Rijzen

Receptuur voor het ongekende:

-Wees alleen beschikbaar voor wat je echt niet laten kunt.
-Denk je het niet te kunnen, doe het dan blind tegen beter weten in,
op zo’n wijze dat je niet meer weet wat je doet of hoe.
-Maak alleen datgene waar, waar niemand op zit te wachten,
waarvan je niet weet wat het voorstelt, of waar het voor is.
-Werk aan dat waarvan je niet weet wat het zou moeten worden,
niet weet of het waarde/betekenis heeft, laat staan dat je weet
wat voor waarde of betekenis het heeft.
-Voer het uit met de grootst mogelijke toewijding,
onthechte betrokkenheid wars van enige verdienste.
-Weg zijn is het geschenk, de weg zijn het onverdiende loon.
-Dit geheel luchtig mengen en voorgoed laten rijzen…

Proef ervan en je weet niet wat je meemaakt.

Oer

Hoe die kleine wolf jou ooit tam maakte weet je niet meer.
Was het je uitgelaten hart dat achter hem aan huppelde
zodra je hem zag…of was het zijn flossige staart die een leidende
rode draad werd in het leven? Harten zijn roedeldieren. De volle maan
laat het hart zingen, bezield janken, want dit bestaan is gewoon te mooi om hier te zijn.
Het wolfje domesticeert de zwerfmens, geeft hem een thuis in
zijn oerspronkelijke natuur, om te janken zo prachtig…oerhart.

Burger

Omdat ons lichtnet al jaren spontaan dimt en fluctueert komt de zoveelste electricien ons huis doormeten. Deze keer een heel aardige Hindoestaan uit Den Haag, een plantaardige welteverstaan. Hij is veganist, draagt vegetarische schoenen en dito broekriem en is praktiserend lid van de Hare Krishna-beweging.
‘Eet je wel planten dan?’ ,vraag ik, terwijl hij overbodige draadjes doorknipt.
‘Jazeker, ik volg een puur plantaardig dieet!’ ,verzekert hij mij enthousiast.
‘Dan heb ik slecht nieuws, ik lees nu net een boek over plantenleven waaruit blijkt dat onze groene vrienden 15 meer zintuigen hebben dan wij mensachtigen!’.
Hij moet lachen om de term ‘mensachtigen’ ,maar kijkt zorgelijk bij het idee dat planten intelligent zouden kunnen zijn. Er blijft weinig te eten over.
Hij neemt het roer van het gesprek graag van mij over en begint te vertellen dat er in Den Haag de beste vegaburgers te koop zijn, met rundersmaak, varken, kipsmaak, vis, kibbeling, gegrild, gebarbecued, in allerlei soorten. Het smaakt hem als echt vlees of zelfs beter.
‘Dan stem je zeker ook op de dierenpartij?’ ,vraag ik hem.
Nee dus, hij is gestopt met stemmen, de politiek luistert toch niet naar zijn ene stem.
‘Maar stem dan voor de dieren, want zij hebben geen stem!’ ,stel ik voor, ‘of wil je wachten tot er een plantenpartij is opgericht?’.
Hij neemt stoïcijns foto’s van onze gemankeerde bedrading en stoppenkast. Hij zal ons stroomprobleem doorgeven aan de volgende electricien. Onze electra is maar bijzaak,
er zit bij ons waarschijnlijk een draadje los, vermoedt hij.
Ik beloof hem bij zijn vertrek een veganistische burger te gaan eten, zonder salade…
Hij belooft te gaan stemmen…niet voor mij, maar voor de dieren.
Weet hij veel dat ik een dier ben geboren in het verkeerde lichaam, het lichaam van een burger? Of sterker nog: een vleesgeworden plant.

Kakkerlakafka

Ik, Koeka Racha groeide op in een veilig warm nest van welopgevoed ongedierte. Als nazaat van een trotse familie adellijke kakkerlakken uit het Carboon, een driehonderdmiljoen jaar oude beschaving. In de vochtwarme sfeer van onze kelderwoning koesterden wij ons kleinburgerlijk geluk. Op een alledaagse doordeweekse morgen riep mama Racha mij wakker: ‘Koeka! Opstaan, nu, hoor je me Koeka?!’. Om naar het insectengymnasium te gaan, ik had immers een tentamen entomologie…tijdens het ontwaken deed ik de gruwelijke ontdekking: het prachtige chitinepantser van mijn uitwendige skelet was verweekt en vleesroze verkleurd, met hier en daar wat vies haar erop. Bij nadere inspectie bleek mijn gehele kakkerlaklijf van gedaante veranderd. Het zweet brak mij uit toen ik mijzelf al huiverend in de door vocht verweerde badkamerspiegel aanschouwde: waar waren mijn fiere voelsprieten?…waar mijn fraai glanzend schilferig schild…ik was veranderd in een afschrikwekkend monsterlijk wezen…in een mensch…van vleesch en bloedch…ch.. Niemand mocht mij zo rozebevleesd betrappen…  ‘Koeka!, waar ben je?’ ,klonk het, ijlings schoot ik de kamelenharen kamerjas van Opa Racha aan, ze zouden mij verstoten of verdelgen als een ongewenste indringer.
Wij, vanuit het Carboon, keken hautain neer op deze inferieure soort, als een nog vrij recent verschijnsel, evolutionair gezien feitelijk een snotneus, bovendien een plaag voor de planeet. Inmiddels was ik ruimschoots te laat voor het tentamen. Mijn entomologische carrière kon ik sowieso wel op m’n buik schrijven.

Sluip

De rivier neemt soms een olifantenpaadje, ze steekt af om dichter bij zee te zijn.
Laatst stond je in een dode file, rivier van blik. Er zat geen beweging meer in.
Ingeblikt ontsnapte je door een sluiproute te nemen die gaandeweg een enorme omweg bleek te zijn. Een ongezocht avontuur dwars door lang onbezochte verwaarloosde gebieden, maar het reed, het stroomde heel lang en langzaam naar huis. Toen je eenmaal aankwam voelde het dan ook heel erg thuis. Soms zijn olifantenpaadjes heel lang, ze maken de belevingswereld intens. Elk vertrek is een sluipweggetje naar huis.

Zuur

‘Daar komt weer een schip zure appelen!’ ,wees mijn vader naar de massief staalblauwgrijze hemelwand die op ons af stevende. Ik keek met ontzag naar dat enorme regenschip, zo groot dat ik de omvang van het gevaarte niet kon afbakenen.
Mijn vader had een plastic gebloemd tafelzeiltje meegenomen om onder te schuilen
Ieder hielden we twee punten vast in afwachting van een verpletterende stortbui…
die niet losbarstte. Het werd wel schemerdonker, maar het schip dreef geruisloos over ons kleurige tafelzeiltje. Hij pelde een oud mandarijntje onder het zeiltje, gaf mij de helft, we genoten. ‘Alsof er een engeltje over je tong piest!’ ,zei hij terwijl het geleidelijk aan weer lichter werd. We hadden de boot gemist.

Zwerm

Vergaderen op z’n indiaans. Indianen komen samen, iedereen kan spontaan spreken over wat hem of haar bezighoudt. Er wordt alleen maar geluisterd tot iedereen is uitgesproken. Er worden geen oplossingen bedacht, geen reacties, geen ongevraagde adviezen. Als iedereen is uitgesproken en het stil blijft is de samenkomst klaar. Ieder gaat z’n weg. De praktijk van samenleven genereert vanzelf dat wat nodig is. Door luisteren raakt iedereen afgestemd en komt de oplossing van wat niet stroomt spontaan op uit het leven zelf. Vraag maar eens een zaal om tegelijkertijd samen een willekeurig toon te zingen, even is er een dissonantie die spontaan oplost in harmonische samenklank, een accoord.
Luisteren geeft kans aan het zwermbewustzijn om zich te manifesteren.
Het is vreemd om intelligentie toe te schrijven aan het individu, alsof een individu apart van zijn context kan worden gezien. De intelligentie van een zwerm, mieren, bijen, termieten, is meer dan de som der delen. Ook planten maken gebruik van zwermbewustzijn, waarom mensen niet? Zwermbewustzijn is de natuurlijke internetverbinding, met oneindig bereik.

Genen 2

Nog immer had ik geen enkele letter op papier. Tijdens het uitlaten van Belko kostte het mij moeite om uit handen van de recrutenjagers te blijven. Ik had de riem losgelaten en rende schreeuwend voor mijn leven achter de roodharige Wolfshond aan. ‘Mijn hond gaat er vandoor!’ Uitgeput kwam ik via een omweg thuis. Het moederland moest weer eens worden verdedigd door moedig in de aanval te gaan. De kameraden waren weer fanatiek aan het werven voor dat groen geüniformeerde monster dat louter prooien doodt zonder ze daarna netjes op te eten.
‘Zinloos sterven is niets voor een ware Beusgard’ ,peperde moeder mij in.
‘Je kunt beter zinloos leven, ik heb je niet voor niets gebaard!’
‘Nou, dus eigenlijk wel voor niets!’ ,verbeterde ik haar.
‘Goed dan…ik heb je gratis gebaard, laat ik het dan zo zeggen’ ,verbeterde ze zichzelf.
Meteen zag ik mij zelf deze zin opschrijven. Deze beginzin bevatte een hele roman
op zich. Overal had ik vergeefs gezocht naar een stukje papier tot ik het bij gebrek aan beter in mijn handpalm krabbelde om nooit meer te vergeten. Moeder Wami was de enige vroedvrouw voor het gehele oude stadsdeel in Warbovald, in het nieuwe weigerde ze een stap te zetten. Principieel was ze tot op het bot. Zo weigerde ze pertinent om zich in geld te laten uitbetalen, alleen in natura. Dan wist je tenminste wat je in huis had. De duurzame geldinflatie had haar gehard in deze overtuiging, waardoor we inderdaad nogal wat in huis hadden. Onze woning was een soort van spullenmagazijn van overbodige voorwerpen en levensmiddelen, analfabetisch gerangschikt. Moeder wist ongeveer precies waar haar ruilwaren tussen of onder lagen, meestal eronder. Dingen waar niemand op zat te wachten, tot je ze opeens hoogstnodig had. Ons adres werd door de jaren heen een plek van openbare ruilhandel
zonder sluitingstijden. Midden in de nacht kon er iemand aanbellen om het overbodige te ruilen voor een eerste levensbehoefte. Uiteindelijk wilde moeder alleen nog maar conservenblikken incasseren, corsetten had ze inmiddels genoeg. Droge worst wilde ook ze niet meer sinds Belko daar lucht van had gekregen en de voorraadkamer had geplunderd. Toiletpapier was er al jaren niet meer te krijgen nadat de fabriek was afgebrand. Langzaam begon ik te begrijpen waarom mijn schrijverschap maar niet wilde vlotten. Elk snippertje papier werd voor andere, nog dringender behoeftes benut.

Genen

Vandaag vroeg opgestaan, met zo’n onbedwingbare drang om te schrijven, maar had geen beginzin, geen onderwerp. Verweesd langs de oever van de Umber gelopen, die buiten haar oevers was getreden door de gesmolten gletscher. Halverwege de zonnige parkzijde kwam ik Barvo Vorelsmani tegen die zijn roman Parkietenvlees net had gepubliceerd. De recensies waren laaiend vertelde hij gedeprimeerd. We dronken wat Schervensap, illegaal gestookte genever, bij kiosk Fourai naast de vermaarde Vezilsbrug. Barvo moedigde mij aan te gaan schrijven, het maakte niet uit wat. Ik klaagde dat ik het zo graag wilde maar er steeds niet aan toe kwam. ‘Telkens komt er wat tussen Barvo, wordt er aangebeld, gaat de telefoon, blaft de buurhond tegen de kat op het balkon van juffrouw Wasselgenk…het is gekmakend!’
‘Bazel niet Beusgard, blinde daadkracht, daar komt het op aan, knip godnogaantoe alle kabels door inclusief die hondenriem, jaag dat kreng de straat uit, maar schrijven zal je!’ ,riep Vorelsmani begeesterd, ‘ons soort volk is daartoe voorbestemd!’
‘En vergeet dat wufte wezen van Wasselgenk…die gunt jou geen blik waardig Beus!’
Ik moest hem beloven zijn advies uit te voeren en bedankte hem. God, wat had ik zin om te gaan schrijven, ik kon niet wachten om te beginnen. Maar eerst knipte ik de vaste telefoonlijn door, de deurbel saboteerde ik door een kartonnetje tusen de contactpuntjes te leggen…zo eindelijk rust. Even wat eten en dan zou ik achter mijn bureau plaatsnemen, het bureau van mijn grootvader Darpo die ik nooit had gekend.
Die was notulist geweest bij de Partij, talloze partijvergaderingen had hij uitgewerkt tot hij er zelf de partij werd uitgewerkt. Het schrijven zat mij dus in de genen zo maakte ik mij zelf wijs. Ik had wel eens wat dingetjes geschreven…op winkelbonnetjes, op onbezorgbare enveloppen van mijn vader die postbode was. Mijn vader las geen boeken, maar wel de brieven die hij moest bezorgen. De wereld was een levende roman zo hield hij mij voor. Waarom verzonnen literatuur lezen als je het echte leven kon lezen van echte mensen van vlees en bloed met een eigen brievenbus. Waar moest ik over schrijven? Ik maakte nooit iets mee. Ik was een man zonder geschiedenis. En hoe moest je beginnen, welke eerste zin was de juiste beginzin? Ik wilde net mijn pen op papier zetten toen er hard op mijn deur gebonkt werd. ‘Hé, Beusgard, je had beloofd Belko uit te laten, hij heeft in de salon gepist!’ ,klonk het.
Het was buurman Momzi, die naar de tandarts moest om de gevel van zijn huis te schilderen, betaling in natura in ruil voor het nieuwe bovengebit dat Momzi steeds beter ging passen. Inwendig vloekte ik: ‘Waar moet ik over schrijven, ik weet niets en nu die hond weer…en ik hou zo van schrijven…er stroomt van nature pure inkt door mijn aderen…of moet ik mij beter omscholen tot postbode?’ Toen ik opendeed kreeg ik meteen een warmnatte lik in mijn gezicht van Belko, de Ierse Wolfshond. Momzi lachte zijn nieuwe tanden bloot.

Krul

Onze bovenbuurman Oscar houdt slangen en van Wagneropera’s. Wat moet je ermee op een vrijgezellenflatje zou je zeggen?…maar goed, hij houdt ervan, leven laten leven… Ieder zijn eigen aardigheid…echter vanochtend was het weer zover, voor de zoveelste keer struikel ik over zijn zes meter lange Anaconda die midden in ons trappenhuis zijn prooi ligt te verteren. Oscar begrijpt nooit hoe Tristan kan ontsnappen! Niet dat ik bang ben, zijn giftanden zijn immers getrokken. Maar het is gewoon vervelend zoiets exotisch op je nuchtere maag. Dus ik pak het beest bij z’n staart en sleep hem naar de voordeur van Oscar, een trapportaal hoger en bel ongedurig aan. Na wat gestommel staat Ossie in de deuropening met een vette Boa om z’n ongeschoren nek in een zee van symfonisch gedonder.
‘Wat is er loos Duco?’ ,vraagt hij slaperig, terwijl Wagners pompeuze Walkürenrit gestaag doordendert.
‘Nou, dat lijkt mij duidelijk, niet?!’ ,schreeuw ik, ‘jouw Tristan hier is weer eens ontsnapt, kijk!’ Ik hou de slangestaart voor zijn neus omhoog.
‘Dat is Tristan niet’ zegt Ossie lakoniek, ‘dat is Isolde… zie je dat niet, Isolde heeft een krulstaart?’ De krul was mij inderdaad ontgaan.
‘Is dit je nieuwste aanwinst?’ ,roep ik.
‘Ja, maar goed dat je haar terugbrengt’ zegt hij terwijl hij met zijn slangenvangstok Isoldes kop in een lus manoeuvreert en stevig aantrekt, ‘want vandaag moet ik met haar naar de dierenarts, tandjes laten trekken!’
Isoldes staart glijdt weg en ik staar naar mijn trillende handen en barst los:
‘In godsnaam Ossie waarom…mag dat bombastische kabaal trouwens even uit…waarom nog zo’n slang, je hebt er al negen!…we hadden wel gebeten kunnen worden…als mijn vrouw dit hoort…!’
‘Duuk luister!’ ,begint Ossie: ‘een anaconda is hoe dan ook niet giftig, het een wurgslang…kijk je stemt wel op de dierenpartij maar je hebt geen verstand van de natuur en dan nog iets…ik doe het niet voor mezelf, maar voor Tristan, begrijp je, hij is eenzaam, met een beetje geluk krijgt Isolde een nestje!’.
Inmiddels ben ik door mijn knieën gezakt en krijs smekend: ‘Maar buur, mag dan alsjeblieft die muziek uit?’
Meewarig hoofdschuddend kijkt Oscar op mij neer.
De Walkürenrit is toevallig net ten einde.