Hospice

Herr Kapun zat nu al jaar in jaar uit met zijn tandeloze mond speculaasjes te soppen in het hospice, terwijl hij uitkeek over het besneeuwde Alpenmassief van Wallis.
Soms dacht hij daar in de koude verte een kerstman te zien skiën.
Het best hospice van Zwitserland. Hij wist…dit is mijn laatste rustplaats…hier staat mijn sterfbed. Er mankeerde slechts één ‘ding’. Der Alte Kapun von Myra ging niet dood.
Zo noemde het verplegend personeel hem…’Alte Kapun’.
Hij was de enige echte, naar eigen zeggen…authentiek…’oud antiek’ zo noemde hij zichzelve…zwaar overbejaard en volkomen onthaard, zelfs zijn baard was haar voor haar uitgevallen. Ze lieten hem in zijn nachthemd rondschuiven op zijn driedubbele bergsokken, elk schoeisel deed zijn oude knoken zeer.
Zin in verkleedpartijen had hij niet meer, ook niet als zijn meest fanatieke gelovigen hem eer wilden bewijzen door naar de Zwitserse berg te reizen. Bij de receptie werden ze vriendelijk doch dringend verzocht om de stervende met rust te laten zodat ze hem niet in die kale staat zouden aantreffen, onttakeld.
Volgens hemzelf was zijn binnenkant, zijn aderstelsel zo goed geconserveerd door de speculaaskruiden, anijs, kaneel , kruidnagelolie, gemberwortel, kardamon…
Er hing inderdaad een weldadige walm rond ‘der Kapun’ alsof je een banketbakkerij
passeerde.
Al zijn trouwe knechten hadden het loodje gelegd, zij hadden al het werk verricht, terwijl hun baas rustig speculaasjes sopte in de thee, hij lustte er wel pap van.
Zijn empathische Zwitserse lijfarts had hem al eens voorzichtig gepolst of hij niet wilde stoppen met speculaas…of hij geen muesli wilde proberen?
Als een oneerbaar voorstel had hij het weggewoven…Muesli…onvoorstelbaar…zijn enige ondeugd opgeven voor muesli!
De bakkerij in het dal werd discreet verzocht de dosering van het kruidenmengsel te minderen. Tot nog toe zonder resultaat.

Zo gek nog niet


De deur klopte aan op de vreemde knokkels van een hand.
Of daar wellicht iemand thuis was?
Er was niemand, maar de hand ging wel open.
De deur ging naar binnen, de klink lag lekker in de holte van de hand.
De muis van de handpalm kriebelde.
‘Aangenaam kennis te maken’ ,zei de deurklink tegen de hand, ‘hoe woont dat nu..een hand?’
‘Oh, …heel gewoon, het wijst zich vanzelf!’, gebaarde de hand,
De deur sloeg dicht, wist even niets meer te zeggen.
De vingerkootjes begonnen op het deurpaneel te roffelen van opwinding.
De deur klonk wonderlijk hol.
‘Ik zou wel door u heen willen gaan…’ ,sprak de hand schuchter.
‘Daar sta ik ergens wel open voor!’ , antwoordde de deur vrij moedig.
‘Ik ben alleen bang dat het uit de hand loopt…’, zei de hand, ’dat u in het slot valt!’
‘Wees niet bevreesd, mijn sloten zijn kapot, ik ben slechts zo gek als een deur, er gaat nogal veel door mij heen, weet u, teveel om te verwerken!’
‘Dat is begrijpelijk als uw slot kapot is…alles loopt maar in en uit’.
‘Ja, zonder slot is het eigenlijk vrij normaal om gek te zijn!’, beaamde de deur.
‘U bent er wel heel open over!’ , sprak de hand met enige bewondering.
‘Ach, ik dank in wezen alles aan mijn scharnieren…’.
‘Waar zou u zonder scharnieren zijn….?’, vroeg de hand belangstellend.
‘Zonder hen was ik al lang dichtgetimmerd …of lag ik als loopbrug over een moddersloot?’.
‘Het was mij een waar genoegen om zo door u heen te gaan’, sprak de hand dankbaar.
‘Ik vond het ook te gek voor woorden’, zei de deur begeesterd.
Onhandig namen ze afscheid. De hand kwam even tussen de deur.
Daarna zwaaiden ze naar elkaar tot ze uit elkaars zicht verdwenen.

Schilderij: Vilhelm Hammershoi

Nergens

‘Jezus liep op water…ja en onze auto loopt op benzine’, zei mijn vader tegen de Jehovagetuige. De man stond met zijn zoontje in zondags pak, gestropt en strakgekapt
voor onze huisdeur. Ik kende het jongetje van zijn brave gezicht. Hij was al wat ouder en zat bij mij op de school met de bijbel. Zijn vader pruttelde nog wat over ‘het aanstaande koninkrijk’ terwijl de deur vastberaden voor zijn neus gesloten werd.
‘Stalen Jezus!’ ,mompelde mijn vader met een grimmige glimlach.
De maandag daarop zocht de jongen mij op het schoolplein.
Hij vroeg waarom ik op een christelijke school zat als ongelovige.
‘Wij zijn geen ongelovigen…mijn vader zegt dat wij gewoon niets zijn’, legde ik uit.
‘Niets?’, vroeg de jongen ongelovig.
‘Helemaal niets…zegt mijn vader’, bevestigde ik.
‘Maar dan geloof je toch nergens in?’, vroeg hij door.
‘….dan geloven wij toch in Nergens!’, probeerde ik nog…
‘…maar dat slaat toch nergens op, jullie zijn gewoon ongelovigen!’, vatte hij samen.
Om één of andere reden weigerde ik in te stemmen met zijn conclusie.
Thuis deed ik navraag, waarom ik naar een Bijbelschool ging.
Een duidelijk antwoord kreeg ik niet…ik kon nergens anders heen.
Achteraf denk ik dat ik beter naar ‘Nergens’ had kunnen gaan dan naar een school
die geloofde dat wij ongelovigen waren.
Mijn vader geloofde in ieder geval in zijn auto, die bracht ons overal en nergens.
Anders hadden we moeten lopen….op water.

Huisgodin

De zuigmond heeft een gore geest, zijn hersens…zo dom als stof.
De vuilbek, schilfers gruis en haar vindt hij een lekkernij.
In de vlaag van opruimwoede zuigt hij hun dierbare slaapkamerspin, zwanger of niet, meedogenloos op, wat maakt dat kreng een herrie.
Pas later in het hiernamaals van de geopende stofzak blijkt de spin zojuist
bevallen van honderdtwintig rode kinderspinnekopjes.
Als stofzuigbediende biedt hij zijn excuses aan en herplaatst het spinnengezin
zorgvuldig in het enig overgebleven stofnest boven de schoonmaakkast.
Dagelijks kijkt hij als een vroedvrouw of het spinnenkroost nog leeft.

Fijnschilder

Zijn werk is ondanks de onmiskenbare kwaliteit helaas onderbelicht gebleven in de kunstgeschiedenis. Ik heb het hier over de Deense schilder Ole Aerdøl, een tijdloze fijnschilder. Met zijn penselen van hommelhaar weet hij zijn coloriet een fluweelachtige toets te geven, nergens is een penseelstreek te zien. Uniek om glaceertechniek toe te passen in fresco’s.

Dat zijn werk vaker nooit dan zelden te zien is geweest in musea over de hele wereld moeten we wijten aan de schaal van het werk. Toegegeven; monumentaal is anders. Zijn fresco’s op de spiralende wanden van de slakkenhuiskamers zijn alleen binnenskamers te bewonderen.
Het aantal werken is ook zeer beperkt dankzij de tergend trage wijze van schilderen…evenwel van een ongekende precisie.
Het langste werk van Aerdøl is gemaakt in de slakkengang tussen de woon en de slaapkamer van Ole en zijn vrouw Ase.
De pigmenten voor zijn verf betrok Aerdøl van een bevriende hommel die tevens hun postbode was. Wat wilde Aerdøl verbeelden zal de nieuwsgierige lezer zich afvragen?
Dat is inderdaad maar de vraag.
Ik heb de fresco’s zelf eerlijkheidshalve nog niet gezien, omdat het werk zeer moeilijk toegankelijk is, vooral als de schilder zelf thuis is. Er kan maar één bezoeker tegelijk langs de fresco’s glijden en dan nog blijft er vrijwel geen afstand over om ze ook daadwerkelijk te zien. Om te zien is er nu eenmaal afstand nodig.
‘Ik verbeeld helemaal niks’, verklaart Ole zelf over de picturale inhoud.
‘Mijn werk is wel getypeerd als behorende tot de ‘Peinture Interieur Miniscule, maar daar voel ik mij totaal niet bij thuis, je moet mijn werk voelen, direct ondergaan huid op huid…meer zijn dan zien!’
Het is er erg knus en gezellig als ik Ole thuis interview. Zijn zoontje Lars zit in een rond hoekje bij de ingang de wand lekker langzaam vol te krijten, terwijl Ase zich ertussendoor wurmt met haar dienblad vol warme thee.
Ik blijf zelf buiten staan.
Na afloop dringt langzaam tot mij door:
’Ik ben een buitenstaander!’

Discriminatie


Photo:© Jelle Touw 2017

Mijn identiteit bestaat uit pure discriminatie.
Ik ben vaak en stelselmatig afgewezen : om mijn gezicht, dat stond ze niet aan…om mijn ‘houding’, te eigenwijs, niet plaatsbaar…omdat ik bij de verkeerde familie hoorde, bij een bepaald milieu… omdat ik te weinig opleiding had…omdat ik te hoog opgeleid was…Omdat ik nog te klein was, omdat ik later te groot werd. Omdat ik niet rookte, te veel dronk, omdat ik niet gezellig meedronk…
Omdat ik geen geld had…omdat ik wel geld had…omdat ik de verkeerde kleding droeg…omdat ik met een vioolkoffertje over straat liep…omdat ik niet kon leren…
Omdat ik andere dingen wel kon leren…omdat ik een vakidioot was of omdat ik niet genoeg vakidioot was…omdat ik geen jood was…geen islamiet was…
Omdat ik boeken las…de verkeerde boeken las…omdat ik niet zo moeilijk moest doen…
Omdat ik niet moeilijk genoeg deed…omdat ik van de verkeerde muziek hield…
Omdat ik homo was, of geen homo was…omdat ik teveel zei of niets had gezegd…omdat ik de verkeerde huidskleur had in de groep waarin ik verkeerde…
Omdat ik vegetarisch at…of niet vegetarisch genoeg was…
Omdat ik gek was of niet gek genoeg om er bij te horen…
Omdat ik de codes niet kende…omdat ik te veel wist…omdat ik te weinig wist….
Omdat ik dingen deed die je niet hoorde te doen… omdat ik dingen naliet die je hoorde te doen…omdat ik de taal niet sprak…omdat ik de taal wel sprak maar verkeerd articuleerde…

Identiteiten bestaan bij de gratie van uitsluiting, je onderscheiden van andere identiteiten.
Ik discrimineer zelf ook graag, dankzij het discriminatievermogen weet ik dat ik niet mijn identiteit(en) ben, maar dat ik identiteit(en) heb. Hebben en Zijn.
Als ik wil kan ik elke denkbare identiteit aannemen, een kwestie van empathie.

‘Hebben kan nooit wat zijn, Zijn kan veel hebben, Zijn kan alles hebben!’
F. Wildesheim.

Kwartje


Ik vond het moeilijk om ervoor uit te komen zo in het openbaar, maar ik acht het mijn plicht ten aanzien van al die mensen die met hetzelfde euvel zijn opgezadeld.
De meeste universele dingen zijn particuliere geheimen omdat niemand ze durft te benoemen. Schaamte is een florerende geheimenfabriek.
Nou goed, laat mij dan die niemand zijn die het benoemt.
Het zat ongeveer zo:
Ik was precies in het goede lichaam geboren, weliswaar een eeuw te vroeg en in een mij totaal vreemd land, maar het ‘voertuig’ bleek perfect geschikt voor mijn missie hier op aarde, er ontbrak niets aan. Geen been te veel, geen oog te weinig, handige handen en een volle accu. Het juiste lichaam voor mij…zou je denken, maar die geest…dat was een heel ander verhaal. Het voelde als de verkeerde geest in het juiste lichaam, die geest zette mij permanent op het verkeerde been.
Die geest dacht lukraak alle kanten op behalve de goede, wat de goede richting dan ook mocht zijn?
Luister, ik hoorde geen stemmen, dat was het probleem niet… het was erger…deze geest zei niets…hij zei mij helemaal niets… hoorde ik maar stemmen dan kon ik tenminste nog een gesprek met ze voeren…
Alsof ze de verkeerde ziel hadden verhuisd en er een vreemde geest stil in mij rondwaarde, een geest die er zo het zijne van dacht.

Op een zekere dag legde ik het voor aan de toiletjuffrouw van het warenhuis voor normale zaken. Ik moest daar toch zijn voor een boodschap.
Ik legde haar het geval voor:
‘Ik heb een vreemde kostganger in mijn bovenkamer, een geest die doet alsof hij ‘Ik’ ben!’
‘Luister’, zei ze rustig, ‘Geest is denkbeeldig, met welke geest neem je die ‘andere geest’ waar?
Eerst kreeg ik er geen vat op haar vraag…met welke geest?? , waar doelde ze op?
Waren er dan twee geesten die in mij rondspookten?
‘Ga nou eerst maar!’, raadde ze mij aan.
Pas onder het plassen viel het kwartje.
De twee geesten die ik mij voorstelde werden natuurlijk beiden waargenomen door…een derde…en die drie geesten werden weer , stapje achteruit, gezien door een vierde, enzovoort, ad infinitum. Talloze geesten werden natuurlijk door deze ene lege geest waargenomen en deze ene geest was hetzelfde in alle mensen!..zo uitgeplast…
Euforisch kwam ik van het toilet af, opgetogen gaf ik twee euro aan de toiletjuffrouw.
‘Voortaan wel even doortrekken, lieve schat!’, riep ze me nog na.
Mijn boodschap was ik achteraf vergeten.

Een lege geest in het juiste lichaam, een kwestie van even doortrekken.

Hier


Dieren hebben geen apparaten, geen protheses.
Een kraan is overbodig, ze drinken uit een regenplas, uit de sloot.
Een wasmachine met centrifuge…niet nodig.
Ze likken zich schoon en droog met hun tong.
Vervoersmiddelen hebben ze niet, ze komen dan ook niet ver zal men zeggen.
‘Nee, de mens is ver gekomen!’, zou het dier zeggen.
Een ding moeten we de mens nageven: hij is de uitvinder van het ver gaan, van het ver brengen, van het ver schoppen.
Het enig doel daarvan lijkt te zijn om het ‘Hier’ te ontvluchten?
Het dier luistert niet naar de radio of naar zijn vermeende baas, het kijkt geen televisie, gaat niet naar de bioscoop.
Het dier luistert naar het lichaam en verzorgt het.
Mensen hebben haardroogkappen, ijskasten, vrieskisten, hoogtezonnen.
Dieren hebben het koud en warmen zich aan elkaar of aan de zon.
Ze weten intuïtief te overleven. Ze helen zich zelf door kruiden te eten, zonder ooit farmacie te hebben gestudeerd.
De mens gaat graag verder dan te ver. Alles moet wijken en bezwijken aan zijn menswording.
Dierwording lijkt mij verre te verkiezen boven te ver gaan.
Hier zelfvoorzienend zijn.

Zuggerijven

Michael Sowa

De succesvolle asielschrijver wordt geïnterviewd wegens zijn nieuwe verhalenbundel.
Zijn ontwapenende antwoorden slopen stuk voor stuk de aannames van de interviewer. De literaire mythologie. Deze exoot heeft geen enkele pretentie met zijn verhalen die volgens zijn eigen inschatting een diepgang hebben van hooguit 2 centimeter.
‘De lezer moet niets van die boek leren of meenemen, hij moet lachen, doorlezen en vooral zo blijven…boek leert niks, niks slechter, niks dat beter maakt’
‘Boeken zijn zo belangrijk niet, luisteren, wandelen, kijk naar bomen…is veel meer belangrijk’.
Hijzelf zou met zijn boeken over tien jaar vergeten zijn.
‘Maar waarom schrijf je dan?’ , vraagt de interviewer nogal onthutst.
‘Ik zuggerijf omdat ik vaak niets te doen heb, ik doe het tussendoor terwijl ik iets anders doe, nooit zeg ik dat ik aan het zuggerijven ben…ik ben civiel ingenieur…zuggerijven is zomaar’.
De interviewer raakt ontgoocheld hoe het paleis van de literatuur verwoest wordt door de zachtmoedige sloopkogel van deze asielvinder.
‘Als ik mooie zin zuggerijf is het meestal per ongeluk, toeval’
‘Ik weet vaak ook niet of ik iets van horen zeggen heb of dat ik het zelf verzonnen heb,
de verhalen pik ik af van de personages die ik bezuggerijf’.
‘Geluiden, muziek en zwemmen is belangrijker dan denken en woorden in een boek, liever was ik musicus, muziek is taal die niet vertaald hoeft te worden’
‘Leven in Nederland draait om tijd en werk, er wordt niet geleefd maar gewerkt…
school is werk, opvoeden is werk, huwelijk is hard werken, een relatie is overwerk…’
‘Zelf de Nederlandse dier, hond en kat leeft volgens strak tijdschema…het is één wonder!’

De zelfingenomen blik van de westerling om Europa als bakermat van beschaving te zien, die blik maakt van rest van de aardbewoners hoogst eigenaardige exoten.
Dat de Europeaan zelf als vervreemdende exoot wordt gezien is ondenkbaar, net zo ondenkbaar als het gegeven dat er met de komst van technologie iets fundamenteel menselijks verloren gaat. De aanname als blinddoek.