Rach

De eerste prelude in Cis mineur van Sergei Rachmaninoff komt volgens de overlevering voort uit een indringende droom die de jonge componist had. Het stuk is kapotgespeeld sinds het bestaat en exemplarisch voor Russische melancholie, met een aan waanzin grenzende heftigheid van het snelle, agitato, middendeel. De melodramatiek laat geen ruimte voor relativering als het stuk afsluit met een luide versie van dezelfde inleiding, als beierende klokken. Nu de droom.
De dromer loopt door een eindeloos lange duistere zuilengalerij tot hij bij een altaar aankomt waar een doodskist op ligt. Hij kijkt onder de deksel en ziet zichzelf daar liggen. Existentiëel gezien is dit in wezen heel grappige droom, want als
Sergei daar werkelijk ligt…wie is dan degene die in de kist kijkt?
Als Sergei degene is die onder de deksel kijkt…wie of wat is dan degene die in de kist ligt? De eenzame dromer lijkt getuige van zijn eigen dood, hetgeen vertelt dat er niemand dood is, hij is samen met zichzelf.
Rachmaninoff zal hier waarschijnlijk de humor niet van ingezien hebben, het zou namelijk de hele dramatische lading hebben ontkracht. Wat het weer extra grappig maakt? Dit verhaal is wellicht ook exemplarisch voor de onnauwkeurigheid waarmee men waarneemt en automatisch interpreteert, zonder echt te onderzoeken.
Ik had het verhaal tot voor kort nooit gehoord, dus ik heb dit dus ook nooit in de muziek zelf gehoord. Voor mij was het neutraal, wel mysterieus en meeslepend.
Nu kan ik er niet meer naar luisteren zonder een inwendig brede grijns.
Elk verhaal kan op muziek geprojecteerd worden, maar waarom zou je?
Een componist mag nooit zijn bron vrijgeven, het voegt niets toe.

Krimp

Nietsvermoedend op een mierenhoop uit rusten van de wandeling. Onmiddellijk worden gebeten.
Een bosmier, het diertje loopt rood aan en begint je uit te foeteren:…’ dat het toch geen manier van doen…kortzichtig…welke lomperik gaat nou…’
Je verontschuldigt je gedrag uitvoerig: ‘niet handig… nee, gewoon onoplettend om niet te zeggen dom…
jullie zijn ook zo klein..’
‘Ja nee, nu weet ik het wel’ ,raast de mier uit, ‘wat kom je hier doen? …heb ik je soms geroepen?… wat heb je hier te zoeken? … je trapt alles plat, lamzak!’
Totaal overrompeld door de directieve toon van de mier, verschrompel je. Je onbeholpen aanblik ontdooit hem enigszins.
‘Kom binnen in onze hoop, dan kun je even bijkomen van de schrik, ik schenk je een dauwdrup met mierenzuur!’
Je voelt je zo lomp en veel te grofstoffelijk om de nauwe ingang van dennenaaldjes te betreden.
’Kom, groei hierheen’ ,dirigeert het insect mij ,’zodat je je eens in ons leven kunt verdiepen….nee, niet nog groter gek!, groei kleiner, kleiner..je kunt het, ja goed zo, nog kleiner, hierheen naar die zandkorrel toe!…zo ja … en ho maar, nu kan ik je tenminste in je ogen kijken!’
Hij grimlacht schamper om mijn gekrompen verschijning. Je bent zijn verschrompelde binnenpretje.
‘Treedt binnen in onze naaldencitadel, pas op dat je niet onder de voet wordt gelopen door de werkmieren!’
Je volgt de mier door een eindeloos duister gangenstelsel, het ruikt er naar humus, molm en dennenhars.
‘Waar gaan we helemaal naartoe?’ roep je hijgend, zijn zespotige tempo kan jij nauwelijks bijbenen.
‘Naar de koningin breng ik je…in de kraamkamer!’ ,was het laatste wat hij riep. Buiten adem word je wakker in de kraamkamer van de nacht.

vuurwerk

Wat zeg je?
Ja, of je worst lust!

Dat ene woord kon de hond in onmiddellijke vervoering brengen.
Zelfs als we het over onze vorst hadden die nog in de grond zat…
of over de koninklijke aardkorst.
Bij dat ene magische woord sprong de hond integraal in de verheugstand. Lengde je dat woord aan met ‘zoeken’, dan keek hij meteen verwilderd om zich heen…waar of ik het spul verstopt had? Niets leukers dan te zoeken. Alle lege doosjes werden bewaard om worst in te verpakken. Hij stond erbij en keek er naar. Vier of vijf doosjes, dichtgeplakt, dan ging hij vrijwillig de badkamer in. In afwachting tot ik de doosjes goed verstopt had. Dan volgde altijd weer die fantastische explosie van het hondzijn. Hij werd gek, zocht zich een slag in de rondte… Als de eerste buit gevonden was werd het doosje beestachtig verslonden, verheerlijkt likte hij z’n bek, op naar de volgende.
Vuurwerk kan mij niet zo boeien, maar van een exploderende hond bij het openen van de badkamerdeur zal ik nooit genoeg krijgen.

Zon

Zon is in staat
om zonder handen
al wat huid heeft te strelen,
te warmen, te voeden.

Noem iets wat geen huid heeft?
Alles heeft huid…elke cel, bladeren, stenen, zelfs ruimte, ruimte draagt
de dunste huid… van duisternis.

Handen van licht strelen tot bestaan.
Dit noemt zich: het huidige licht.
Wijs nu eens iets aan dat niet huidig is…

Hoe wijs je stilte aan?

Als alles daar al op wijst?

Mysterie

Men kan veel beweren over ‘het mysterie’. Bijvoorbeeld dat je er niets over kunt zeggen. Of dat ze in het geheel niet bestaat… een uitspraak waarmee de ontkenner zichzelf ontkent. De ontkenning zelf is een bewijs van aanwezigheid.
Alles wat men het mysterie toedicht is een beperking. Nooit zal zij zich verdedigen tegen valse of terechte aantijgingen, hoe goedbedoeld of cynisch ook. Zij zal hooguit instemmen bij wijze van ‘Ook!’ Zij stemt overal mee in. Ze beaamt alles. Wat is dan het mysterie? Zonder een woord te verspillen geeft ze een prachtig antwoord in de vorm dit leven zelf. Als alles wat er is nog geen afdoende antwoord is dan zal niets ooit bevredigend zijn voor ‘men’. Het mysterie van Ook.

Uitje

We wilden nog even ergens heen, gewoon even eruit, naar het aangeharkte natuurreservaat, de weg erheen was versperd. Een routewijziging mondde uit in een file die ons huiswaarts dwong, het was al rond etenstijd, niets eetbaars in huis. We pakten de fiets om iets buiten de deur te eten in het nabijgelegen lintdorp.Toko Bokito, gewoonlijk onze favoriet bleek gesloten, door naar Thai Thai een straat verder, wegens omstandigheden dicht… onze laatste troef: Roti Maribu…pui afgeplakt… faillissement of beursgang? Zo verzeilden we in Pizzaria Pisa. Op elke lege formicatafel stonden enorme scheve torens als zoutvaatjes. De Egyptische menukaart showde zowat alle denkbare fastfoodgerechten in full color, waaronder de huiveringwekkende  ‘Kapsalon’
De zoutvaatjes bleken overbodig, flauw was het niet. We konden voortaan ook gewoon bestellen zei de scooterkoerier. Dat leek ons wel wat: gewoon.

Plicht

Het waren duistere tijden daar in het oude avondland. Uit het land van de ongewenste mogelijkheden werd daarom een positieve denker ingevlogen. Een denker van formaat, zo positief dat hij zich alleen met het licht wilde inlaten. Hij weigerde halstarrig om de diep donkere nacht onder ogen te zien. Daarom sloot hij demonstratief zijn oogleden zodra de zon onderging en raadde iedereen aan hetzelfde te doen. Positiviteit is niets minder dan een plicht, zo onderwees hij. Wie hem de ogen wilde openen voor de magische betovering van de nacht kreeg te horen dat je je niet moest laten bevuilen door de duisternis die de geest vergiftigt met negativiteit. Hij kneep zijn ogen nog harder dicht, zo hard dat hij sterretjes zag.

Code

{CAPTION}

Taal is een geheime code voor wie deze taal niet machtig is.
Het lijkt op een code terwijl er niets versleuteld is. Er is geen slot. Zelfs als de code niets betekent lijkt ze toch iets te verbergen, een geheim. Maar ze verbergt niets, ze betekent niets. Er is geen geheim, alles is openbaar. Deze code vraagt niet om gekraakt te worden. De hardste noot om te kraken blijkt leeg. De meest perfecte plek om ‘geen geheim’ in te bewaren. Niet verder vertellen: er is geen geheim…

Pulk

Je nagel kan het begin op het rolletje plakband niet vinden,
nergens een uiteinde…maar je blijft niet pulken naar een begin.
Laat de scherven liggen waar ze vielen. Er wordt hier niets geplakt.
Gaande weg wordt dit schervenpad een duizelingwekkend mozaïek,
door duizenden toeristenvoeten geplet op weg naar het onvoltooide.
Wat men er ook maar in wenst te zien, precies dat stelt het voor.

Later?

Vreemd, hoe over de dunne huid van het eeuwige een rails is gelegd van een miljoenenjarige tijd. Elke biels duurt een seconde. Een megalomaan traject naar welke bestemming?
Op de rails is een treintje gezet met steeds zeven verschillende wagons,
elke wagon is een dag in de week.
Elke avond rijdt de trein door een tunnel van nacht. Dan moet de reiziger zich overdromen in een volgende wagon.
De meeste mensen worden in de trein geboren en maken de reis van hun leven in de wagon van de dag.
Ik ben echter al jong uit de trein van de tijd gevallen, wist nooit hoe laat het was, zonder dat te betreuren.
Ik zwierf vrij rond langs de rails en zag de trein altijd op tijd passeren. Mensen zwaaiden naar mij vanuit de dagen van de week en riepen:
‘Tot later!’.
Ik zwaai terug en roep: ‘Goede reis!’
In mij wil het maar nooit meer later worden.