Droog

Het grote epos gaat over het allerkleinste, het verfijnde, meest subtiele dat het kenmerk draagt van alomvattende oceanen, overvol van mogelijk heden, één vonkje schijn is genoeg om wat dan ook tot zijn te verleiden. In elk zandkorreltje woont een zandkasteel…een sneeuwkristal droomt van ijspaleizen. In welke laatste adem gloort nieuwe geboorte…als wat?
Slordige dromers vangen verse woestijnvissen of fata morgana’s van smeltende sneeuwpoppen…ze wensen zich droge watervallen of lichtjaren van twee seconden lang. Ze wanen als verkenners van het ongekende graag het onmogelijke mogelijk.
De echte woestijn is natuurlijk deze woestijn zonder zand, drooggevallen van alle fenomenen, verlaten leegte bewoont door stil besef. In wezen het grootste, meest subtiele detail. Noem het geen naam, probeer het maar vergeefs te vergeten.

Vorst

De oude onbekende liet zich weer eens zien: de achtennegentigmiljoen jaar oude Dinosaurus… We wisten niet wat we misten. Nu eindelijk ontdekt in Patagonië, Argentinië, fossiele reuzenbotten van de grootste dino ooit, 20% groter dan de grootste bekende tot nu toe, zijn troetelnaam: Patagotitan Mayorum. Had zich zo goed verstopt onder archaïsche aarde. De voorzichtige grafschenners zijn euforisch over onze vreedzame voorouder: Grote planteneter met lange staart als tegenwicht voor de langste dunne nek, 40 meter hoog…een flat van dertien etages. Uitgegraasd vond Patagotitan de dood, waarschijnlijk door een klimaatramp.

Achtennegentigmiljoen jaar later vries ik hier thuis zojuist de laatste sneeuwbal in. In het vriesvak heerst onze kleinste en enigste ijstijd. Vorst verdient het om gekoesterd te worden na alle bewezen koude diensten, ook al is het een winter van niks. Winters sterven uit in dit tijdperk van het grote smelten, als de mensheid slaagt als klimaatramp dan worden Poolstreken tropisch. Wie ooit de laatste winter gaat opgraven ontwaakt op het palmenstrand van Nova Zembla. Welk wezen zal over achtennegentig miljoen jaar de resten van deze laatste winter opgegraven uit ons vriesvak? Wat zullen ze zeggen, de laatste sneeuwbal ten tijde van die winter van niks, het nulpunt van onze tijdrekening…toen alles anders werd?

Damp

Professor Samuel Whilstquiver, autodidact, fervent hobbytoerist en quantumfysicus ontdekte al in de jaren ‘90 het energetisch principe om materie te ontledigen. Dat wil zeggen te ontdoen van elke inwendige ruimte. Dat materie voor het overgrote deel uit lege ruimte bestaat is algemeen bekend. Zonder ingebouwde ruimte resteert er slechts een inerte quantumdamp. Volgens Whilstquiver treedt een leegloopeffect op (Imploding Matter) zodra de quanta tijdelijk geneutraliseerd worden, ladingloos. Er blijft een soort etherische mist over van de een zo ‘harde materie’…
Door deze resterende mist opnieuw te laden (Spatial Inflation) zou de materie opnieuw het oorspronkelijke formaat aannemen. Met deze laatste techniek worstelde Whilstquiver kennelijk nog, gezien het enorme aantal verdwijningen van objecten rondom zijn woonplaats Santa Fé. Over nut en toepassing speculeerde Whilstquiver enthousiast over  nuttige toepassingen: bijv. wat dit zou betekenen voor de professionele toerist: zo zou de Matterhorn gedematerialiseerd zo in uw broekzak passen, de Eiffeltoren in een luciferdoosje…Alpha Centauri in uw botaniseertrommel. Reizen zou theoretisch geen tijd meer nemen omdat afstanden gefutiliseerd worden. Elk gewenst toeristisch object zou zo worden geminimaliseerd en naar u worden opgestuurd terwijl u in uw leunstoel blijft zitten. Mogelijkheden waren mindblowing.
Over proefnemingen hulde de Professor zich in stilzwijgen zolang de patentaanvragen nog in behandeling waren. Critici waarschuwden destijds al dat deze implosieve techniek krachtiger is dan alle atoombommen bij elkaar. Men vreest met name voor een kettingreactie. Totale futilisering zou dreigen. Inmiddels reist de hoogbejaarde Samuel alleen nog in de geest, die uiteraard uit niets dan quantumdamp bestaat….damp die zich potentiëel kan samentrekken tot wat dan ook. De patentaanvraag ligt waarschijnlijk in de kluis van het octrooibureau in Albuquerque te verschimmelen.

Spiegelindustrie

Wat ooit het beste idee leek ontpopte zich gaandeweg tot een onwelkome gedachte.
De spiegelindustrie zou het land uit de depressie helpen. Wat velen een oplossing leek bleek een vilein rampenscenario. Het onwelkome zou vanzelf wel vertrekken, dacht men. Welk hoofd zou daar nog onderdak aan bieden?
Onwelkome gedachten zijn doorgaans maar even te gast, maar deze gast vertrok niet vrijwillig. In de medaillewinkel kocht hij de eerste prijs, een gouden beker, waar hij zijn naam ‘absolute winnaar’ in graveren. De onwelkome poseerde trots met zijn trofee voor de spiegel, die hij vastberaden in bezit nam en applaudisseerde voor zichzelf. Zijn leger ingehuurde figuranten was bereid uitzinnig toe te juichen, zolang ze werden doorbetaald. De onwelkome gast was verzekerd van genoeg geld om zichzelf nog jaren van applaus te voorzien. Wat zou de spiegel doen verbrijzelen? De spiegelindustrie draaide overuren.

Hout?

Het jonge boompje groeide onder de beschutting van de honderdjarige beuk
die zachtjes kreunde, wat of het wilde opschot wilde worden…een tafelblad met vier poten…een blokfluit…een mooi geschaafde doodskist?
De jonge spruit wist niet waar de bejaarde woudreus het over had.
De oude legde uit wat je als hout allemaal kon bereiken in het leven…wat je maar wenste. Een viool kon je worden…een paar klompen…een boot…een boshut… een schaakspel.
Het jonge opschot kende dat allemaal niet… En wat hout was kon het zich als spriet
al helemaal niet voorstellen. Het vroeg aan de oude wat hij dan geworden was.
‘Ik ben helemaal niets geworden’ ,zei de reus schor diep vanuit z’n verweerde bast.
‘Ik ben oud geboren, niemand zag iets in mij, mijn binnenste is grotendeels
vermolmd en hol, een schuilplaats voor dieren…maar mijn familie heeft het ver
geschopt…de een is een voornaam dressoir geworden, de ander een schatkist
met houtsnijwerk, mijn overgrootvader werd een koningstroon’
‘Hoe bent u zelf zo oud geworden?’ ,wilde de jonge weten van de reusachtige beuk.
‘Ik ben in de geest van het levende hout gebleven, ik was altijd al precies zo oud
als ik op dit moment ben…er was niets te wensen…en hoe dat kan begrijp ik zelf ook niet’
‘Zo wil ik ook graag zijn’, zei de jonge boom: ‘Onbegrijpelijk’
‘Ja’ ,zei de oude, ‘en weet je, wat het vreemde is: onbegrijpelijk zijn is niet van hout’

Goudmijn

In de zwaar vervuilde buitenwijk van slaapstad H. kwam het kind ter wereld dat later een nogal aromatische reputatie zou verwerven. Het wiegje stond onder de rook van de luchtvervuilingsindustrie van Maasgemeente Rotjeknor. De zuigeling belichaamde een uitzonderlijk fenomeen, zo ontdekte zijn moeder proefondervindelijk…. zijn uitwerpselen waren zo schoon, niet alleen mooi van vorm maar ook verfrissend van geur. Toiletreiniger of wc-verfrisser hadden zijn ouders niet meer nodig sinds zijn geboorte.
De mensen in het slaapdorp werkten allemaal in de zware industrie die verwoed probeerde zoveel mogelijk vervuilde lucht te produceren. Beroet en bezweet kwamen ze thuis met zwarte handen, stinkend naar afvalproducten van de ruwe olie. Bij toeval ontdekte de trotse moeder dat de keutels van haar jongste telg bij uitstek geschikt waren om aangekoekt vuil mee weg te wassen. Het maakte niet uit wat ze het kind te eten gaf, elk voedingsmiddel werd inwendig getransformeerd tot een steeds weer unieke aromatische sculptuur met buitengewoon antiseptische kwaliteiten. Om de anale artefacten te conserveren besloot de moeder ze af te bakken in de oven. De geur van het bakken werd opgemerkt in de buurt en al gauw werd het kind door de volksmond ‘de zeepkakker’ genoemd. Zijn producten begonnen gretig aftrek te vinden onder de smoezelige arbeidersbevolking zodat moeder een zeepwinkeltje kon beginnen, het bleek een goudmijntje. Men begon zelfs kleding met het ‘schuimende goud’ te wassen.
Het opgroeiende kind kon natuurlijk de steeds groeiende vraag naar de zeep niet aan, dus werd besloten zijn magische darmstelsel te analyseren in het Maasstedelijk medisch laboratorium. Uit onderzoek bleek dat een unieke cocktail van bacterieën, schimmels en enzymen verantwoordelijk was voor de zeepproducerende stofwisseling.
Middels transplantaties is deze desinfecterende cocktail met succes verspreidt in het darmstelsel van de ingezetenen van slaapstad H. De zeepproductie is heden ten dage nog steeds de voornaamste bron van inkomsten onder de beroepsbevolking in H.

Suzume


De poëtische wereld stond even perplex door de bevindingen van de Japanse amateur-ornitholoog Tobu Mizake. Zijn veldonderzoek naar de zang van de Japanse mus zou hebben aangetoond dat de zang precies het strakke metrum volgt als de versvoet van de Haiku.

Tjilp-tjilp-tjilp-tjilp-tjilp
tjilp tjilp tjilp tjilp tjilp tjilp tjilp
tjilp-tjilp-tjilp-tjilp-tjilp

Tobu Mizake raakte buiten zinnen van vreugde toen hij bij toeval een natuurlijke verklaring vond voor het geheime ritme van de haiku.
Talloze malen vinkte hij het getjilp af en kwam steeds op precies dezelfde getallen.
De haikuliefhebbers waren in beginsel zeer opgetogen over deze openbaring van het haiku-mysterie.
Het eerste kritische geluid kwam van de etholoog Toru Wakamase en betrof het feit dat Mizake slechts 1 mus in gevangenschap had onderzocht. Mizake vertelde goudeerlijk dat hij zijn dierbare mus Suzume genaamd na elke Tjilpsessie een graantje gaf als beloning. Tijdens het Tjilpen hield de mus ook oogcontact met de onderzoeker waardoor het dier zijn lichaamstaal kon lezen. Wakamase vond dat verdacht en vroeg of Tobu onder toezicht zijn proef wilde herhalen. Tobu wilde niets liever. Hij blindeerde de kooi en inderdaad ook zonder oogcontact stopte Suzume na 17 tjilpgeluiden, zelfs zonder beloning zong Suzume het Haiku-metrum. Wakamase vond het toch geen sluitend bewijs. Tobu beweerde dat zijn mus in ieder geval blind tot 17 kon tellen. De sceptici beweerden dat Mizaki hem dat aantal geleerd had door zijn mus consequent na het getal 17 meteen te belonen. Deze controverse sleept nog steeds voort.

Tobu Mizake hield de eer aan zichzelf liet zijn geliefde Suzume vrij en dichtte:

mijn haiku-mus tjilpt
onmiskenbaar het ritme
van vijf zeven vijf

(De Japanse mus tjilpt trouwens niet, maar zegt chun-chun , wat te denken geeft over de rijkdom van subjectieve waarnemingen)

Logo


De sportwereld is een reclamecircus. Sporters zijn de vleesgeworden reclamezuilen.
Als de kunstwereld hetzelfde zou doen werd kunst niet meer serieus genomen en terecht. Kunst kan niets promoten of zich verbinden met een doelgericht product. Kunst die de markt aanklaagt en bekritiseert is ironisch genoeg zelf onmiddellijk deel van het probleem. De markt neemt meteen bezit van deze kunst en gebruikt haar als reclameuithangbord. De markt regeert volgens de cynische logica van: het maakt niet uit hoe ze over je praten, als er maar ophef is en het logo in beeld komt. Is het vreemd dat kunst altijd haar bestaansrecht moet verdedigen en de sport nooit? De enige manier waarop kunst zich vrij kan manifesteren is als het geen kunst meer wordt genoemd en als het niet meer als zodanig te koop is. Als mensen zelf zeggen: ja, maar zo kan ik het ook, dat is geen kunst. Prima, doe het maar, wees het levende bewijs. Wat onbetaalbaar is is gratis en dus niet te koop.