Verhaalvisser

Falko Seelmond de verhalenvisser ging elke ochtend naar het taalstrand met zijn sleepnet vol met gaten. Daar viste hij aangespoelde verhaalfragmenten op uit de ondiepe branding. Hij luisterde aandachtig naar de verhaalflarden als de natte tekst op het droge naar lucht lag te happen :

“Ober, er zit eelt op mijn biefstuk…hij is zo taai als een natuurrubberen badeend!”
……
Met afgrijzen gooide Seelmond het onsmakelijke fragment meteen terug in zee.
Een ander begon met:

“…een invasie van fluitende badeenden verstoorde het stiltegebied, er werd besloten deze winter maar niet bij te voederen…”
……..
“Mijn strijd tegen de slappe lach begon pas echt fanatiek vorm aan te nemen toen ik ‘den School met den Bijbel’ met frisse tegenzin betrad, als een volgelopen badeend maakte ik tenslotte geen enkel geluid meer.”
……..
“V, de zeldzame schoft uit Appelscha was telg uit een vroom Vrijmetselaarsgeslacht, beschaafd tot op het bot, allergisch voor jeuk en huiduitslag, huisdieren verdroeg hij niet behalve zijn tropische badeend.”
…….
“‘Zonder mij vind ik er ook niets aan’, verklaarde Rogier Fagel oprecht tegen zijn voormalige ega Wendelien Peuzelvreugd, en dat nog voor het voorgerecht goed en wel was opgediend, gepocheerde badeend”

Wat Falko Seelmond ook ving, alles was ver onder de maat, tranig, te veel graten en zo flauw…het kwam toch allemaal uit dezelfde zoute zee…!
Er zat weer niets bij voor consumptie, zo ging het al maanden, de verhalenvisser gooide z’n hele vangst terug in de branding.

Kleefhanger

In “Wrawotil’s badeend”, de gelijknamige roman van de Fin Jukka Rautapukki
(spreek uit: Joekah Rahoetapoekie)
komt geen enkele badeend voor.
Niet dat dat bezwaarlijk is, in tegendeel.
Het feit dat de badeend in de gehele sleutelroman afwezig is kan het boek zelfs zeer ten goede zijn gekomen. Dit laatste kan echter alleen met zekerheid worden vastgesteld wanneer er een versie zou zijn waar wel degelijk de onderhavige badeend een cruciale rol speelt in het verhaal. Nu schijnt die versie er wel degelijk te zijn geweest, namelijk de eerste versie waar Rautapukki tot vervelens toe uitweidde over de badeend van hoofdpersoon Wrawotil.
Deze versie heeft alleen de auteur zelf gelezen. Bij lezing onderkende Rautapukki dat de badeend een dusdanige ‘Darling’ was dat hij die wel om zeep moest helpen om het boek nog te redden. Het woord badeend kwam er wel 148 keer in voor!
Een massagraf van badeenden was het gevolg. Rautapukki schrapte ze wijselijk allemaal…behalve in de titel. Jukka dacht dat het een goede kleefhanger zou zijn om de focus van de lezer meteen op de badeend te vestigen die vervolgens nergens meer teugkomt.
Wat zou er in hemelsnaam aan de hand zijn met die badeend? Zelf na het uitlezen blijft de lezer achter met een ondoorgrondelijk raadsel…waarom heet dit boek in godsnaam zo??? De eend blijft dus effectievelijk goed kleven, hij beklijft onmiddellijk.
Waar het boek echt over gaat valt met geen pen te beschrijven. Waarom ‘Wrawotil’s badeend’ een bestseller werd is moeilijk te achterhalen, maar dat de badeend daar een beslissende rol in heeft gespeeld kunnen we ter nauwernood uitsluiten. Rautapukki bracht het boek uit als zijnde zijn tweede roman. Men wacht nu schoorvoetend op zijn debuutroman, geen sinecure voor een inmiddels gevestigde naam.

Plataan

De oude Plataan die ik net mijn levensverhaal had verteld zei niets en keek mij onverstoorbaar aan, haar knoestige stam met strak aanstarende ogen van door de wind afgewaaide takken. In de bladeren hoog boven in haar kruin ritselde en ruiste het alsof zij er zo het hare over dacht. Verder zweeg zij vastberaden. Eigenlijk doen bomen niets anders dan beamen. Zijn ze daar voor op aarde, om ons te beamen… Iedereen weet natuurlijk hoe bevestiging werkt. Met grote stelligheid beamen leidt ertoe dat je er vraagtekens bij gaat zetten. Vooral platanen zijn imposant in het beamen. Maar wanneer iets evident is, waarom zou dat bevestigd moeten worden?
Als iets wat evident is zo naar bevestiging hengelt dan is het blijkbaar helemaal niet zo robuust. Na mijn verhaal groeiden er vraagtekens boven de punt van elke zin.
Daarom zijn bomen feitelijk grote filosofen van hout, levend hout. Beter dan vele menselijke filosofen.
Behalve beamen en vraagtekens onderwijzen bomen de leer van het ademen. Bomen verstrekken heel pragmatisch de directe leerstof…zuurstof. Het enige geldige argument voor een levende praktijk.
Zuurstof daar brandt het leven op.

Drie dagen deed ik er over om mijn verhaal aan de Plataan te vertellen. Mijn eenzijdige kant van het verhaal eindigde in een bos van vraagtekens. Ik zuchtte diep en hapte naar adem.
Mijn verhaal doet er niet toe, niet meer dan alle andere verhalen. Wat er toe doet is de zuurstof waarmee we ze kunnen vertellen.

Shakespeare zou gezegd hebben:

“To live or to talk about life, that’s the only real question”

“Een boom planten is de hoogste vorm van filosofie” F. Wildesheim

Openbarend vervoer

God mag weten wie of wat dit ‘Openbarende Vervoer’ organiseert, Het leidt ons in vervoering, wie of wat het ook is?
‘Hij spoort niet helemaal’
,zeggen zij die hun vaste vicieuze traject uitzitten, de forensmensen. Zijn reisgenoten zeggen:
‘Hij spoort helemaal niet!’

Het is er eentje die nog overal zijn eigen spoorrails legt of desnoods spoorloos arriveert, ergens of elders, waar geen normaal mens gevonden wil worden. Wagons laat hij her en der achter op het lukrake traject. Zijn droomlocomotief kachelt nog op stoom, elf en dertig keer zo langzaam. Zijn treinkaartje is een abonnement van 24 uur per dag vrij reizen op voorwaarde dat men nergens heen moet.

“De stoptrein richting einder heeft een vertraging van elf en dertig minuten”, zo laat hij steeds opnieuw omroepen (nasaal door een opgerolde oude krant), om te verhullen dat de stoptrein al sinds wensenheugenis is gestopt met vertrekken. Elke seconde kan een station zijn om tijdloos bij stil te staan.

‘De mens is een tijdelijk perronnetje in de eeuwigheid. Een perronnetje van aankomst en vertrek. En het grote mysterie is: ‘hetgene wat reist is het blijvende!’

F. Wildesheim

Het Hetwoord

Ook al gaat het tegen onze gewoonte in om het hier over
het zelfde te hebben maakt de redactie voor Het een uitzondering,
omdat Het zo’n uitzonderlijk woord is binnen onze taal.
Het is een uniek woord, zo veelzijdig in haar onzijdigheid.
Het kan alles betekenen. Het is het grootste containerbegrip.
Het is het legendarische vat van alle tegenstrijdigheden.

Het wordt evenwel op grote schaal veronachtzaamd en onderschat.
Men ziet Het consequent over het hoofd.
Het zou niets betekenen…
Het zou nietszeggend zijn….??

Het tegendeel is het geval:
Het kan juist van alles nog wat betekenen, zelfs onbepaalde,
abstracte verschijnselen kunnen Het genoemd worden.
Het is beschikbaar voor welke inhoud dan ook.
Het is wellicht het beste wat de taal heeft voortgebracht.

Het is alomtegenwoordig.
Het is een mysterie.
Het is vanzelfsprekend.
Het is wat Het is.

Het

Opeens was Het er. Het was het gesprek van de dag. Een mannetje uit de buurt die zijn hond uitliet had Het bij toeval gevonden. De hond had hem verdoofd naar huis getrokken. Normaal liep hij daar nooit…in een mengeling van lichte paniek en opwinding was hij thuisgekomen waar hij vervolgens urenlang niets anders kon uitbrengen dan: ‘Ach….Tja…hoe moet ik dat uitleggen…ik bedoel…snap je…wat heb ik gezien?..Tja…ach…weetje…’
‘Zeg dan waar je Het hebt gezien, dan gaan we Het bekijken!’ , had zijn vrouw gezegd.
Onderweg bleef de man maar prevelen: ‘Ik weet niet waar ik Het zoeken moet…Het wordt mij allemaal teveel!’.
Als verre buurman werd ik meegevraagd als getuige en ondersteuning.
De man troonde ons mee naar de bewuste plek waar hij Het had gevonden.
Hij wees Het mij terplekke aan…overbodig want Het viel niet te ontkennen, dit was Het!
Zo had ik Het nog nooit bekeken.

De aanblik van ‘Het’ tartte mijn verbeelding…Het was zo totaal anders dan alles wat ik dacht te kennen dat ik mij hier niet aan een beschrijving durf te wagen.

Niemand weet wat Het is…waar Het vandaan komt, zei de man.
Hoe lang is Het al hier? , vroeg ik.
Ik weet niet hoe laat Het was, verklaarde de man.

Het gerucht over Het verspreidde zich snel. Een hele stoet wijkbewoners was ons gevolgd naar de vindplaats.
Men wilde Het met eigen ogen aanschouwen, maar hoe konden ze Het herkennen als Het nergens op leek en Het met niets te vergelijken was…?

Sommigen zeiden: ‘Is dit het nou?’ , ‘Het stelt niks voor’ ,
’Onvoorstelbaar…ik herken Het alleen als onherkenbaar!’
Het nodigde niet bepaald uit tot aanraking of al te dichte toenadering.

Toen Iemand toch te dicht naderde begon Het opeens te praten.
We waren allen met stomheid geslagen omdat Het onze taal sprak:
‘Ik ben Het….Het is nu aan jullie!’, klonk Het.
Er ontstond onmiddellijk een tumult van gekonkel en geroezemoes onder de aanwezigen:
Weet je wat Het is?
Het kan mij niets schelen!
Je wilt niet weten waar Het toe kan leiden!
Het is te gek voor woorden
We moeten Het zeker voor Het onzekere nemen.
Anders neemt Het ons over!
Ja maar, als wij Het niet doen doet niemand Het!
Wat heeft Het voor zin?
Niemand weet waar Het toe leidt!

Het vroeg zich intussen hardop af: ‘Waar gaat Het over?’

‘Het is mij te toevallig’ ,zei de vrouw van de man, ‘Het is vast voorbeschikt!’
Is Het niet wonderlijk?
Ja, Het is buiten gewoon!
Je moet Het niet persoonlijk nemen, Het is neutraal.

We moeten Het juiste moment vinden.
Voor Het te laat is…
Als Het even meewerkt dan kunnen we Het voor vanavond hebben opgelost!
We zijn Het meer dan zat.
Kom, ik zie Het niet meer zitten.
Je moet Het ook niet zo overdrijven.
Pas op jongens, Het loopt uit de hand!
Maak Het nou een beetje, zeg!

Weetje wat Het is, Het is gewoon niet normaal!
Inderdaad, Het moet niet gekker worden.
Waar gaat Het nou eigenlijk om?
Wat heeft Het te betekenen?
Nee, de vraag is: Wie bepaalt Het?
Wie Het weet, mag Het zeggen!
Het is mij een raadsel…

‘Stil mensen!’ ,riep de vrouw, ‘Het maakt zich weer kenbaar’
Het begon weer te spreken, heel zacht en timide klonk Het:
‘Ik geloof Het verder wel!’

Gewapend beton


Met oefenbommen van gewapend beton oefenden de Duitsers boven de Kennemerduinen met hun Messerschmidts.
Ook vernietigen moet je kennelijk oefenen, zorgvuldige vernietiging door bommentapijtjes te leggen.
Oefening baart kunst, de kunst van het doelgericht vernietigen.

Is het precisiebombardement een teken van beschaving?
Voorheen gooiden of brandden de barbaren alles lukraak plat.

Is destructie het omgekeerde van kunst of kan het vernietigen van lelijke dingen soms ook schoonheid opleveren?
Bijvoorbeeld de vernietiging van de wapenindustrie…zou dat schoonheid brengen?

Na de destructie kunnen er weer standbeelden van oorlogshelden geboetseerd, medailles en onderscheidingen opgespeld.
Liefst gegoten uit het zelfde brons als de granaathulzen.

De oefenbommen zijn van gewapend beton, zware wapens uit het stenen tijdperk. Beton is niet om te smelten.
Ze liggen nog her en der in duinen. Ze liggen onschuldig te zijn.

Voorwaarde voor waarde

Voorwaarde voor waarde

Van nul en generlei waarde is de voorwaarde.
Elk cijfer bestaat uit 1 of meerdere enen.
De nul kan alle getallen verheffen en opheffen.

Nul is geen cijfer, nul is de afwezigheid van alle getallen.
Zoals wit geen kleur is, stilte geen klank is,
smaakloos geen smaak, zo is nul geen nummer.

Alle cijfers zijn in feite 1, ze verenigen zich rond de nul.
In de speelruimte van de nul verschijnen de cijfers.
Drie enen, veertig enen of miljarden enen, apart genomen zijn ze 1,
ze veréénzamen, samen zijn ze één, veelvoudig of enkel.

Nummers strijden niet om de macht van het getal.
Het kan de vijf niets schelen of je er drie vanaf trekt of er zes bij optelt.
Nummers hebben geen benul van aantallen, ze zijn onbenullig.
Je kunt je niets voorstellen bij de nul, elk denkbeeld is al te veel.

In de nul wordt alles één, niets anders is daar toe in staat.
Dat is het wonder van nul, als je hiervan benul hebt kun je benul zijn.

Open bijsluiter


Men denkt te weten dat er geen leven is na de dood, anderen denken van wel.
Na het sterven zullen geen van beiden hun gelijk kunnen proeven of hun ongelijk toegeven, er is immers niets en niemand.
De dood eindigt in een slot dat op slot zit.
Blijft er wel een bewust zijn over na het sterven dan is iedereen er nog.
Er valt dan niets te erkennen of te ontkennen, een open slot is geen slot meer.

Wat wij zeker denken te weten zegt niets over hoe het werkelijk is, dat is de traditionele benadering in de wetenschap, vermeend objectief.
Overweeg nu eens dat wat wij zeker denken te weten er wel toe doet en zelfs een scheppende werking heeft, zoals bij het placebo-effect, waar totale subjectiviteit kennelijk genezing bewerkstelligt.
Er is bewezen dat het middel geen enkele werkzame stof bevat; kennelijk is vertrouwen en overgave genoeg om het zelfgenezend vermogen te activeren.
Stel dat de mens medeschepper is van deze werkelijkheid dan zou het slim zijn als je dat middel bewust zou inzetten.
Stel dat blind vertrouwen of overgave, wellicht zelfs tegen beter ‘weten’ in, een poort is voor creatie of genezing.

Er heerst een raar meningendogma: dat je in alles een houding moet aannemen van voor of tegen zijn.
Het leven gaat daar niet beter van stromen.
Je kunt heel goed leven door het open te laten en te erkennen:
‘ik weet het niet, het zou kunnen en zo niet dan is het ook goed.’
Hoe leg je uit dat een open houding geen houding is?

De smaak van het verbod


Een hek sluit indringers buiten en het sluit binnen wat ontsnappen wil.
Maar het hek is ook een uitnodiging om er overheen te klimmen.
Wat is daar achter het hek?
Vast iets bijzonders wat ik niet mag weten.
Schapen zijn over het algemeen volgzaam en blijven in de kudde.
Ik ken echter een Texels schaap dat in z’n eentje over het hek springt.
Langs de snelweg groeit nog het beste gras en de lekkerste onkruiden.
Ze proeft daar de heerlijke smaak van het verbod.
Ze ziet mij helaas niet als bewonderaar maar als schapenhoeder.
Wanneer ik nader springt ze even braaf terug het weiland in, voor de vorm.
Ben ik voorbij dan grasduint ze weer in de groenstrook.
Ik moedig haar aan om als vrij schaap over Texel te gaan,
dwars door alle grasduinen.
Dankzij het hek kunnen wij ontsnappen.
Dankzij regels kunnen wij vrij zijn aan beide kanten van het hek.

Het hek als smaakmaker van het bestaan.