Genen4

Wat ik al ijlend in dat delirium allemaal meemaakte viel met geen pen te beschrijven…hele werelden werden achteloos uit mijn bestaansgrond opgetrommeld en even later terloops weer vernietigd. Waar zich ooit mijn hoofd bevond voelde als een lekke Zeppelin die ieder moment kon vlamvatten, vol explosieve waanbeelden. Het lijf hing als nat wasgoed aan de waslijn in de najaarswind. Het rilde heftig toen ik mij zelf in een herinnering hervond, liggend in het door mijn opa gefiguurzaagde kinderwiegje luisterend naar de warme stem van moeder Wami die mij een Zweeds slaapliedje toezong.
Toen ik bijkwam uit die hallucinatie lag ik in een gammel veldhospitaalbed. Buiten de tent hoorde ik bevelen schreeuwen, die duidelijk niet werden opgevolgd. Hadden de recrutenjagers mij dan toch te pakken, lag ik hier als ingelijfde van het rode leger? Aan mijn kin betastte ik een vlasbaardje dat ik daarvoor nog nooit gevoeld had. Hoe kwam dat daar. Mijn moeder verbood mij om er als een bebaarde kozak bij te lopen.
Ik had hier kennelijk dagen lang ijldromend gelegen zodat deze geitensik van nesthaar kon ontstaan. Ik hield mij stevig vast aan de sik om mij enige bestaanszekerheid te verschaffen. Het besef drong zich op dat mij nog maar één ding te doen stond in dit ondermaanse: het zwart op wit krijgen van dat wat met geen pen te beschrijven viel, alsof ik voor het onmogelijke in de wieg gelegd was…een uitverkorene. Deze overtuiging zette zich nog obsessiever in mij vast dan voorheen door die sik. Onze dienstbode Wasiljewitsj had mij gevonden, lam onder het bureau van Opa Darpo. Opa’s ‘inkt’ was pure methylalcohol geweest. Ik mocht blij zijn dat ik het overleefd had, zuiver gif was het. Ze verbood mij om ooit nog een letter op papier te schrijven en om onmiddellijk die sik af te scheren, hetgeen ik overmoedig weigerde. Literatuur was niet voor ons soort mensen weggelegd en voor het leger nog minder, zo las mama Wami mij de les,  wij zijn Zweden, neutraal door dik en dun. Die Rus Barvo was dus geen goed gezelschap voor mij. Nadat ze zijn roman ‘Parkietenvlees’ had gelezen mocht ik geen contact meer hebben met dat verdorven literaire beest. De zwaarbesnorde recrutenjager zei dat het bezoekuur voorbij was. Moeder Wami liet mij achter, zogenaamd jammerend gaf zij mij een vette knipoog. Dat ze mij zou verlossen stond vast, ze was niet voor niets vroedvrouw.

Camera eterna

De overvolle maan zette de afgekalfde nachtoever in een ivoorwit licht. De wereld leek een fotonegatief, zo onschuldig lief, nog niet ontwikkeld ,nog niet afgedrukt. Ongeposeerd naïef. Het sluiteroog van de maan zou altijd open staan en niets zou onopgemerkt blijven voor niemand. Herinner je nog je eerste foto van je zwartste nacht als mens?

Later bleek, de dop zat nog op de lens.

De wuls

De wuls reeft lankhaftig de mekel
aan warthaal eeft men vaak un hekel
maarik hau fanklink lare klanken
die gafels borwolzaam verwanken

Menkhan meifeel zaak enver weit hen
omhut pleeghen fansin losefheiten
tog salmen meina moeteg even
hik sgep veelp lezier hindit leefhen

Gor van Beenen , vroeg 21ste eeuw

Oom

Ik herinnert mij nog goed die ene oom die ik nooit heb gezien. Nu schiet mij weer te binnen dat hij trouwens ook heel geen naam had. Hij was de tweelingbroer van mijn vader met wie hij een telepathisch zeecontact onderhield. Aan het strand kreeg pa altijd zijn berichten binnen, via de juiste golflengte. Oom was namelijk stukadoor op zee. Stukadoor op zee?, vroeg ik dan ongelovig. Weinig muren, wandjes en plafonds op zee zou je zeggen, maar wat dacht je van die luchten en hemelgewelven, vertelde mijn vader, die pleistert jouw oom dus bij. Hoe kan dat dan? , protesteerde ik. Gewoon met een lange trap vanaf het achterdek van het schip, verklaarde mijn vader, maar het schip ligt dan natuurlijk wel voor anker, want het kan lelijk stormen op die stille oceaan. Typerend voor Oom was dat hij dus behalve geen naam, ook geen snor droeg noch een baard, wat voor zeevarenden eigenlijk een ongeschreven plicht is. Maar die witkalk bleef erin hangen ,dat werd keihard en zwaar, die moest dan van zijn kin gebikt worden door een walrus, want die hadden de juiste tanden of een narwal, kon ook. Zo was oom haarloos geworden. Vaak was hij maanden van huis, zelfs jaren soms…. eigenlijk zat hij levenslang op zee. Vandaar dat je hem natuurlijk nooit zag. Oom was al zo vaak diep gezonken dat iedereen behalve hij en de scheepskakatoe met man en muis verdronk, dankzij die lange trap konden ze uit zee klimmen en wachten op een reddingssloep. Volgens mijn vader heeft hij zelfs de maan ooit witgekalkt, maar dat geloof ik niet. Sterke verhalen die alleen mijn oom kon na vertellen aan mijn vader. Nog vaak bekijk ik met ontzag die machtig gepleisterde zeehemel en dan denk ik: wat een kerel, die oom van mij… en wat is er van die kakatoe geworden?

Inspectie

We hadden hem een paar jaar niet gezien, maar de heer Muizinga is terug…van weggeweest…die ene van de Voedsel en Warenautoriteit. Nog steeds in hetzelfde grijze kostuum met dito snor. Nu we alle eetwaar in blik hebben opgeslagen heeft hij zijn dieet gewijzigd, meneer eet nu gezond, hij eet appels. Mijn vrouw vond zijn bescheiden boodschap op tafel en sloeg meteen alarm:
‘Hij is terug!’
‘Wie?’
‘Muizinga natuurlijk, wie anders laat er zulke kleine boodschappen achter?’
‘Inderdaad, het lijken wel zwart gebrande sesamzaadjes!’ ,zei ik.

Later die middag zag ze Muizinga lopen, de houten luxaflex gebruikte hij als trap om hogerop te komen, daar verdween hij uit haar blikveld.
De rest van de avond priemden de kraaloogjes van Muizinga in onze ruggen, we voelden ons bekeken van hogerhand. We waren gespitst op elk geluidje van Muizinga. Hij hield onze aandacht goed gevangen, het bleef echter muisstil die nacht… Was hij na de jaarlijkse inspectie weer spoorloos vertrokken?De volgende ochtend vond mijn vrouw bescheiden sesamzaadvormige boodschapjes op mijn hoofdkussen.
De heer Muizinga had kennelijk rond mijn slapende hoofd rondgestruind. In de fruitschaal had hij met appel ontbeten, geluidloos uitgehold.
Mijn vrouw heeft het nu helemaal gehad met de kleine Voedsel en Wareninspecteur. Ze is vastberaden om hem uit ons tuinhuis verdrijven met pepermuntolie ,daar schijnen ze vreselijk de pest aan te hebben. Ik twijfel…. aan het middel, niet aan de Muizinga. Ik zie hem in staat om met 1 voorpoot zijn snuit dicht te houden terwijl hij zijn vergelijkend warenonderzoek voortzet.

Paardenfabel

Had je ergens om gevraagd dan?
Het leek wel een dagtaak om alle gegeven paarden in de bek te kijken.
Je had toch geen tandartspraktijk? De gulle gevers waren zonder uitzondering beledigd als je hun volbloed geschenk niet in blinde dankbaarheid aanvaardde.
In hun ogen was je een ondankbare hond, het geschenk was toch voor je eigen bestwil.
Soms wilde ze ze niet eens meer terugnemen, dan schonk je ze maar de vrijheid in het vrije veld van vergetelheid. Of je dan niet een gratis kat in de zak wilde. Of een ongevraagd adviesje? Hoe minder je aannam van die weldoeners hoe lichter je je voelde. Toen ze het hadden opgegeven om je nog iets in de maag te splitsen kon je jezelf spekkoper noemen. Wat een vredige rust om die wilde kuddes in de verten te zien grazen.

De Aanname

Wat een mooie bibliotheek heeft u hier…ik zoek een roman ‘De Aanname’.
Nou het is eigenlijk een antiquariaat, alle boeken zijn hier te koop.
Dan weet u vast veel van literatuur?
Welnee, ik verkoop alleen boeken.
Maar u bent toch vast een liefhebber van boeken, anders doe je dit werk toch niet!
Eigenlijk niet dus, de zaak was van mijn vader, iemand moest de zaak toch overnemen?
Uw vader was een echte handelaar?
Nee hoor, zakelijk was hij niet, hij was wat je zegt een liefhebber.
Van boeken?
Nee, van lezers…lezeressen om precies te zijn.
Bijzonder.
Zijn boekenwijsheid gebruikte hij om lezeressen te imponeren en te veroveren.
Dus hij wist wel veel van literatuur?
Nou, hij las meestal alleen de achterflappen, zo bleef hij op de hoogte, en hij las veel…recensies!
En uw moeder?
Zij was dus lezeres.
Heeft zij u dan geen literatuur bijgebracht?
Welnee man, hou nu eens op over literatuur…ik had zo veel moeders, elk half jaar wel weer een nieuwe vlam van Pa en niet te vergeten de hele aanhang van broertjes en zusjes, opa’s oma’s!
U leest zelf dus echt niet?
Niet of nauwelijks meneer, zelfs geen flapteksten, mijn leven
is één doorlopende roman geweest.
U zou er een boek over kunnen schrijven?
Ja, en het dan zeker ‘de Aanname’ noemen…?

Tuintje

Het houten hutje van meester Tandeloos stond midden in het landschap; het lag omringd door ‘zijn tuintje’ zoals hij dat noemde.
Het tuintje had geen hek. Er was wel ooit een hek geweest maar dat was omgevallen en lag nu plat, overwoekerd door wilde kruiden en bloemen.
Vaal Veulen vroeg op een zekere dag waarom er geen hek was rond ‘het tuintje’?
‘Er is wel een hek’, legde Tandeloos uit, ‘alleen dat werd zo moe van zichzelf, dat ze erbij is gaan liggen’.

‘Moe van zichzelf?’ ,vroeg Veulen.

‘Ja…om alles almaar tegen houden is erg vermoeiend…het ene binnen houden en het andere buiten houden’

‘Maar nu weet je niet waar de tuin begint of eindigt!’ ,vond Vaal Veulen.

‘Het hek is nu weg geworden, je kunt erover lopen…

‘Maar dan kunnen ook de wilde paarden en hazen uw bloemen en kruiden hier komen opeten’

‘Dat klopt, Veulen, ben jij ook niet zo komen aanlopen om vrij te kunnen grazen..?’

Vaal Veulen lachte en gaf toe dat geen hek voordelen had.

‘Kijk!’ ,Tandeloos wees rondom naar de verste verten, ‘daar begint mijn tuintje en hier eindigt het’ ,en legde zijn hand op de hartstreek.

Vaal Veulen bleef even stil…en vroeg: ‘Hoe kun je zo’n tuin beginnen?’

Tandeloos lachte hem toe, ‘Een goed begin is geen hek neerzetten!’