Rijgedrag

Ik sloot achteraan in de rij. De rij stond helemaal buiten het gebouw.
Langzaam schuifelde de rij het gebouw binnen als een tong die in een mond verdween.
Wij zouden niet verdwijnen. Eenmaal binnen het gebouw moesten we ons een voor een melden bij de baliemedewerker om te constateren dat we aanwezig waren en dat wij het waren en niet iemand anders. Een man werd weggestuurd; hij mocht niet binnen.
Hij protesteerde hevig: ‘Nee, ik ben niet iemand anders, ik heet alleen net zo en wat kan ik eraan doen dat hij sprekend op mij lijkt?’. De baliemedewerker drukte op de rode knop onder de balie. Even later kwamen twee beveiligsambtenaren hem ophalen.

Was onze identiteit vastgesteld en waren wij fysiek aanwezig dan mochten wij hoogstpersoonlijk onze beurt afwachten tot we plaats konden nemen in de wachtkamer. De wachtkamer was een enorme ruimte, als een sporthal.
Daar kregen we een nummertje dat onze rechtmatige beurt bepaalde.
Wat mij meteen opviel was dat mensen nummertjes met elkaar ruilden.

Na drie dagen stond mijn volgnummer boven de toegangsdeur van de ontvangstruimte.
In de ontvangstruimte stonden mijn voorgangers in carré’s van tien opgesteld.
Mijn vragende blik werd door mijn begeleider beantwoord: ‘Ze oefenen….’
, zei hij met een veelbetekenende blik.
‘Maar wat dan?’ ,probeer ik nog.
De begeleider had mij mijn plaats al toegewezen en hield zijn wijsvinger voor zijn lippen.
Hier stonden we dan …te staan.
Een enkeling protesteerde…begon te morren…en werd uiteindelijk schreeuwend tussen twee begeleiders afgevoerd.
‘Wat gebeurt er met hen’ ,fluisterde ik tegen mijn buurman?’
‘Niets, ze moeten weer achteraan de rij aansluiten!’
Ik voelde mijn hartslag overslaan…het werd even zwart voor mijn ogen.
‘Waarom deden we dit eigenlijk?’ ,dreunde het in mijn hoofd.
‘Wie of wat dwong ons om dit te ondergaan?’
Na twee en een halve dag werden we lukraak geselecteerd om
de ruimte te verlaten, ik was één van de gelukkigen.
Een begeleider leidde mij naar de lange gang.
Die moest ik doorlopen. Aan het eind zou ik een brevet krijgen.
‘Een brevet waarvoor?’ , vroeg het zich af in mijn hoofd.
Alsof de begeleider de gedachte had gelezen antwoordde hij:
‘Het Brevet voor Bovenmenselijk geduld, je mag je dan ‘Engel van het Legioen van Geduld’ noemen.
Dit werd mij teveel, er knapte iets…de hersenpan kookte over…mijn lichaam begon wild
om zich heen te slaan. Gelukkig boden de begeleiders bescherming, ze hielden mij liefdevol in bedwang. Even later stond ik weer in de rij…achteraan aangesloten.

4 thoughts on “Rijgedrag

  1. Mozes! Het komt over als een heftige droom na een avondje zwaar tafelen. William Shakespeare zei het al: “Wie geen geduld heeft, is zeer arm”. Daarentegen beweerde Boeddha lang leden dat: “Geduld is het beste gebed” is. Maar is dromen over ‘geduld’ te duiden? Is het armoede of contemplatie?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *