Vrucht

Vaal Veulen had op de markt een nieuwe vrucht gekocht. De vrucht leek niet op iets anders dat hij kende. De koopman had hem aangeraden voor meester Tandeloos.

‘Kijk nu eens meester wat ik gevonden heb!’,
riep Veulen toen hij thuiskwam.

‘Wat heb je daar nu, dat ding lijkt nergens op…Hoe heet het? ‘, vroeg Tandeloos.

‘ Ik weet het niet meer, de naam ben ik vergeten…maar de smaak…je weet niet wat je proeft, hij smaakt nergens naar….!’

‘dat is bijzonder! ‘ zei Tandeloos verheugd,
‘maar beschrijf mij nu eens precies hoe hij smaakt’, ik heb wel zin in een sappig verhaal!’

Vaal Veulen begon weifelend: ‘Sappig…fris…
Zoetachtig…notig…zachtzuur…..met een lekker weeïge nasmaak’ Tevreden keek hij de oude aan.

‘Klinkt goed’, beaamde Tandeloos, ‘maar nu weet ik nog niets…waar lijkt het op….op een andere vrucht of zo?’

‘Het lijkt op veel vruchten, maar wat ergens op lijkt is natuurlijk nooit hetzelfde…dit smaakt echt nergens naar!’, moest Veulen bekennen.

‘hmm!, Nergens naar…hoe weet je dat…ben je wel eens nergens geweest?’, vroeg Tandeloos, ‘weet jij dan waar nergens naar smaakt?’

De jongen bedacht dat hij, waar hij ook was altijd ergens was geweest en nooit nergens.
‘ U hebt gelijk meester Tandeloos, ik ben altijd ergens geweest en dat noemen we Hier!’

Tandeloos kreeg een raadselachtige grijns op zijn verweerde gezicht en vroeg:
‘Smaakt dan niet alles naar Hier?’

Veulen moest tot tranen toe lachen en wist niet waarom.

‘Kom laat eens mij eens proeven van die Wolbek! ‘, zei Tandeloos opgewekt.

‘U kent hem dus wel!’, riep de jongen en sneed een stuk van de bonkige vrucht af en lepelde het vruchtvlees eruit zoals de koopman het voor gedaan had.

‘Ik heb één eerste keer de Wolbek geproefd, dat was de vorige keer’, Tandeloos slobberde het zo naar binnen en zuchtte verzaligd.
‘kijk, nu weet ik in één hap waar je net nog over zat te bazelen’

Veulen nam zelf ook een hap en proefde onmiddellijk wat de oude bedoelde.

‘Kijk’, zei Tandeloos,’ het proeven van de eerste keer is iets ongekends, je weet niet wat je meemaakt…pas de tweede keer kan er herkenning zijn…maar de eerste keer is vormloos en naamloos…Nu is de kunst om ook de tweede keer als eerste kennismaking te beleven, dan is het Hier onvergelijkelijk!’

Vaal Veulen probeerde de woorden: ‘Nu is de kunst…onvergelijkelijk’ van de oude te proeven…
‘Maar….als je niet weet wat je meemaakt…is dat dan niet nergens?’,probeerde hij voorzichtig.

Tandeloos stak zijn tong uit die zo rood was van de Wolbek en wees naar het puntje.
‘Hier is het…nergens niet!’

‘Dus de eerste keer proeven geeft de lekkerste smaak, welke vrucht het ook is?’
,vroeg Veulen.

‘Ik weet van niks’ zei de oude,’ snij nog maar eens een stuk af van dat heerlijke rare ding!’

Maan

Vaal Veulen had die nacht niet kunnen slapen. Klaarwakker had hij naar de maan liggen turen.

Tandeloos zag het en zei gapend: ‘Zo Vale wat ben jij wakker jongen…ja, wat niet slaapt kan niet ontwaken, nietwaar!’

De jongen had niet goed gehoord wat Tandeloos zei en vroeg: ‘Meester, wat is nu toch de ziel, waar men het soms over heeft?’

De oude keek hem aan zwijgend als een volle maan en zei bedachtzaam:
‘Wat bezielt je, Vaal Veulen om mij deze vraag te stellen?’

‘Omdat er iets in mij wil weten wat het is, de ziel?’

‘Precies dat willen weten, dat is het kenmerk van de ziel’, zei Tandeloos terwijl hij naar de wolk wees die net de maan verduisterde.

‘Maar dat is een kenmerk dat je niet kunt aanwijzen?’

‘Inderdaad, dat is het kennen van het kennen…dat zielsgraag weten is de ziel van het universum…wat zou het universum zijn als het niet wordt gekend ?’

Veulen probeerde zich een ongekend universum voor te stellen, zonder het kennen.
Er verscheen een glimlach op zijn slaperige gezicht.

‘Je houdt het niet voor mogelijk’, zei Tandeloos,’ maar de ziel is datgene wat de tienduizend dingen bezielt… ‘

Het duizelde Vaal Veulen terwijl hij alle dingen in zich op probeerde te nemen.
‘Hoe kan het, dat één ziel alles bezielt?’

Tandeloos greep machteloos in de lucht en keek dan in zijn lege hand.
‘Hoe is een onmogelijke vraag, maar als wat jou onmogelijk lijkt toch mogelijk blijkt, is dat dan geen wonder?’, vroeg Tandeloos

De jongen nam Tandeloos in zich op en zag de gelijkenis van zijn kale schedel met het gezicht van de maan.
‘Is de maan dan ook bezield?’

Tandeloos speurde de ochtendhemel af op zoek naar de maan, die inmiddels was opgelost in het blauwe.

Wijds

Het was op een doodgewone zomerdag dat
Meester Tandeloos plotseling in verwondering mompelde dat hij op deze bewuste dag herboren was, als hij het zich goed herinnerde…?’

‘Maar dan zou het vandaag uw verjaardag zijn!’, riep Vaal Veulen opgewonden, ‘hoe oud bent u dan nu?’

‘Dat zou ik nu even zo gauw niet weten’ , zei Tandeloos nog steeds verstild van verwondering.

Feitelijk wist Vaal Veulen maar heel weinig over Tandeloos, wel kende hij vele wonderlijke verhalen van horen zeggen, waarop de oude lachend verklaarde:
‘Men beweert zoveel over mij dat ik wel tien levens zou moeten leven om al die verhalen waar te maken, maar misschien kun jij een handje helpen om ze waar te maken?’.

‘Wat is dan het mooiste wat u ooit hebt meegemaakt?’, wilde de jongen opeens weten.

‘Dit, Nu, Hier met jou!’

‘Maar meester, u hebt toch veel meer beleefd dan Dit, Nu, Hier?’

‘Welnee, jongen, hoe kom je erbij, natuurlijk niet, want is Dit, Nu, Hier los te zien van Dat, Straks, Daar? of gescheiden van Dat, Toen, Ooit Waar dan ook?’

‘Leeft u dan zo wijds?’

‘Waarom zou je zo smalletjes leven?…het bestaan bestaat over de volle breedte, de langste lengte en de hoogste diepte…
Al moet ik bekennen dat toen de wereld in mij werd herboren wel het wijdste is wat ik nog steeds beleef!’

‘Maar meester Tandeloos u bent toch in de wereld geboren en niet andersom?’

‘Geloof mij Veulen, elk mens wordt in de wereld geboren en daarna wordt de wereld in hem herboren, zo onthult de natuurlijke weg’.

Vaal Veulen probeerde Tandeloos te volgen:
‘Hoe kan die wijdse wereld in een klein mens worden herboren?’

‘Een moeder baart het kind, en het kind baart
een nieuwe wereld, daarom is elk kind een openbaring…en daarom Vaal Veulen is Dit, Nu, Hier het mooiste moment met jou!’

Vaal Veulen was sprakeloos vanwege deze onverwacht mooie verjaardag…Nu, Hier met hem. De hele wereld gallopeerde in de wijdse wei, als een jong veulen dat bokkesprongen maakt, zo voelde zijn hart.

Boodschappen

‘Wat kijk je bedrukt, Veulen’, zei Tandeloos opgeruimd,
‘hoe was het leven in de stad, was er iets te beleven?’

‘…Ik heb wel alle boodschappen gevonden…zei de jongen weifelend,
‘Ze vroegen alleen lastige vragen…wat ik later wilde worden…of ik net zo wilde worden als…?’

‘Ach, je kreeg een ongevraagde boodschap, maar ik begrijp het…net zo worden als die oude tandeloze gek zeker?’, vulde de oude lachend aan.

Vaal Veulen keek beschaamd naar de grond.

‘Dat is toch een heel gewone vraag!’, zei Tandeloos opgewekt, ‘de vraag is alleen niet compleet…’

‘Hoe luidt de hele vraag dan?’

‘Wat wil je later worden… als je alleen maar nu kan zijn!’ ,terwijl zijn wijsvingers naar elkaar wezen. Met één oog keek Tandeloos scherp naar de ruimte tussen zijn wijsvingers.

‘Nu zijn!’, proefde Vaal Veulen die zijn lippen likte.

‘Wat dacht je trouwens over dat later en wat je dan wil worden?’, vervolgde de oude.

‘Ik weet het echt niet…als ik het nu al niet weet, hoe zou ik het later dan moeten weten?’

‘Het is ook heel mooi, Veulen…. om het blijvenderwijs niet te weten!’

‘Blijvenderwijs ?….maar dan weet je het… nooit?’

‘Nu-niet is nooit, maar nooit-niet is altijd’.

‘Onvoorstelbaar’, verzuchtte Vaal Veulen,
‘niet-weten en dat dan blijvenderwijs!’

Het bleef lang stil in het naluisteren van wat er gezegd was.

‘Hoe kwamen we hierop, meester?’

‘Het kwam als bijvangst samen met die ongevraagde boodschap’.

‘Dus nooit een ongevraagde boodschap aannemen, meester?..’

‘Inderdaad, maar wel kijken of er bijvangst is!’

Gieter

Vaal Veulen keek met verbijstering naar meester Tandeloos die met een lege gieter bij de vijver in de weer was. Hij kon niet goed zien wat de oude daar uitspookte.

‘Wat ben u aan het doen meester?’ ,vroeg hij voorzichtig.

‘Ik ben de stilte aan het teruggieten in de vijver zie je?…je zei gisteravond toch dat er zo’n stilte uit opsteeg?’

Soms begon Vaal Veulen te twijfelen aan de helderheid van de oude geest. Even later zag hij Tandeloos in de moestuin een kuil graven.

‘Gaat u een boom planten?’, vroeg hij.

‘Nee hoor, ik schep wat ruimte…moet je eens zien wat een berg ruimte hier onder de grond zit!’, zei Tandeloos met een vreemd lachje.

Vaal Veulen voelde een lichte droefheid in zijn hart ronddwalen.
Weer later die dag zag hij hoe de oude energiek het stenen plaatsje aan het bezemen was, maar wat hij daar wegveegde kon Vaal Veulen niet ontdekken.

Tandeloos zag de jongen verbaasd kijken en legde uit:
‘Ik veeg die vuile schaduwen weg, zie je…ze liggen overal!’

‘Maar, ze blijven gewoon liggen meester, dat lukt toch nooit zo!’

‘Het gaat er niet om of het lukt Veulen, het gaat om de toewijding!’, verklaarde Tandeloos, ‘Kom naar binnen, dan laat ik je iets zien’.

Tandeloos nam een kruik mee naar binnen, deed de deur dicht en sloot de gordijnen.

‘Waarom, maakt u het zo donker?’

‘Omdat je anders niet zo goed kunt zien!’

Tandeloos fluisterde: ‘Let goed op, ik haal nu de stop van de kruik…!’

Vaal Veulen kon zijn ogen niet geloven.
Een klein zwermpje vuurvliegjes vloog door de kamer, ze verzamelden zich rond de veldbloemen die op tafel stonden.

‘Zo is het Veulen, leven vanuit je eigen licht…
je dacht vandaag zeker, die oude Tandeloos ziet ze vliegen, nou dat klopt aardig jongen… of het nu ruimte is of schaduw of stilte of een vuurvliegje, ik zie ze vliegen en bovendien geven ze mijn oude hart vleugels!’

‘Dat is zo gek nog niet’ ,moest Vaal Veulen erkennen.

‘Vanavond mag je ze vrijlaten, maar nu nog niet…ze zouden verdwalen in die zee van licht’.

Malen

Vaal Veulen was moe toen hij opstond om het ontbijt voor meester Tandeloos te malen.
In zijn hoofd en hart maalde het ook nog. Vreemde droombeelden hadden zijn slaap verstoord. Terwijl hij de haver maalde om er pap van te koken bleven flarden onverteerde droombeelden hem bezig houden.

‘Wat betekenen zulke droombeelden, wat willen ze zeggen?’ ,vroeg hij aan Tandeloos
die in zijn nachthemd op het tuinbankje zat.

Tandeloos gaapte naar het ochtendzonnetje en bleef lang stil.
‘Wat is belangrijker…Wat je bent ?…Hoe je bent?….of Dat je bent?’ ,vroeg hij nog een beetje schor.

‘Dat je bent natuurlijk’ ,wist Vaal Veulen onmiddellijk.

‘Precies….dus Wat en Hoe komen pas later op bezoek bij Dat!’ ,verklaarde de oude
rustig met z’n ogen nog dicht in het zonlicht, ‘Droombeelden zijn het levende bewijs dat er iets wakker is in je droom, het wakkere Dat’

‘Maar wat is dan de betekenis?’ ,wilde de jongen weten.

‘Dat is de echte betekenis van alle dromen, dat ene wakkere’

Vaal Veulen keek naar de kale meester alsof hij water zag branden.

‘Het verhaal van de betekenis is alleen maar weer een nieuw droombeeld’ ,sprak de kale bedaard, ‘…en waar blijft de haverpap eigenlijk?’

‘Maar wat dan?’ ,verzuchtte de jongen die al lang met malen gestopt was.

‘Dan kun je altijd nog met open ogen deze dag verder dromen, als het wakkere,
deze dagdroom is vreemder en mysterieuzer dan alle nachtdromen bij elkaar’

‘Ik begrijp er niets van’ ,erkende Vaal Veulen.

‘Dat klopt, het wakkere kan hier geen pap van maken, maar dat hoeft ook niet,
want wie zit er nu op droombeeldenpap te wachten…en wie zou dat moeten eten?

Vaal Veulen keek nu anders naar de dagdroom en zei weifelend:
‘Als ik het goed begrijp valt het niet te begrijpen?’

‘Kom zitten’ ,sprak Tandeloos begeesterd, ‘we drinken vandaag het zonlicht in,
om het wakkere verder aan te wakkeren!’

Dansje

Vaal Veulen had zojuist de waterkruik laten vallen…
‘Waarom zijn de dingen precies zoals ze zijn?’ ,vroeg hij aan meester Tandeloos terwijl hij hem de verse scherven toonde.

‘Ruimte geeft de dingen hun vorm…ruimte is de mal die naadloos om alle tienduizend dingen past, welke vreemde vorm ze ook hebben’

‘Hoe komt ruimte zo veelzijdig?’ ,vroeg Vaal Veulen.

‘Ik weet het niet, wellicht omdat ze overal tegelijkertijd is?….zie je deze plank’ , ging Tandeloos verder: ‘ruimte bepaalt nauwgezet haar lengte, breedte en dikte…ze sluit overal nauwkeurig aan op de huid der dingen.
Zie deze kapotte kruik, ruimte heeft haar gevormd als een gat dat haar van binnenuit omvat…nu is de vormruimte weer vrij’.

‘Maar meester, ruimte heeft geen handen, hoe kan ruimte dan alle dingen vormgeven’.

‘Ruimte maakt gebruik van onze lege handen, van ons lege hoofd, door onze lege handen wordt klei vormgegeven tot een kruik’.

‘En als wij vol zijn?’

‘Dan kan ruimte haar werk niet doen, volle handen kunnen niet vrij handelen, een vol hoofd kan niets ontvangen’.

‘Zijn wij dan eigenlijk geen ruimtewezens?’

‘Ruimtewezens…’ , Tandeloos proefde het woord alsof hij het nog nooit in zijn mond had gehad, ‘wellicht zijn wij geland op deze wonderlijke planeet om handen en voeten te geven aan de ruimte’.

Tandeloos maakte nu een vreemd buitenaards dansje met zijn oude lichaam.
‘Zie je….ruimte werkt spontaan door ons heen, niemand hoeft daar iets voor te doen’.

‘Ik begin steeds minder te begrijpen wat ruimte is’.

‘Daarom wordt ruimte ook wel het mysterie ongeschapen scheppen genoemd’.

Vaal Veulen begreep er niets van en gaf zich over aan het dansje van Tandeloos.
Het voelde alsof zijn hart een gat in de lucht sprong.

Kameel

Vaal Veulen vroeg zich op een dag af wat tijd nou was…
Hij vroeg het aan meester Tandeloos bij zonsopgang.

‘Tijd is als de twee bulten van een kameel’ ,zo begon Tandeloos weifelend,
‘de voorste bult is de toekomst, de achterste bult is het verleden…’
‘ …en het dal tussen die twee bulten ben jij…’

‘Is dat dal dan Nu?’ , vroeg Vaal Veulen verwonderd over de beeldspraak,
hij zag de kameel levendig voor zich.

‘Dat kan… maar het heeft geen zin om dit dal het ‘Nu’ te noemen, dan krijg je er alleen maar een bult bij…..en wie zit daar op te wachten, het dal in ieder geval niet,
het dal noemt zich niet’.

‘Hoe laat is het dal dan….of hoe vroeg?’ ,vroeg de jongen.

‘Wie het dal is kent geen tijd…de duur van het dal is onmetelijk’ ,verklaarde Tandeloos.

‘Maar wat betekent de rest van die kameel dan?’

‘Begrijp mij goed’ ,zei Meester Tandeloos nu heel bedachtzaam, ‘ik heb het hier natuurlijk wel over een kameel zonder benen, kop of staart…en het lijf kun je trouwens ook gerust wegdenken’

‘Dus alleen maar die twee bulten?’ ,

‘Nou ja, ik ben in een ruimhartige bui vandaag’ ,zei Tandeloos lachend,
‘laat die bulten bij nader inzien ook maar weg’.

Vaal Veulen zag nu een grote leegte in de vorm van een kameel voor zich,
tot ook die verdween.

Schaduw

Vaal Veulen was door meester Tandeloos er op uit gestuurd om zijn schaduw
te vinden, vangen en laten zien als bewijs van zijn bestaan.

De jongen was verbijsterd door de onverwachte opdracht…hoe vang je een schaduw?

‘Neem wel een goede lamp mee als je gaat zoeken’ ,had Tandeloos hem nog aangeraden.

Overal waar Vaal Veulen zijn schaduw meende te zien lukte het niet om hem op te pakken en als bewijs te verzamelen. Waar hij ook scheen met zijn lamp leken er schaduwen te ontstaan, maar ze verbleekten onmiddellijk in het zicht van de lamp. De schaduwen schenen sneller dan het licht, ongrijpbaar. Met lege handen keerde hij bij Tandeloos terug.

‘Ik had je net zo goed naar een gedachte kunnen laten zoeken, want gedachten werken net als schaduwschijn’ ,lichtte Tandeloos toe, ‘gedachten lijken net als schaduwen te verschijnen en ze lijken nog sneller dan het licht te verdwijnen, hun niet-bestaan is sneller dan wat dan ook’.

Vaal Veulen keek naar de ruimte tussen zijn vingers.

‘Pas als je ze langdurig belicht zie je dat ze slechts schijnbaar bestaan’.

‘Met welk licht schijnen we dan op onze gedachten?’ ,vroeg Vaal Veulen met de uitdovende lamp in zijn handen.

‘Met zichtlicht?’ ,vroeg Tandeloos terwijl hij zijn ogen sloot.

‘Het licht is uit’ ,merkte de jongen op.

‘Maar het zicht niet’ ,zei Tandeloos tegen het duister.

Kleine verten

Meester Tandeloos liep steeds kleinere afstanden, dat was Vaal Veulen opgevallen.
‘U loopt steeds moeizamer meester’ ,merkte hij schoorvoetend op.
‘Welnee jonge jongen’ ,zei Tandeloos, ‘het loopt gewoon wat korter en krachtiger’
‘Maar meester, u loopt vandaag zelfs achteruit de heuvel op!’
‘Dat klopt wel…achteruit kom ik beter vooruit…en bovendien zie ik de wereld dan steeds kleiner worden…als je altijd maar vooruit loopt worden de dingen groter…’
‘Als u maar niet valt’ ,zei Vaal Veulen bezorgd.

‘Geen zorgen jonge jongen, deze heuvel kent mij door en door, het pad voelt mijn voetzolen al zoveel jaren…’

Vaal Veulen keek met verwondering en bewondering naar de oude vastberaden stappen achteruit van Tandeloos.
Boven op de heuveltop gingen ze samen op in het uitzicht.
‘Hoe vaak heeft u dit al gezien meester?’

‘Nu voor het eerst…’ ,fluisterde Tandeloos turend in de steeds kleiner wordende verten rondom.

‘Hoe groter het zicht, hoe kleiner de dingen’ ,merkte de jongen op.
‘Wat zo mooi is, hier op deze heuvel is niemand aanwezig’

‘Niemand aanwezig?’ ,herhaalde de jongen.

‘Weet je, Vaal Veulen… vanaf nu noem ik je ‘Niemand Aanwezig’ ,kom, gaan we achteruit de heuvel af!’