Steengeest (4)

Mijn beste vriend Steen hoort stemmen
in zijn geest van bergkristal, soms luister
ik onwillekeurig met hem mee,
vanwege eendere golflengten:

…Noem eens iets…wat los van geest te ervaren is…
Kan er iets verschijnen …zonder geest?…
Deze vraag kan niet eens worden gehoord…
Hoe zou er zonder geest een antwoord kunnen verschijnen…
als alles verschijnt dankzij geest…
het meest geestige gegeven in dit leven…

Noem maar eens wat op…
Wat er ook opkomt…het is een levend bewijs…
dat het in geest verschijnt..
het elastiekje, de zonverduistering, potloodstompjes,
het snode plan, het boterhoofdverwijt, het regenplasje,
de scheerkwast, de krentenbol, het paard achter de wagen,
het journaal, het slimme ideetje, de schaduw op het behang,
al wat je wenst en niet wilt, de reklamefolder, de wiskundige formule,
de deuk in het pakje boter, de virtuele datawoestijn, de mastodont,
de lantaarnpaal, de horizon, de Grote Beer, het pijntje hier, het pijntje daar…
het microscopische pantoffeldier, de slurf van de olifantast…

Hoe zouden al deze ‘dingen’ kunnen bestaan…
zonder geest die ze opmerkt…
en tot leven wekt in directe ervaring?…
Wat of waar zouden deze letters blijven…
zonder tenminste 1 geestige geest die deze letters leest?
Meest geestig is dat het zichzelf niet kan ontkennen,
elke poging daartoe is al een erkenning…een feest der herkenning…
elke adem…in en uit…elke indruk…elke uitdrukking…

Steen rust luisterend in mijn hand…
als de stemmen verstommen…
en stil aan de geest geven…

Fabel van het Grijze heldendom

Wolf had het inmiddels wel mooi verbruid
in het schaapachtig & wollig meningencircus.
Meneer vrat al ruimschoots halve kudde opinies
in vredige weiden, de strotjes doorgebeten.

Binnengehaald als held werd hij verrader
binnen het natuurloze beschavingsreservaat.
Wolf werd verweten geen veganist te zijn,
geen schaap in wolfskleren, maar een dader.

Nalatigheid is ‘n erg onderschat wapenfeit,
want is het niet ook al aardig heldhaftig
om iemand niet te vermoorden, zoals Haas
gewoon is te doen, kauwend op zijn halm.

Dat laffe hazenhelden louter halmen vreten
mag toch geen rol spelen, Held Langoor
verbetert deze wereld echt door daadloos
en zelfbeheerst in zijn leger lui te talmen.

Soms is zuiver nietsdoen onovertroffen,
het leverde aan de lopende band naamloze
helden op, die op sokken en sloffen wonnen
van moedige daders die vele offers slachten.

Het zijn vooral hazen die de wereld verzachten,
ze zijn nalatig en laten het werk onbegonnen.  
Nu begrazen Waapscholfen de vredige velden    
en huilen blatend naar de maan als lamme helden

Broekzak (3)

In het broekzakgeheugen
herinnert Steen zich
elk vingerspitsgevoel
van onze ondermaanse
dooltochten
zelfs onze herkomst
kwam zo
aan het licht

Steen ijlde eens
koortsachtig:

Van zonnebloed zijn wij
verzonnen uit…
gestold leeflicht…

Onze oorsprong
is de zonnestorm
van moederlava
dat godgloeiende…

Zij zond ons uit
en schonk ons
in deze aardse mal
van koelte waar wij
binnenhuids
vorm vonden…
bij wijze van
voorlopig thuis

Elke vorm
is maar
voorlopig…
een vermomming
van iets…
raars
iets
onverwoest
baars…

en Steen
kan het weten
kent de wereld
als zijn broekzak
op mijn duimpje

Jongsaf & Oudsher (2)

Steen en ik sliepen
van oudsher
tot van jongsaf
samen

mijn oudste vriend
die te vondeling lag
voor het rapen
klaar voor ontferming,
zacht als barm…

meteen wist ditgene
hier ligt ons barm
zo zacht

Steen sliep
diezelfde nacht nog
onder mijn hoofdkussen
visioenen uitbroedend

in het donker
zag Steen helder
een in sterren
geschreven
wensloos leven

Steen hield mijn
handpalmen omvat
zodat in dit voelen
van barmwarmte
Steen lichter
en lichter werd

en ik zijn vinder
herboren
in het dichten
dat leefruimten ontsluit
grenzend
aan deze oude huid
van Steen
zo dicht bij
tot zo ver
heen

Oudste vriend (1)

Mijn oudste vriend Steen
wacht mij overal op
eeuwig trouw waar ik ook kom
Steen had nimmer haast
om hier te komen
waar Steen al was

Steen ligt altijd ergens hier…
zo voor de hand,
om betast, gestreeld,
of in handpalmen gewogen

Mijn oudste vriend Steen
heeft natuurlijk overwicht
op zijn bodem die uit
verre familie bestaat

Zijn zachte zwaartekracht
trok aan mij en trok mij aan
om samen te gaan bestaan
als vorm van liefde

Steen bestaat keihard uit denkstof
vastberaden traag van begrip
vol harding, maar solide van vorm
kiezelrondgeslepen
in de rivier van Herakleitos,
als een vorm van zeker weten

Steen’s gedachtengoed
is koel van zichzelf
en soms handwarm
als rudimentaire vorm van gevoel

Zijn levend wezen is stil
zwijgend beamen
dat Zijn steengoed is,
als vorm van heel diep ademen

De ziel van Steen rust onder hem
bij wijze van schaduw,
als archaïsche schaduwziel
die naar het licht vlucht
zodra men Steen tilt…
bij wijze van thuisreis

Als licht weerkaatst
op de huid van Steen
dan is dit een meest
basale vorm van zien
alsof Steen een oeroud oog is
dat nimmer knippert

Vijvermunt

Was het je diepste wens om kilo’s
muntjes argeloos achterover
je schouder in vijvers te gooien

of liever zich verlangeloos te laten
verrassen door al wat lukraak
in wiens schoot werd geworpen?

de wensvijvers stonden nu droog,
met wensmuntjes volgeplempt
men kon schijnbaar over water lopen

wie wist er nu precies dat gene, dat
ene te wensen wat wezenlijk nodig…
alleen niemand wenst het niet-weten

in het tere besef alles te willen wezen

Achtig

Medeburger X was taalkundig ‘woonachtig’ in een omgeving.
Een omgeving van het buitengebied op enige afstand van de randstad.
Ergens tussen een groenstrook en een bebouwde kom in…met riant uitzicht op een vluchtheuvel. X had het woord woonachtig altijd al zo vreemd gevonden..
zo vervreemdend. Dat kwam door dat ‘achtige’.
Hout-achtig was immers niet van echt hout.
Aardbei-achtig smaakte niet naar echte aardbei.
Muziek-achtig klonk niet als echte muziek in de oren.
Achtig was dus iets nepachtigs, een surrogaat.
Maar hoe kon je zogenaamd wonen, onecht wonen…ergens woonachtig zijn?
Het gaf X een vervreemdend gevoel.
‘Vluchtheuvel’ had hij taalkundig ook altijd zo’n vreemd stuk straatmeubilair gevonden binnen de ruimtelijke ordening. Als laatste strohalm binnen het voortrazend menselijk verkeer. Om net niet platgereden te worden kon je nog net je vege lijf redden door op het laatste nippertje op de vluchtheuvel te springen.
X bleef altijd iets niet-pluisachtigs voelen bij deze woorden en troostte zich met besef dat alle taal nepachtig was, alleen maar zogenaamd echt.
Waar de taal zweeg daar begon het echte bestaan, alleen daar kon je echt wonen.

Jurken van Slijm

Met belangstelling las ik het boek: ‘Ontdek de slijmjurk in jezelf’
Een korte samenvatting: De reklamewereld is de biotoop van de slijmjurk.
Medeburgers slijmen om ons als potentiële consument te laten kwijlen voor een product dat we niet nodig hebben. Wat echt nodig is hoeft namelijk niet te worden aangeprezen door ingehuurde slijmjurken.
Het is verbijsterend hoeveel burgers zich hiervoor lenen. Waarschijnlijk omdat het zo goed betaalt dat deze voorheen brave burgers zelf ook nog meer overbodige producten kunnen aanschaffen. Ze verkopen hun ziel aan de markt.
Tot zover de buitenwereld.
Het tweede deel van het zelfhulpboek gaat over de binnenwereld…: Ontdek de slijmjurk in jezelf. Dit gaat over aardig gevonden willen worden. Iedereen heeft deze slijmjurk in zijn innerlijke garderobe hangen. De vraag is alleen hoe vaak je hem draagt. De huidige tijdgeest vraagt dringend om de slijmjurk vrijwel permanent te dragen, anders hoor je er niet bij. Het beeldscherm vormt de etalage die alles te koop aanbiedt. Sommigen gaan in hun jurk naar bed. En dat allemaal om aardig gevonden willen worden.
Het slijm bestaat eruit dat je nooit laat zien wat er echt is, nooit je zwakte of onvermogen laat zien. Alleen perfectie, succes en geluk wordt met liefde beloond. Deze overtuiging komt uit het winstgedreven marktdenken voort. Het idee dat je een product bent dat zichzelf moet verkopen door zichzelf aan te prijzen. Tel uit je winst. Uiteraard een heel ziekmakend idee. Perfectie is een levend begraven zijn in de schijnvertoning van beeldvorming. Elke beeldvorming is maar schijnbaar.
Deel drie behandelt het zelfhulphandelplan.
De slijmjurk moet eerst herkend worden om hem definitief in de kast te kunnen laten hangen. In het begin zal men schrikken dat je de jurk niet meer draagt.
Uiteindelijk ben je de jurk liever kwijt dan rijk.
Iedereen is uiteindelijk beter af door oprecht te laten zijn wat er is.
Nu zijn er vast mensen die mij aardig vinden/vonden omdat ik soms een slijmjurk droeg,
daar bied ik dan bij deze mijn oprechte excuses voor aan.

Verklaarkunde

Hoe komt het?
Dat blijft telkens weer de vraag…
Het komt altijd door de oorzaak.
Zo simpel is het…ja toch?
Punt is alleen dat de oorzaak nooit alleen op visite komt.
Hij neemt altijd minimaal 1 medeplichtige mee die brutaal zijn benen op het salontafeltje legt.
En deze medeplichtige heeft weer een handlanger bij zich die onbeschoft veel taart eet en uitdeelt aan de omstandigheden die gelegenheid boden.
Er komt een kettingreactie van collaborateurs op gang die stuk voor stuk directe of indirecte verantwoordelijkheid opeisen alsof het om een aanslag van een bevrijdingsleger gaat.
Daar gaat je gezellige feestje om de verjaardag van de gevonden oorzaak te vieren.
De ongenode gasten maken er een puinhoop van, trekken slingers van de muur, vechten elkaar de tent uit om in het middelpunt van de aandacht te komen.
Er zit niks anders op dan ze beleefd je huis uit te gooien.
Daar zit je dan, oorzaakloos te zijn met hoe het nu eenmaal is zoals het is…onverklaarbaar.

Je verklaart plechtig om nooit meer de oorzaak te vieren.

Praatjesmakers

Het was weer eens zover: ‘Glansondermijnend gedrag op de werkvloer’
Er waren weer eens stelselmatig werkvloeren vertrapt totdat alle glans er af was.
Het punt was: Er werd nergens meer gewerkt op de werkvloeren… ..handenarbeiders bestonden niet meer…handarbeid was taboe geworden en gedelegeerd aan automaten. Er werd enkel nog geluld over praatwerk dat geen werk meer was…praten over praatjesmaken en dat dan evalueren. Logisch gevolg was dat mensen hun natuurlijke energie niet meer kwijt konden en wat bleef er dan nog voor ze over? Precies: werkvloeren vertrappen.
Dat werkvloeren moesten glanzen van de schone schijn bleef een evident dogma uit de propagandabijbel. Vloeren dienden immer goed in de slappe was te staan op het moment dat ze in beeld kwamen. Vuile was mocht natuurlijk nooit buiten rondhangen en stilzwijgend diskrediet propageren.
Een oplossing lag hinderlijk voor de hand:
Eerst moest er erkenning komen voor het feit dat de Witwasmachines kapot waren en dat vuile was dus onvermijdelijk was. Er zou een volautomatische autocue moeten komen die de taal op de werkvloer zo snel en efficiënt afraffelde dat er schermtijd overbleef om de vloer in beeld te brengen. De vloer zou puur virtueel worden en zodoende nooit meer vertrapt kunnen worden.
Automatiseren was de oplossing voor alles…’het nieuwste normaal’.
Een maagdelijk perfecte werkvloer lag binnen handbereik.