Wit

Je keek je ogen uit wat zich hier voor mysterieuze dingen afspeelden. Een wezen waarde rond in de fel verlichte ruimte. Alsof het iets zocht wat kwijt was. Met een glimmend plat staafje maakte het wezen vegende bewegingen over bleekwitte flapjes. Het platte staafje werd in een ronde holte gedoopt waardoor er een ondefinieerbare smurrie aan bleef kleven. Waarom die substantie aan dat flapje werd afgeveegd was mij een raadsel. Het leek mij een zinloze materiële verplaatsing.
Het vreemde wezen stapelde de slappe flapjes op een platronde schijf die ze op een nog grotere verhoogde vlakke schijf plaatste. Het staafje viel rinkelend op de harde koude vloer. Het wezen begon zo’n flapje in mijn mond te proppen. Alles kleefde van binnen aan elkaar. Pas later leerde ik dat dit wezen ‘mijn moeder’ en dat het kleefsel een boterham pindakaas heette. Het staat mij glashelder voor de geest. Ik moet ik weet niet hoe jong zijn geweest. Verder is het geheugen aan het voorwoordelijke begin overwegend blanco. Vergeten… typex voor de geest.

ijl

De Sjerpa’s hadden tot nog toe alle klimmers om de route heen weten te leiden.
Een geheimgehouden route die langs de grot leidde. Er waren natuurlijk al lang geruchten over, maar de berggidsen weigerden Zelfs tegen ruime betaling iets los te laten. Ze wimpelden alle speculaties af. Het was een oud volkslegende.
Nu was er die gekgeworden klimmer de berg afgedaald, een Amerikaan die al weken als vermist was opgegeven. Opgewonden en uitgeput deed hij zijn verhaal in de ziekenboeg van het basiskamp. Hij was verdwaald, losgeraakt van de groep in de sneeuwstorm. Blind was hij voortgekropen over de bergwand op zoek naar beschutting. Opeens was hij in een holte terechtgekomen…bijna bevroren de grot binnengekropen… omvat door de eeuwige nacht van de berg. In slaap gevallen tegen iets zachts, zo bleek later toen hij ontdooid en opgewarmd wakker werd. Op de tast had hij zijn zaklantaarn gezocht en in het rond geschenen. Geschrokken van die harige contouren van dat wezen waar hij tegenaan had gelegen. Was het een beer? Die kwamen niet voor in dit onbegaanbare gebergte. Vreemd genoeg werd hij niet panisch merkte hij op. Er kwam een soort sereniteit over hem die hem diep deed zuchten. Het wezen zat rechtop. Was het verzonken in een winterslaap. Nu zijn ogen gewend raakten aan het duister zag hij de witgrijze beharing van het wezen dat ondanks de volledige gezichtsbeharing verder een menselijke gedaante had. In het lantaarnlicht zag hij heel langzaam een wolkje asem ontsnappen dat condenseerde in de omvatting van de koude grotlucht. Elk besef van tijd raakte hij kwijt. Hoelang had hij daar gezeten in verwondering bij dit mysterieuze wezen? Toen de lantaarn geleidelijk aan doofde raakte hij zijn oriëntatie helemaal kwijt. Zijn laatste mondvoorraad had hij gegeten in het besef dat hij terug moest. Op de tast zoekend naar de uitgang raakte hij nog een paar keer de harige gestalte aan die onverstoorbaar bleef zitten. Eenmaal buiten de grot werd hij verblind door het daglicht, de sneeuwstorm was voorbij. De afdaling was een helse tocht geweest.
De Sjerpa’s hadden zijn opgewonden ontdekking bewust weggelachen als zijnde een oude legende. Alles om hun heilige voorvader te beschermen. Het was bekend dat mensen hier gingen hallucineren door uitputting en ijle berglucht.
De klimmer had geen enkel fysiek bewijs van zijn waarneming. Vaak werd hij midden in de nacht wakker omdat hij de gloeiende aanwezigheid van die vacht meende te voelen. Slapen kon hij niet meer, alleen maar sereen waken.

Wijds

De blik op een immer wijkende horizon
legt het af tegen het microscopische panorama
van het innerlijkste binnen.

Ook dat blijft wijken,
hoe kleiner hoe grootser,
hoe minder hoe wijdser.

Het oog op zoek naar vastigheid
vindt hier nergens houvast
in de vrij spelende dynamische energie,
die speelt met de natuurwetten,
fluïde spelregels.

Dit zijn hier is te ver om naar toe te reizen,
er zit geen ruimte tussen dat gene dat kijkt
en dat wat bekeken lijkt.
Zijn is onbereikbaar, zo identiek.

Hul

‘Fortysomething…!’ , zei de dame beschroomd toen het over haar leeftijd ging. Ze wilde kennelijk niet op leeftijd zijn. Het antwoord bleef hangen.
Het verhullen meer onthulde dan haar lief was. Waarom verhullen?
Bang om uitgerangeerd te zijn op de sociale markt? Angst om lelijk te worden en er niet meer toe te doen omdat je na de vijftig richting bejaardheid leeft, richting de dood? Zoiets zal het geweest zijn. Of koketteerde ze, hengelend naar een reactie…dat ze er nog goed uitzag voor haar leeftijd?
Verhulling werkt onthullend. Zoals je weet dat als je genegeerd wordt dat je dan niet onopgemerkt bent gebleven. Verhulling bevestigt en versterkt angsten door ze niet onder ogen te zien. Je laat je beheersen door de oordelen die er rondwaren, kennelijk ben je het eens met die oordelen. Maar hoe kun je schamen voor leeftijd, is tijd verwijtbaar?
Er is geen ontsnappen aan leeftijd. Dat hoeft ook niet want leeftijd is helemaal geen gevangenis. Niemand weet wat leeftijd is. Niemand weet wat getallen zijn, behalve dat het decimale stelsel een eenzijdige afspraak is waar men er van uitgaat dat je daarmee instemt. Sommige kindjes worden als oude mannetjes geboren, anderen blijven een levenslang kinds. Ik ken bejaarden die vitaler en avontuurlijker zijn dan adolescenten. Menige jonge politicus gedraagt zich als verstokte reactionair door zich in een geruit driedelig pak met een ruitjes vest om de bijpassende dollarbretels te verhullen.

Nonjectief

Veel mensen kunnen helemaal niets met begrippen als: subject en object, als men daarmee poogt de werkelijkheid te beschrijven. Ze haken wijselijk af omdat het niet te volgen is. Terwijl het toch zo logisch lijkt, maar hun intuïtie zegt iets anders.
Wat zegt Wiki over deze logica?

“De subject-objectscheiding is sinds Immanuel Kant een algemeen aanvaarde scheiding tussen enerzijds de mens als kennend en onderzoekend subject en anderzijds de werkelijkheid als studieobject, dat buiten de mens gelegen is”

Lees dit een paar keer, trek de wenkbrauwen zo hoog mogelijk op en laat de absurditeit van deze ‘algemeen aanvaarde’ hersenschim tot je doordringen. Het klinkt zo logisch, je heb A en je hebt B. De werkelijkheid als iets wat buiten de mens gelegen is. De mens staat dus los van ‘de wereld’…? Hoe kun je jezelf buiten de werkelijkheid plaatsen? Toch denken wetenschappers dat te kunnen doen. De werkelijkheid is een directe zintuiglijke ervaring, waar kun je een scheiding maken tussen jou en de werkelijkheid? De objectieve wereld zoals wij die beschrijven en ons voorstellen bestaat helemaal niet, ons wereldbeeld is een door en door antropocentrisch misvatting bepaald door onze specifieke zintuigen. Zouden we dieren zijn met geheel andere zintuigen hoe totaal anders zou ‘onze’ wereld er dan uitzien?
De misvatting komt vooral voort uit de denkbeelden die we over de wereld hebben.

Wetenschap koestert een pretentie van objectiviteit die ze niet kan waarmaken. Geen verwijt, want die objectiviteit is domweg niet haalbaar. Het subject doet immers het onderzoek. Elke menselijke activiteit begint bij het subject.
De ‘keuze’ zelf al, om objectief te willen zijn is al een subjectieve aanname. Je kunt best aannames innemen, maar je mag nooit vergeten dat het maar aannames zijn.

De hele verdeling in subject en object is dus onzinnig. Die crisis blijkt in allerlei wetenschapsdomeinen, de psychologie, geschiedenis, economie, filosofie.
Wat blijft er van over zonder die pretentie. Dan blijken het gewoon verhalen te zijn die je kunt geloven of niet of geen van beiden.
Mijn voorstel is een nonjectieve benadering waar het beginsel waarmee het onderzoek gedaan wordt eerst wordt onderzocht. Nonjectief bewust zijn.
Bewustzijn is niet specifiek en exclusief menselijk, maar universeel.
Voor er een wereld kan verschijnen is er toch echt eerst bewust zijn nodig.

Vink

Vogels tellen mee. Daarom deden wij graag mee aan de afgelopen nationale vogeltelling. Dit zou mijn eerste telling worden. Bij voorgaande tellingen had ik verstek laten gaan omdat ik niet wist hoe je zou kunnen voorkomen om steeds dezelfde vink te tellen. Maar deze keer leek dat een overkomelijk bezwaar. Het gaat immers niet om het voorkomen van de vink maar hoe vaak hij voorkomt.
Het regende die ochtend al vroeg in ons voortuintje. De vogelbiotoop lag er uitgestorven bij. We moesten zeker een half uur tellen, het tijdstip mochten wij zelf bepalen. Ons plan was te beginnen bij de eerste waarneming.
Tijdens het ontbijt zagen we niet één vogel bij onze graansilo. Ze waren natuurlijk aan het schuilen voor het noodweer. Koolmees, heggemus, roodborstje, pimpelmees waren onze vaste gasten. We zagen ze dagelijks, behalve vandaag. Vandaag telde niet mee. Het bleef plenzen. Halverwege de dag waren we de hele vogeltelling vergeten, beseften we pas toen we in bed lagen. Score: nul vogels. Wat hadden nu gemeten?
Onze vergeetachtigheidscoëfficient? Ons menselijk onvermogen om zo’n heel futiel taakje te volbrengen? Waar waren wij het levend bewijs van?
De volgende dag vinkten wij gewetensvol de gehele vogellijst af, een nulmeting.

Het rare bij-effect van observeren is het gevoel dat je zelf ook geobserveerd wordt,
dat je object bent in de globale mensentelling. Vogeloogjes die prikken in je rug.

Guru

I had a dream that I was awake and I woke up to find myself asleep.
I always feel that action speaks louder than words.
I have forgotten more than you shall ever know.
Humor is the truth, wit is the exaggeration of the truth.
If any of you cry at my funeral, I’ll never speak to you again.

Stan Laurel

Nip

Onze Siberische buurman laat zich gewoon ‘Willem de Vries’ noemen. Ze zijn genaturaliseerd en geassimileerd met een doorsnee Hollandse achternaam als schuilnaam. Binnenshuis mag hij niet roken van moeder de vrouw. Dus hij rookt zijn sigaretjes in de Fiat Panda voor de deur met knorrende motor want het is winter. Ik heb hem nog nooit zien rijden met zijn mobiele rokershol. De Panda rookt stationair. Willem fietst wel…naar het volkstuinparkje in de buurt, waar hij zijn ‘Datsja’ heeft en net als wij het archaïsche natuurleven probeert na te bootsen. Zo heb ik Wiem leren kennen, dankzij zijn lekke band. Hij verklaart trots te zijn op de volkstuin als laatste overblijfsel van de arbeidersstrijd. Het ventiel van zijn achterband blijkt los te zijn…gedraaid?…
‘Sabotage?’ , vraagt hij mij lachend.
Hij nodigt mij uit in zijn tuinhuisje. Zijn vrouw Mari rookt niet, ze drinkt….op de houtkachel staat hun destilleerapparaat…het druppelt in de samowar. Spijkerwater heet het in de volksmond, zegt zij veelbetekenend. Het blijkt eigen stooksel dat ze uit theekopjes zo achteroverslaan. Zijn vrouw Mari is dol op die theekopjes uit de kringloop, zoveel keus en zo goedkoop. In het proletarisch paradijs was er geen keus. Marie vertelt gespeeld boos dat als Wiem in vrolijke bui is, hij gooit kopje over zijn schouder…kapot…zonde. Dan mag zij weer nieuwe kopen.
Ze lachen mij uit als ik te voorzichtig nip aan het sterke spijkerwater. Het is geen likeur, geen ‘Crème de Punaise’. Of ik volgend keer mijn vrouw meeneem, zij ook moet proeven.

Wens

{CAPTION}

Photo: Jelle Touw©️2019

Het wintermeer ligt er bezwaand bij.
Zij bevaart de ijswoestijn, een maagdelijk scheepje van veren,                                                            dromend van haar maanei hoog
boven de sneeuwwolkenvelden.
Hij waakt over zijn witte bruid,
zijn diepst vervulde wens.

Niemand zou hier iets van weten
zonder het wakend oog van de
camera-mens.
Zwanen schreven dit met hun licht
op uw netvlies, voor nu even vereeuwigd.