Genen3

Buurman Momzi had zijn gebit ‘afbetaald’, in natura, dat wil zeggen dat de gevel van de tandarts er weer mooi witgekalkt bij stond. Nu hoefde ik Belko niet meer uit te laten. Inmiddels had ik wel de hand kunnen leggen op papier, oude partijnotulen van Opa die voor het toiletgebruik werden verstrekt. Vader had ze op zolder gevonden en ze weggeborgen in zijn geheime afsluitbare Wedelbeier-kast, alsof het waardepapieren betrof. Per wc-bezoek konden we één zuinig velletje van hem krijgen. Ik gebruikte ze niet, maar verzamelde de lege achterkantjes voor mijn ‘Magnus Opus’, mijn literaire meesterproef. Inkt had ik genoeg, flessen vol van grootvader. Het was nu rustig afwachten geblazen voor het juiste moment. Intussen broedde ik op een pakkende titel, alsof de juiste titel het zaadje was waaruit het boek zou ontkiemen. Over het verhaal maakte ik mij geen zorgen dat lag al helemaal besloten in die perfecte beginzin: ‘Ik heb je gratis gebaard!’ Dag na dag mijmerde ik al lanterfantend over de definitieve titel.
‘Trechterziel’ viel af, ‘Woestijnhaar’ was te enigmatisch, ‘Vlooienmacht’ verklapte weer teveel. ‘Mensensafari’ leek tot nog toe de beste. Hele hoofdstukken had ik kunnen schrijven terwijl dure tijd gestaag verdampte door zinloos gezoek, laf uitstelgedrag.
Ik dorst mij niet meer bij kiosk Fourai te vertonen uit angst om de gevierde auteur van ‘Parkietenvlees’ tegen het lijf te lopen. Barvo Vorelsmani zou mij meedogenloos de les lezen, uitfoeteren dat ik nog niet begonnen was met blinde daadkracht. Zijn ogen schoten verzengend vuur in mijn verbeelding, er bleef slechts een hoopje as van mij over. Hoe kon ik hier ooit uit herrijzen als een Feniks, hoewel herrijzen?… ik was nog niet eens uit het ei!
“Gewoon beginnen….gaan, metéén!….op mensensafari!” ,dreunde het door in mijn bovenkamer waarvan ik zojuist de huur had opgezegd….het nu werd ijzingwekkend stil…mijn lichaam begaf zich als een automaat achter het bureau…gestuurd door een buitenaardse macht? Ik werd een getuige…dat mijn hand begon te schrijven. Als betoverd las ik elke letter mee van de schrijvende hand. De ene volzin na de andere vloeide uit mijn vulpen tot die zich leegschreef…..geen probleem, inkt zat.
Grootvaders flessen walnoteninkt stonden binnen handbereik. Met moeite ontkurkte ik de zware zwarte flessen met dat prachtige etiket. Een vreemde en toch bekende geur steeg op uit de dikke flessenhals. Doorzichtige inkt? Had opa Darpo voor de geheime dienst gewerkt…onzichtbare inkt? Welnee, ik rook het al…honderd procent huisgestookte jenever, ingedikt ‘Schervenwater’. Die oude notulist had zich zelf natuurlijk moed ingedronken om al die partijwaanzin op te kunnen schrijven. De geheime inktdrinker. Ik besloot er een te nemen als nagedachtenis aan mijn schrijvende voorzaat. Sterk spul, maar het dronk te lekker weg…alles verzonk in een waas…het begin was er. Het begin van een monumentaal delirium.

Genen 2

Nog immer had ik geen enkele letter op papier. Tijdens het uitlaten van Belko kostte het mij moeite om uit handen van de recrutenjagers te blijven. Ik had de riem losgelaten en rende schreeuwend voor mijn leven achter de roodharige Wolfshond aan. ‘Mijn hond gaat er vandoor!’ Uitgeput kwam ik via een omweg thuis. Het moederland moest weer eens worden verdedigd door moedig in de aanval te gaan. De kameraden waren weer fanatiek aan het werven voor dat groen geüniformeerde monster dat louter prooien doodt zonder ze daarna netjes op te eten.
‘Zinloos sterven is niets voor een ware Beusgard’ ,peperde moeder mij in.
‘Je kunt beter zinloos leven, ik heb je niet voor niets gebaard!’
‘Nou, dus eigenlijk wel voor niets!’ ,verbeterde ik haar.
‘Goed dan…ik heb je gratis gebaard, laat ik het dan zo zeggen’ ,verbeterde ze zichzelf.
Meteen zag ik mij zelf deze zin opschrijven. Deze beginzin bevatte een hele roman
op zich. Overal had ik vergeefs gezocht naar een stukje papier tot ik het bij gebrek aan beter in mijn handpalm krabbelde om nooit meer te vergeten. Moeder Wami was de enige vroedvrouw voor het gehele oude stadsdeel in Warbovald, in het nieuwe weigerde ze een stap te zetten. Principieel was ze tot op het bot. Zo weigerde ze pertinent om zich in geld te laten uitbetalen, alleen in natura. Dan wist je tenminste wat je in huis had. De duurzame geldinflatie had haar gehard in deze overtuiging, waardoor we inderdaad nogal wat in huis hadden. Onze woning was een soort van spullenmagazijn van overbodige voorwerpen en levensmiddelen, analfabetisch gerangschikt. Moeder wist ongeveer precies waar haar ruilwaren tussen of onder lagen, meestal eronder. Dingen waar niemand op zat te wachten, tot je ze opeens hoogstnodig had. Ons adres werd door de jaren heen een plek van openbare ruilhandel
zonder sluitingstijden. Midden in de nacht kon er iemand aanbellen om het overbodige te ruilen voor een eerste levensbehoefte. Uiteindelijk wilde moeder alleen nog maar conservenblikken incasseren, corsetten had ze inmiddels genoeg. Droge worst wilde ook ze niet meer sinds Belko daar lucht van had gekregen en de voorraadkamer had geplunderd. Toiletpapier was er al jaren niet meer te krijgen nadat de fabriek was afgebrand. Langzaam begon ik te begrijpen waarom mijn schrijverschap maar niet wilde vlotten. Elk snippertje papier werd voor andere, nog dringender behoeftes benut.

Genen

Vandaag vroeg opgestaan, met zo’n onbedwingbare drang om te schrijven, maar had geen beginzin, geen onderwerp. Verweesd langs de oever van de Umber gelopen, die buiten haar oevers was getreden door de gesmolten gletscher. Halverwege de zonnige parkzijde kwam ik Barvo Vorelsmani tegen die zijn roman Parkietenvlees net had gepubliceerd. De recensies waren laaiend vertelde hij gedeprimeerd. We dronken wat Schervensap, illegaal gestookte genever, bij kiosk Fourai naast de vermaarde Vezilsbrug. Barvo moedigde mij aan te gaan schrijven, het maakte niet uit wat. Ik klaagde dat ik het zo graag wilde maar er steeds niet aan toe kwam. ‘Telkens komt er wat tussen Barvo, wordt er aangebeld, gaat de telefoon, blaft de buurhond tegen de kat op het balkon van juffrouw Wasselgenk…het is gekmakend!’
‘Bazel niet Beusgard, blinde daadkracht, daar komt het op aan, knip godnogaantoe alle kabels door inclusief die hondenriem, jaag dat kreng de straat uit, maar schrijven zal je!’ ,riep Vorelsmani begeesterd, ‘ons soort volk is daartoe voorbestemd!’
‘En vergeet dat wufte wezen van Wasselgenk…die gunt jou geen blik waardig Beus!’
Ik moest hem beloven zijn advies uit te voeren en bedankte hem. God, wat had ik zin om te gaan schrijven, ik kon niet wachten om te beginnen. Maar eerst knipte ik de vaste telefoonlijn door, de deurbel saboteerde ik door een kartonnetje tusen de contactpuntjes te leggen…zo eindelijk rust. Even wat eten en dan zou ik achter mijn bureau plaatsnemen, het bureau van mijn grootvader Darpo die ik nooit had gekend.
Die was notulist geweest bij de Partij, talloze partijvergaderingen had hij uitgewerkt tot hij er zelf de partij werd uitgewerkt. Het schrijven zat mij dus in de genen zo maakte ik mij zelf wijs. Ik had wel eens wat dingetjes geschreven…op winkelbonnetjes, op onbezorgbare enveloppen van mijn vader die postbode was. Mijn vader las geen boeken, maar wel de brieven die hij moest bezorgen. De wereld was een levende roman zo hield hij mij voor. Waarom verzonnen literatuur lezen als je het echte leven kon lezen van echte mensen van vlees en bloed met een eigen brievenbus. Waar moest ik over schrijven? Ik maakte nooit iets mee. Ik was een man zonder geschiedenis. En hoe moest je beginnen, welke eerste zin was de juiste beginzin? Ik wilde net mijn pen op papier zetten toen er hard op mijn deur gebonkt werd. ‘Hé, Beusgard, je had beloofd Belko uit te laten, hij heeft in de salon gepist!’ ,klonk het.
Het was buurman Momzi, die naar de tandarts moest om de gevel van zijn huis te schilderen, betaling in natura in ruil voor het nieuwe bovengebit dat Momzi steeds beter ging passen. Inwendig vloekte ik: ‘Waar moet ik over schrijven, ik weet niets en nu die hond weer…en ik hou zo van schrijven…er stroomt van nature pure inkt door mijn aderen…of moet ik mij beter omscholen tot postbode?’ Toen ik opendeed kreeg ik meteen een warmnatte lik in mijn gezicht van Belko, de Ierse Wolfshond. Momzi lachte zijn nieuwe tanden bloot.