overleven. Het leert een heel speciale geschiedenis over zijn voorouders die vertelt:
“Luister nooit naar een indiaan, want in de geschiedenis heeft nog nooit iemand geluisterd naar wat een indiaan te zeggen heeft, want indianen hebben niets te zeggen in deze ‘nieuwe wereld’ ,als ze wel iets te zeggen zouden hebben dan zouden ze het wel hebben gezegd…ze hebben geen geschiedschrijving, er is ons niets over bekend……!”
Na deze opleiding wordt het Kind gedwongen eenzijdige afspraken te ondertekenen, die hem verder dresseren, om hem af te richten op een koloniale maatschappij waar hij als een voorlopig bruikbaar radertje in mag gaan meedraaien op de plek die voor hem wordt bepaald. Levenscyclus voltooid.
Kijk naar de natuurvolken die het onmogelijk gemaakt wordt om nog volgens hun eigen natuur te leven, daar is zelfmoord onder jongeren de belangrijkste doodsoorzaak. De jeugd die voor koloniale terreur vlucht zoekt verdoving voor de pijn van het vervreemd zijn. Het Kind raakt verslaafd aan verdoving, drank, drugs en antidepressiva
Deze indianen bevolken onze wereld. Je hoeft niet ver te zoeken in de spiegel.
Het Kind is de laatste indiaan in ieder mens.

Diep

In Llasha steken jonge monniken zichzelf
in brand als laatste geweldloos statement.

Honderachtenvijftig bodhisattva’s verlieten
deze doofstomme, blinde, vereelte wereld.

Zelfs Lama’s staan machteloos tegenover
zoveel vastberadenheid en doodsverachting.

Ik kan niets dan diep buigen voor deze ongeboren
Boeddha’s , voor de lichaamsloze staat van zijn.

Naam

Zodra iets een naam krijgt lijkt het echt te bestaan. Dat is een wonderlijk gegeven. Naam schept de waan van werkelijk bestaan. Zelfs bij tastbare dingen is een naam
niets meer dan een afspraak. Het gebruiken van die naam geeft een misplaatst
gevoel van grip, van begrijpen. Hoe meer mensen het zo noemen hoe meer grip er
lijkt te zijn. De illusie van begrijpen wordt zo versterkt.
Sommigen worden helemaal wanhopig als ze iets niet begrijpen. Pas wanneer je ze duidelijk maakt dat er niets te begrijpen is maar dat het slechts een gemeenschappelijke afspraak is die je kunt aannemen kunnen ze het loslaten.
We begrijpen dan waar de woorden naar verwijzen, maar datgene waar het woord naar verwijst begrijpen we meestal niet. Wat is begrijpen?
Wat het ook is, taal is geen hand die werkelijk grip kan hebben op het ontastbare.
Het tastbare is leuk speelgoed, maar het draait altijd om het ontastbare.

Klopt

‘Als de quantummechanica klopt is de wereld krankzinnig’, stelde Einstein ooit.
‘De wereld is krankzinnig’ , bevestigt vooraanstaand quantumfysicus Greenberger.

De wereld kan niet krankzinnig zijn. Alleen mensen kunnen krankzinnig denken te zijn.
Mensen denken dat ze gek worden omdat de werkelijkheid niet in hun logische model past.
De natuur trekt zich echter niets aan van welk rationeel concept dan ook. In plaats van het concept aan te passen of weg te gooien, verklaart de wetenschapper liever de wereld voor gek.
Een krankzinnige is iemand die permanent in conflict is met ‘de wereld’ , lees: in conflict met de inhoud van zijn bewustzijn. Open onderzoek van neutraal bewust zijn naar de aard van de wereld kan nooit in conflict zijn met de wereld ,lees: de inhoud van het bewuste zijn. Dat onderzoek kenmerkt zich door permanente verwondering om het mysterie dat ons omringt en waar wij uit bestaan. Krankzinnigheid is een probleem van het model.

‘De wereld is van een geniale intelligentie als de quantummechanica klopt’
F. Wildesheim

Volgens welke norm of criterium zou de quantumwereld trouwens moeten kloppen?
Waar meten we dat aan af? Is er een vergelijkbaar universum om de maat mee te nemen?

Zool

Hij had een steentje in zijn schoen. Onmiddellijk meende hij te weten dat hier om een metafoor moest gaan, een schrijversgewoonte. Hij besloot om rustig door te lopen en het steentje er niet eerder uit te halen voor hij wist om welke metafoor het ging. Vroeger had hij probleemloos blootsvoets over grindpaden gelopen, maar dit ene stukje grind maakte meer indruk in zijn voetzool dan vele. Zou het steentje voor problemen staan…één probleem is storend maar vele problemen niet… Nee, het moest iets anders zijn. Herinnerde het steentje aan hem aan iets…iets dat hij niet mocht vergeten? Aan wat dan? Deze metafoor gaf zich niet zomaar gewonnen. Vreemd, want normaal gesproken dienden metaforen zich als vanzelf aan, als gladde verkoopjongens die jou iets wilden aansmeren. Hij liep nu al een week te ijsberen met dat irritante steentje in zijn schoen.
Op een alledaagse woensdag om 10.47 uur gebeurde het, terwijl hij midden op een zebrapad liep werd het hem opeens duidelijk, zo simpel: Het steentje stond gewoon nergens voor, geen enkele metafoor. Het was alleen maar een steentje.
Een wachtende automobilist was uitgestapt om te vragen of het wel goed met hem ging daar midden op dat zebrapad.
“Ja hoor”, had hij gezegd, “het kan niet beter, ik had alleen maar een steentje in mijn schoen…kijk maar…deze!”
“Halve zool” , had de chauffeur verzucht.
De schrijver voelde zich bevrijd, genezen van de metaforendwang. Soms, als weer eens een aanvechting kreeg in die richting deed hij zelf een steentje in zijn schoen, als reminder. Het was net zoiets als in een kolkende wolkenlucht allerlei gezichtjes menen zien, een amusante oogafwijking.

Grip

De ruimtevaartautoriteit hield mij staande. Ik voerde geen licht op mijn fiets.
Of ik wel wist waar ik fietste?
‘Op de Melkweg, meneer’ ,zei ik verwonderd.
Mijn verweer dat het klaarlichte nacht was…dat de sterren mijn achterlichten
waren en Alpha Centauri mijn voorlicht…’t mocht niet baten. Het zou een fikse prent worden zo beloofde hij plechtig. Diverse raketten hadden niet gelanceerd kunnen worden omdat meneer zo nodig over de Melkweg moest fietsen. Het zou wat moois worden als iedereen dat in zijn malle hoofd haalde. En waar of meneer de fietser zo hoognodig naar op weg was?
‘Ik ben op weg naar de achterkant van het licht…’, verklaarde ik gespeeld bedeesd, ‘
we zien altijd alleen maar de voorkant van het licht dat de dingen beschijnt, maar ik moet en zal weten waar de achterkant uit bestaat’.
De ruimteagent leek onder de indruk van mijn vastberadenheid.
Hij keek mij aan met een vorsende blik…
Nou dan, voor deze keer zou hij het door de vingers zien.
Hij gaf mij zijn adreskaartje en vroeg mij te beloven hem op de hoogte te stellen
zodra ik de achterkant van het licht gevonden had. Met alle genoegen.
Ik mocht verder fietsen. Of hij mijn achterband nog even moest oppompen?
‘Nee hoor’, bedankte ik opgelucht, ‘een zachte band geeft meer grip op de Melkweg’.
Hij salueerde met de universele ruimtegroet en schoot weg op zijn spacescooter.
Het fietsen leek moeiteloos te gaan. Gelukkig maar, want er was nog best
een eindje te gaan. Alsof de achterkant van het licht mij vanzelf naar zich toe trok.

Wit

Je keek je ogen uit wat zich hier voor mysterieuze dingen afspeelden. Een wezen waarde rond in de fel verlichte ruimte. Alsof het iets zocht wat kwijt was. Met een glimmend plat staafje maakte het wezen vegende bewegingen over bleekwitte flapjes. Het platte staafje werd in een ronde holte gedoopt waardoor er een ondefinieerbare smurrie aan bleef kleven. Waarom die substantie aan dat flapje werd afgeveegd was mij een raadsel. Het leek mij een zinloze materiële verplaatsing.
Het vreemde wezen stapelde de slappe flapjes op een platronde schijf die ze op een nog grotere verhoogde vlakke schijf plaatste. Het staafje viel rinkelend op de harde koude vloer. Het wezen begon zo’n flapje in mijn mond te proppen. Alles kleefde van binnen aan elkaar. Pas later leerde ik dat dit wezen ‘mijn moeder’ en dat het kleefsel een boterham pindakaas heette. Het staat mij glashelder voor de geest. Ik moet ik weet niet hoe jong zijn geweest. Verder is het geheugen aan het voorwoordelijke begin overwegend blanco. Vergeten… typex voor de geest.

ijl

De Sjerpa’s hadden tot nog toe alle klimmers om de route heen weten te leiden.
Een geheimgehouden route die langs de grot leidde. Er waren natuurlijk al lang geruchten over, maar de berggidsen weigerden Zelfs tegen ruime betaling iets los te laten. Ze wimpelden alle speculaties af. Het was een oud volkslegende.
Nu was er die gekgeworden klimmer de berg afgedaald, een Amerikaan die al weken als vermist was opgegeven. Opgewonden en uitgeput deed hij zijn verhaal in de ziekenboeg van het basiskamp. Hij was verdwaald, losgeraakt van de groep in de sneeuwstorm. Blind was hij voortgekropen over de bergwand op zoek naar beschutting. Opeens was hij in een holte terechtgekomen…bijna bevroren de grot binnengekropen… omvat door de eeuwige nacht van de berg. In slaap gevallen tegen iets zachts, zo bleek later toen hij ontdooid en opgewarmd wakker werd. Op de tast had hij zijn zaklantaarn gezocht en in het rond geschenen. Geschrokken van die harige contouren van dat wezen waar hij tegenaan had gelegen. Was het een beer? Die kwamen niet voor in dit onbegaanbare gebergte. Vreemd genoeg werd hij niet panisch merkte hij op. Er kwam een soort sereniteit over hem die hem diep deed zuchten. Het wezen zat rechtop. Was het verzonken in een winterslaap. Nu zijn ogen gewend raakten aan het duister zag hij de witgrijze beharing van het wezen dat ondanks de volledige gezichtsbeharing verder een menselijke gedaante had. In het lantaarnlicht zag hij heel langzaam een wolkje asem ontsnappen dat condenseerde in de omvatting van de koude grotlucht. Elk besef van tijd raakte hij kwijt. Hoelang had hij daar gezeten in verwondering bij dit mysterieuze wezen? Toen de lantaarn geleidelijk aan doofde raakte hij zijn oriëntatie helemaal kwijt. Zijn laatste mondvoorraad had hij gegeten in het besef dat hij terug moest. Op de tast zoekend naar de uitgang raakte hij nog een paar keer de harige gestalte aan die onverstoorbaar bleef zitten. Eenmaal buiten de grot werd hij verblind door het daglicht, de sneeuwstorm was voorbij. De afdaling was een helse tocht geweest.
De Sjerpa’s hadden zijn opgewonden ontdekking bewust weggelachen als zijnde een oude legende. Alles om hun heilige voorvader te beschermen. Het was bekend dat mensen hier gingen hallucineren door uitputting en ijle berglucht.
De klimmer had geen enkel fysiek bewijs van zijn waarneming. Vaak werd hij midden in de nacht wakker omdat hij de gloeiende aanwezigheid van die vacht meende te voelen. Slapen kon hij niet meer, alleen maar sereen waken.