de Hemelvisser

De dag van vandaag liep ten einde, schemer begon samen met de zon neer te dalen.
Hoelang stond stil aan de oever van zijn geliefde visvijver.
Zijn wandelstok stak hij door het spiegelgladde oppervlak, door het spiegelbeeld leek zijn stok in de wolkenlucht te prikken.
Hij genoot ervan de brasems hoog in de wolken te zien zwemmen en de pasgeboren maan op de vijver te zien drijven.

‘Zo, ben je aan het vissen, Hoelang’ vroeg Droge Noot die terug kwam van de markt.
‘Wie zal het zeggen?’ zei Hoelang schouderophalend,
‘misschien wijs ik de vissen wel de weg naar de hemel’
Hij wees met zijn wandelstok naar de maan die vaag oplichtte in het blauw.
‘Er zit geen vis aan je hengel, maar je hebt ook geen lijn!’
‘Zouden de vissen dat betreuren?’ vroeg Hoelang met een glimlach.
‘En waar is het aas als je geen lijn hebt?’
‘Misschien zwemt het aas wel in het water’
Hoelang strooide denkbeeldige broodkruimels in het water?
De brasems kwamen boven om naar het denkbeeldige voer te happen, gewend om dagelijks gevoerd te worden door Hoelang.
‘Wat doe je nu weer?’ vroeg Droge Noot ongeduldig.
‘Ik voer het aas, het zal wel honger hebben’
‘Je bent een dwaas Hoelang, hoe kun je zo ooit een vis vangen?’

‘Beste Droge Noot, deze vissen zijn toch al veel te oud,
ze smaken te sterk, gronderig en de jonge vissen hebben nog geen smaak, ze smaken nog nergens naar’

‘Maar de vissen dan die tussen oud en jong in zwemmen?’ vroeg Droge Noot.
‘Die zijn zo perfect’zei Hoelang met een brede grijns,
‘zonde om op te eten, die gooi ik meteen terug, tenminste als ik ze ooit zou vangen’

‘Nu even serieus Hoelang, wat sta hier te doen met die kale stok?’
‘Er is hier niemand aan het vissen, jij dacht hier een visser te zien, maar ik roer gewoon met mijn stok in deze koude vissoep, dat zie je toch’
Droge Noot moest lachen om de denkbeeldige visser.
Hoelang strooide wat denkbeeldig zout in de flauwe vijver.
Samen keken ze hoe de vissen door de volle maan heenzwommen tussen de golvende sterren door.

Wetenschepper

Onderweg naar de plaats van bestemming zag Hoelang overal bergjes aarde langs de kant van de weg, bergjes die er op de heenweg nog niet lagen.
Ergens te midden van die heuveltjes leek de aarde grond op te spuwen.
Bij nader onderzoek ontdekte Hoelang dat er iemand in een gat aan het graven was, hij gluurde over rand van het gat.
‘Wat schept u daar?’ riep Hoelang in de galmende holte.
‘Ik schep de aarde…’
‘De aarde, de aarde is toch al geschapen?’
‘Ik schep aarde uit de grond’
‘Is dit de omgekeerde wereld of schept u grond uit de aarde?’ De man leunde op zijn schep, krabte achter zijn oor en keek bedenkelijk.

‘Wat een berg ruimte zit er dat gat’ zei Hoelang met ontzag wijzend op het bergje grond naast het gapende gat.
‘Ja, daar zit heel wat ruimte in’ beaamde de schepper.
‘Bent u dit landschap aan het herscheppen?’
‘Welnee zeg, ik heb wel wat beters te doen, ik ben namelijk wetenschepper, mijn naam is alom bekend’
‘Ik sta bekend als Hoelang, maar wat zei u nu, schept u weten?’
‘Jazeker, ik graaf het weten op, het weten ligt hier overal voor het opscheppen!’
‘Boeiend vertelt u verder..’
De wetenschepper ging op de rand van het gat zitten en verklaarde zijn aanwezigheid:
‘Als wetenschepper doe ik hier onderzoek naar het ongrijpbare, zodra ik iets gevonden heb dan geef ik het een naam om er grip op de krijgen, en voor ik het weet begrijp ik opeens mijn eigen begrip’
De gatengraver keek er triomfantelijk bij.

‘Wat heeft u zoal gevonden?’
‘Ach, te veel om op te noemen, stenen, wortels, scherven, van die dingen…vreemde beestjes, soms een mol.., maar meestal vind ik niets’
‘Maar als u niets vindt, wat denk u dan te te begrijpen van het begrip?’
‘Zie hier!’ de schepper wees naar het zojuist gedolven gat:
‘Ik schep hier een gat, het gat is vol met niets, het levende bewijs dat hier niets te vinden is!’
‘Wat voor soort weten schept u dan?’
‘Wel, een weten dat het hier in ieder geval niet is, dat soort weten’ de wetenschepper leek enigszins geirriteerd.
‘Mmm, dus u weet nu waar het in ieder geval niet is…, maar wat is hier dan niet?’
‘Het ongrijpbare mysterie natuurlijk, het ongrijpbare is de wetenscheppelijke naam voor mysterie, dat is toch evident,’ riep de schepper.
‘Inderdaad’ erkende Hoelang, ik zie niets, wat al een mysterie op zich is’
Maar hij wilde de man niet in verlegenheid brengen.
‘U zult het wel weten, als wetenschepper’
‘Wij wetenscheppers geloven in begrippen begrijpen, we denken dat het mysterie zich nergens verbergt, onafgebroken brengen we alle graafplekken in kaart, zo bewijzen dat het mysterie niet bestaat’
‘En wat dan?’
‘De kans dat we haar niet vinden wordt met de dag groter!’ riep de schepper opgewonden uit,
‘als we haar nergens hebben gevonden dan is bewezen dat het ongrijpbare niet bestaat’
‘Weet u dat zeker?’
‘Zeker weten, en als we toch een mysterie vinden, dan lossen we het gewoon op!’
‘Wat, oplossen, waarin dan, in water? Vroeg Hoelang verbaasd.
‘Nee, niet in water, in theorie natuurlijk’ de wetenschepper werd een beetje ongeduldig van zoveel onbegrip.
Hoelang, die nog nooit een theorie had gezien vroeg:
‘Hoe ziet theorie er eigenlijk uit?’

‘Dat moet je zo zien: theorie is een soort recept voor een maaltijd, in het geval van het mysterie is het een recept voor iets oneetbaars, hoe dan ook, na het eten is de maaltijd weg, maar de theorie blijft’
Hoelang was sprakeloos en zei: ‘Mag ik u als dank voor uw uitleg te eten uitnodigen?’
De maag van de wetenschepper rammelde hoorbaar van al dat gegraaf.

Thuis zaagde Hoelang met moeite zijn kookboek doormidden en legde iedere helft op een schoon bordje.
‘Theorie alleen is misschien wat droog’, zei Hoelang en zette een grote kan water op tafel.
De wetenschepper keek alsof hij water zag branden.
Zijn honger verdween terplekke, op onverklaarbare wijze.

Stil gebaar

Op een schijnbaar gewone dag liep er een zwart hondje achter Hoelang aan.
Het dier volgde hem als zijn schaduw, hij liep zelfs precies in de schaduw van Hoelangs lange gestalte waardoor je hem niet makkelijk opmerkte.
Hoelang had niets in de gaten toen hij in de avondschemering naar zijn vriend Oude Bast liep.
‘Zeg Hoelang, sinds wanneer heb je een hondje? ‘ vroeg Bast met zijn hoge stem.
Hoelang keek verrast om zich heen en vond in zijn schaduw een klein zwart hondje dat kwispelde.
‘Ik zie geen gezicht zo zwart is zijn snuit, geen oogjes’
Hoelang tilde het beestje op en zag dat zijn lange zwarte haar voor zijn oogjes hing.
‘Heb je een schaar, Oude Bast? , dan geven we hem een gezicht’ ‘Een kraai bestaat niet in de nacht’ zei Bast en gaf een snoeischaar.
Voorzichtig snoeide Hoelang het haar weg voor de oogjes, ze begonnen te glimmen bij het kaarslicht.
Het hondje rolde wellustig over de grond.
‘Kijk nou, deze jongen is een meisje’ wees Oude Bast naar het kale buikje.
‘Ben je verdwaald?’ vroeg Hoelang terwijl hij haar aaide.
Ze keek schuin omhoog.
‘Ze denkt vast dat jij haar baasje bent, Hoelang!’, ‘ ik zie haar al dagenlang achter je aanlopen’
‘Denk jij dat honden denken?’
‘Ik denk het wel, ze trekken vaak een frons in hun voorhoofd,met echte rimpels net als denkmensen!’
‘aha, denken is dus rimpels maken en scheef kijken’
‘Als rimpelingen in de vijver’
‘Wat, denk je nu ook al dat water denkt?’
‘Ach, het is niet ondenkbaar, zou dus kunnen’ zei Bast.

Hoelang fronsde zijn voorhoofd om te voelen hoe denken rimpels maakt en andersom, rimpels die zorgen baren.
Als voelend aan zijn voorhoofd probeerde hij aan het denken te denken en zich het leven van een denkmens voor te stellen… Intussen was de hond tegen Hoelangs voeten aan gaan liggen.
‘Wat denk je?’ vroeg Bast.
‘Als ik denk aan het water en voel mijn rimpels, het lijkt dan net alsof ik diep denk, maar dit mooie hondje moet toch van iemand zijn, iemand is haar kwijt en mist haar waarschijnlijk’ ‘Dat zou kunnen, maar ben jij van iemand?’
Hoelang vroeg zich af van wie hij was.
‘Niemand is toch van iemand’
Hoelang pakte het hondje op.
‘Waar kom je vandaan kleine, waar is je huis, zoek je baasje, dan volg ik je.’
Hij zette het op de grond, maar het verroerde zich niet.
‘Zo te zien heeft ze haar baasje gevonden, jij boft maar Hoelang’
‘Hoe noem je haar, Geen Gezicht?’
‘Ja, zolang we haar huis niet vinden heet ze GeenGezicht’
Samen vierden ze de komst van de kleine.
Hoelang liep op de tast naas huis, in de alomvattende duisternis was geen hond te zien, hij voelde de kleine tegen zijn been aanleunen.

In de komende dagen vroeg hij aan iedere voorbijganger van wie het hondje kon zijn, niemand wist het.

De volgende dag kwam Wolkenhoeder het dorp binnenlopen, zijn kudde bevolkte de nauwe straatjes van het Lifeng.
‘Hee, Hoelang, ik hoorde het van Malse Twijg dat jij mijn hond hebt gestolen’
‘Wat, is dit jouw hond? neem hem maar om je schapen te hoeden’
‘Welnee, ik ben blij dat je hem hebt gestolen, hij waakt niet over de schapen, hij slaapt bij ze middenin de kudde, veilig en warm’
‘Ik heb niets aan zo’n hond, dagenlang heb ik hem voorgeblaft, maar dat kon hij ook al niet, de schapen waren niet voor hem, ze liepen alle kanten op’

‘Het is een vrouwtje, Wolkenhoeder, maar als ze onbruikbaar is dan past ze misschien wel goed bij mij’
‘Aha, daarom, ze is te lief, ze luistert wel goed, maar ze doet nooit wat je zegt’
‘Dank je wel, voor dit onbedoelde geschenk’ zei Hoelang opgelucht.
‘Wat ga je nu met haar doen’ vroeg de herder nog.
‘Niets natuurlijk, het nutteloze laat zich nu eenmaal nergens voor gebruiken’

Geen gezicht bleek later doof te zijn en alleen gebarentaal te lezen.
Hoelang noemde haar nieuwe naam met een stil handgebaar.
Niemand wist hoe het hondje heette, een geheim tussen haar en haar baas.

Oersoep

Hoelang wandelde met zijn neus in de lucht naar zijn huis om het geurspoor goed te kunnen opsnuiven.
Lifeng was berucht in de wijde omgeving om haar soep.
Het was een vage rooklucht maar onmiskenbaar warm.
De geur werd steeds sterker toen hij bij het huis van Slingerend Pad kwam.
De vrouw van Slingerpad, Bemoste Schors stond een soep van stenen te koken, je hoorde ze dansen op de bodem van de ketel’
Hoelang klopte iets te hard op de deur waardoor die uit het scharnier viel.
‘Hoelang, je kent je eigen kracht niet’ lachte Slingerend Pad.
Onverstoorbaar roerde Bemoste Schors door de magere soep, toen ze Hoelang zag bood ze hem een houten lepel met lauw vocht aan.
‘Wil je even proeven, of de soep al op smaak komt?’
‘Graag, mijn maag rammelt al van verheuging’ zei Hoelang,
‘van wat voor stenen trek je de soep?’
‘Van bemoste zwerfkei, rozenkwarts en een snufje kiezel’
‘Er zit alleen nog geen zout in!’ waarschuwde Slingerpad.
‘Nou, dat kun je goed proeven’ zei Hoelang al slurpend.
De dorpsgenoten stonden smakelijk samen uit de pan te lepelen.
‘Ja, er hoort ook eigenlijk geen zout in, volgens het oorsronkelijke recept’
‘Nou, laat het dan ook maar weg, dat is wel zo puur’
‘Dat treft , we hebben geen zout in huis’
‘Wat bedoel je met ook, van wie heb je dit recept?’ vroeg Hoelang.
‘Van onze dierbare meester Waterige Wind, die zei al dat het heel subtiel van smaak is’
‘Om je de waarheid te zeggen proef ik ook weinig groenten’ merkte Hoelang op.
‘Klopt feilloos, je hebt een goede smaak, het is echte bergbouillon, op bergen groeien geen groenten’
‘Het smaakt anders niet erg sterk oor een bergbouillon’ vervolgde Hoelang.
‘Nee dat kan, ik ben het vocht nog aan het inkoken, het nat moet nog meer indikken zodat de gewenste smaak komt bovendrijven, volgens de legende moet je zo lang doorkoken dat de stenen zijn opgelost!’
‘Het spijt me wel, Slingerpad, maar ik proef in feite helemaal niets!’ zei Hoelang.
‘Wilde jij beweren dat deze legendarische steensoep van mijn dierbare meester nergens naar smaakt?’
‘Sterker nog, het smaakt zelfs niet naar nergens!’
‘Ik geef toe de smaak is wel heel subtiel’
‘Het vult wel als je er veel van eet’ vulde Bemoste Schors aan.
‘Luister, jullie kunnen gewoon niet koken!’ riep Hoelang opeens.

‘Dat zei meester Waterige Wind ook al: jullie kunnen niet koken, alleen soep kan koken’
‘Wij waren zijn slechtste leerlingen omdat we hem niet konden volgen’ gaf Bemoste Schors toe, ze zuchtte en keek diep in de emmer kokende soep op het houtvuur, er dreef steeds een dikke luchtbel op die na enig gepruttel uiteenspatte als een knipoog. Slingerend Pad roerde onbewogen verder.
‘Maar beste Hoelang, misschien heb je geen goede smaak of een heel andere smaak, hoe kun je dat weten?’
Hoelang proefde zijn tong nog eens en erkende:’ Inderdaad, het smaakt anders dan ooit, zo heb ik mijn tong nog nooit geproefd, heb je een glaasje water voor mij?’
‘Om de smaak weg te spoelen?’ vroeg Slingerend Pad met een grijns.
‘Ja graag, met een stukje brood erbij’
‘Nu snap ik het’ zei Hoelang, ‘Jullie koken geen recept maar een legende en dat proef je’

Denkbeeldhouwer

Vandaag de dag wandelde Hoelang dwars door de naaste omgeving van het naburigste dorp om zijn blik te verruimen.
Gaandeweg ontdekte Hoelang dat er geen einde komt aan de naaste omgeving, dat ook de naaste omgeving weer omgeven wordt door de verste verten, die weer door het grenzeloze worden omvat.
Het duizelde hem een beetje dat zijn vertrouwde omgeving zich zo voor zijn ogen uitbreidde tot in het onmetelijke.

Even buiten het naburige dorp liep hij langs een hoge haag, via een doolhof van hagen kwam hij in een binnentuin die toch buiten was.
Hoelang zag overal prachtige open ruimtes tussen de groeisels, ergens in het midden stond een man die behoedzaam hakkende bewegingen maakte rond het midden van een open ruimte, het leek op Tai-chi?
‘Wat een beeldige tuin is dit’ zei Hoelang bewonderend.
‘Mooi dat u daar oog voor hebt, voor een beeldentuin, de meesten zien het niet’
‘Waar bent u mee bezig, als ik vragen mag?’
‘Ik houw hier een nieuw beeld’ verklaarde de man wijzend naar de middenruimte.
‘Waar komt u trouwens vandaan’ zei de houwer die zich voorstelde als Kale Rots.
‘Ze noemen mij Hoelang zolang ze mijn eigenlijke naam niet weten, ik kom hier uit de naaste omgeving’
‘Ach, ik hoor het al, je komt uit Lifeng, dat zegt je accent’ ‘Wat voor beeld wilt u houwen?’ ging Hoelang verder.
‘Een, eh, een denkbeeld’ zei Kale Rots
‘Maakt u vaker denkbeelden?’
‘Louter denkbeelden’ hij kneep zijn ogen toe en beschouwde het beeld op afstand.
‘U bent dus denkbeeldhouwer’
‘Dat zou ik mij kunnen inbeelden, maar het gaat om uitbeelding’ Hoelang wees naar een andere ruimte,
‘Wat stelt dit denkbeeld voor?’
‘Het heet “De Vormgedachte”
‘Ik zie alleen ruimte’ zei Hoelang verwonderd.
‘Dat klopt, dat is bij ieder beeld, de ruimte erom heen schept de beeldvorm, maar mijn beelden zijn zeer ruimtelijk, ze beelden feitelijk de ruimte zelf uit!’
‘Dus de hele omgeving vormt het beeld?’ vroeg Hoelang
‘Zo zou je het ook kunnen zeggen’ zei Kale Rots opgetogen.
‘Maar waar is het beeld zelf dan gebleven’
‘Dat is natuurlijk denkbeeldig’ verklaarde de houwer geheimzinnig.
‘Uw werk is verfijnder dan subtiel’
‘Mijn werk vereist volmaakte materiaalbeheersing, als je iets teveel weghaalt blijft er niets van het beeld over’ waarschuwde Kale Rots, ‘Het is de kunst van het net genoeg weglaten’

‘Wat kost zo’n beeld?’ vroeg Hoelang.
‘Het is onbetaalbaar, voor niemand te koop, een denkbeeld kun je immers niet bezitten, het neemt jou in bezit!’
‘Hoe gaat dat in z’n werk?’
‘Kijk, je maakt ruimte in jezelf, zo dat het beeld bezit van je kan nemen, en blijf waarnemen, als het denkbeeld even niet beschouwd word verdwijnt het als sneeuw voor de zon’
‘Zijn ze zo kwetsbaar?’ vroeg Hoelang
‘Welnee, onverwoestbaar zelfs, omdat ze niet of nauwelijks bestaan, onverwoestbaar als de schaduw van een geur,
het onverwoestbare zit in het schouwen’
Hoelang was er stil van.

‘Welke denkbeelden heeft u nog meer gemaakt?’
‘Ik zal u een rondleiding geven als u wilt?’
‘Heel graag’ Hoelang volgde Kale Rots op de voet.

‘Holle Volte!’ Kale Rots gebaarde richting een nieuwe open ruimte.
Hoelang zag het voor zich hoe de holte zich vulde met alles, de naaste omgeving incluis, ze liepen rustig verder.
‘Dag van Nacht’ wees de houwer aan.
Hoelang zag hoe dag en nacht versmolten tot één tijdloos gebeuren.
‘Zie hier, Het Verzintuig!’
Hoelang kwam ogen tekort om alle verzinsels te kunnen volgen die uit het denkbeeld leken te sproeien als een fontein.
‘Mijn lievelingsbeeld, “De Droge Golf”
Hoelang werd overspoeld door een plotselinge dorst bij de eeste aanblik.
‘Heeft u iets te drinken voor mij? ‘
‘Natuurlijk’ zei Kale Rots met een grijns,’drink wat uit de bron bij het volgende denkbeeld’
Hoelang dronk het droge denkbeeld weg en waste zijn ogen even uit, hij wist niet wat hij zag.
Ik wil je nog één denkbeeld laten zien’
Kale Rots nam Hoelang bij de arm en leidde hem langs
‘De Inraking’ langs ‘Het Geurbeeld’ naar ‘Het Toeschouwende”
Hoelang zag ‘Het Toeschouwende’, hij zag het zelfs moeiteloos met zijn ogen dicht.
Hoelang vergat de tijd en wist niet hoelang hij al zo zat te kijken tot er een vlindertje op het denkbeeld ging zitten waardoor het onmiddellijk bezweek onder het lichtgewicht.

‘Wat vindt je ervan?’ vroeg de de denkbeeldhouwer.
‘Prachtige beelden’ verzuchtte Hoelang, ‘maar dat laatste zien is wel het mooist’
‘Zeker weten’ zei Kale Rots, ‘dat laten deze beelden zien, als je er oog voor hebt, zien zonder denkbeeld’
Hoelang liep door de naaste omgeving terug naar huis, het geurspoor volgend van soep…
Lifeng stond bekend om haar specialiteit.

Hoelang

Hoelang woonde zolang hij zich kon herinneren in China en toch was Hoelang geen chinees.
Dit kan natuurlijk ook iets zeggen over zijn matige geheugen of de afwezigheid daarvan.
Hoelang leek alleen vanuit de verste verte gezien op een chinees, zodra hij dichterbij kwam leek hij totaal iets anders, met zijn blauwe ogen en lange ranke gestalte.
Hij sprak vloeiend chinees toch merkte iedere chinees dat het niet zijn moedertaal was.
Er zijn verschillende verhalen over zijn herkomst, de meest voorkomende is dat hij slapend gevonden werd in een treinwagon op het eindstation van Lifeng, een gehucht van een handjevol huisjes op het bergachtige platteland.
Voor de treinstation aangelegd werd had het gehucht niet eens een naam.
Men vroeg zich af waarom een spoorlijn aanleggen naar een gehucht zonder naam?
De autoriteiten hadden verklaard dat een spoor toch ergens moet eindigen dus waarom niet in het midden van nergens?

De vreemde reiziger had geen bagage bij zich, zelfs zijn geheugen was ver te zoeken, zo was helder geworden bij zijn ontwaken.
In kleine gemeenschap stond hij voorlopig bekend als Hoelang vanwege zijn lange lengte. Voor chinese begrippen was hij uitzonderlijk lang, hij stak boven iedereen uit, verder leek hij onopvallend.
Gaandeweg leerde hij chinees spreken, gekleurd met dat typische lokale accent waardoor hij in de wijde omgeving werd herkend als afkomstig uit Lifeng.
Hoelang zat op het lokale openluchtschooltje bij de kinderen in de klas, onder de moerbeibomen.
Alsof hij opnieuw als een onbeschreven blad ter wereld was gekomen, klaar om zonder voorkennis zijn nieuwe moedertaal te leren.
Het dorp had hem gastvrij opgenomen in hun midden, omsloten zoals een oever een vijver omringt.
Met zijn jonge klasgenoten kon Hoelang lezen en schrijven, na school klommen ze in hem alsof hij een boom was.
Hoelang was thuis zonder te weten waar dat lag of wat dat was. Het voorlopig eindpunt van een onbedoelde reis naar…
‘Voorlopig is alles hier en alles is hier voorlopig’, zo dacht Hoelang.
‘Alles is voorlopig behalve het blijvende, het is dus het beste om hier te blijven’