Theologica van de kabouter


Kabouters bestaan niet.
Wat kan deze zin betekenen?

Dat kabouters nooit hebben bestaan.
Dat kabouters zijn uitgestorven.
Dat kabouters nog niet bestaan, maar wel zouden kunnen gaan bestaan.
Dat kabouters nog nooit ontdekt zijn; ze leven geheim.
Dat kabouters onbestaanbaar zijn voor altijd en overal.
Dat kabouters alleen denkbeeldig bestaan.

Al deze voorgaande mogelijkheden gaan uit van de valse aanname dat we zouden weten wat kabouters zijn.
Niemand weet wat een kabouter is, het is iets ongekends.
Hoe zou je een kabouter kunnen herkennen als je niet eens de juiste kenmerken weet om te determineren?
Hoe zou je kunnen zoeken naar iets als je niet weet wat je zoekt?
Er bestaan wonderlijk genoeg talloze speculaties over wat kabouters zouden kunnen zijn.
Hoe meer speculaties, hoe meer het ongekende vaste vorm lijkt aan te nemen.

Bovenstaande bespiegeling gaat over de kabouter als het ongekende.
Hetzelfde gaat natuurlijk op voor het woord god.

God zou het ultieme zijn, het meest sublieme.
Vandaar dat ieder mens god invult met zijn eigen ultieme ervaring, een goddelijke ervaring die al het voorgaande overstijgt, sublimeert.
Voor de een is het seks, voor de ander is het muziek, voor de derde is het niets, voor de vierde is het alles en voor de vijfde is god een combinatie van deze vier.
De inhoud doet er niet wezenlijk toe: het gaat om het ultieme, het sublieme van de directe ervaring.

God is dus feitelijk een ander woord voor: ik weet niet hoe ik het meest ultieme dat ik ken moet uitdrukken, ik heb er geen woorden voor.
Ik weet het niet en dat weet ik.

Hoe kan het dat er zoveel kabouterstoeltjes staan te bestaan als er geen kabouter te vinden is?
Waar rook is, is vuur, zou je zeggen.

Waar goddelijke ervaring is valt de vraag naar god totaal in het niet.

One thought on “Theologica van de kabouter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *