Potloodstompje

Ik liep nogal doelloos voor mijn doen door de stad te dwalen op zoek naar levend materiaal voor een goed verhaal. Als een vermoeide duif streek ik neer op een bankje in het stadsplantsoen. Het bankje was net nieuw geplaats en zag er onwennig uit in de verder verweerde omgeving. Het was herfst, de kale bomen boden mij kostenloos een troosteloze aanblik. Naast mij bleek een man te zitten in een vale regenjas. Ik had hem niet eens opgemerkt, z’n onopvallend uiterlijk bleek zeer geschikt als camouflage. De futloze houding verried een flegmatieke vermoeidheid die hij opsierde met een weemoedige glimlach. Het magere gezicht toonde een landschap van rimpels en groeven, grijzig van tint. Zou deze verschijning mij vandaag nog aan een goed verhaal kunnen helpen?, dacht ik moedeloos.
Voor ik er erg in had stelde mijn mond de vraag waar ik mij vooraf al voor diende te schamen, al vond ik het zelf:
‘Is u een zwerver, meneer?’
Onmiddellijk begon de man opgetogen en verward in zijn jaszakken te zoeken…tot hij een potloodstompje wist op te diepen samen met een beduimeld notitieboekje.
‘Wat was de vraag?’ vroeg hij nu met een onverwacht alerte blik in de treurige ogen…
‘Of dat ik een zwerver is?’, herhaalde hij mijn pijnlijk genante vraag.
Mijn hoofd knikte gelaten, er was geen ontkomen aan.
‘Schrijft u soms boeken?’, probeerde mijn mond opnieuw om eerste vraag te maskeren.
‘Nee hoor…ik schrijf stukkies…voor de krant,
niks bijzonders hoor!’, voegde hij er bescheiden aan toe. Om te voorkomen dat ik zou denken dat hij een hoge dunk van zichzelf zou hebben. Toch bracht zijn antwoord mij van m’n stuk. Die vent was net als ik op zoek naar een goed verhaal, werkte
nota bene ook voor de krant.
Omdat ik wilde weten voor welk ‘provinciaals sufferdje’ hij dan wel schreef vroeg mij mond
ongevraagd naar de bekende weg. Wat had die mond van mij vandaag?
‘Voor welke courant schrijft u, als ik vragen mag?’
‘Voor het Parool!’, repliceerde hij onmiddellijk.
…Er trok een heel trage bliksemschicht door mijn lijf. Dit kon niet! Hij werkte voor dezelfde krant, dan moest ik hem toch kennen..ik speurde mijn geheugen af…wie was dit?
De man was inmiddels uitgenoteerd en maakte aanstalten om te vertrekken.
Ik wilde nog zeggen: ‘Kan ik u iets te drinken aanbieden?’, maar mijn mond liet het dit keer afweten.
De verkreukelde gestalte bewoog zich rommelig uit mijn gezichtsveld. Even verderop keek hij nog om en zwaaide met zijn aktentasje, alsof hij mij nog bedankte, waarvoor?
Bij gebrek aan beter materiaal schreef ik dit verhaal en besloot om te stoppen met schrijven. Mijn mond belde de krant op om mijn ontslag aan te bieden, maar mijn mond zei weer iets anders, zoals gewoonlijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *