De gevederde stem

Op het moment dat de befaamde componist Maestro Mirafiori over de legende van de Ravin van Montcorvino hoorde raakte hij zo begeesterd dat Pollice Grosso meteen verzocht werd om het libretto te leveren voor een opera, per telegram.
“Het is al een opera, er hoeft alleen nog maar muziek bij en mooie aria’s.” had de maestro uitgeroepen.
Het duurde een maand voordat het bericht Grosso bereikte, in de vorm van een postbode die hem het telegram voorlas.
Grosso voelde zich vereerd met de uitnodiging om aan de Opera te werken.
Gelukkig was zijn vriend Luciano Lucello bereid een brief te schrijven aan Mirafiori om te danken voor de graag aanvaarde uitnodiging.
Toen de brief verstuurd was vroeg Pollice aan zijn vriend: ‘Wat is trouwens een libretto?’

Na een uitbundige kennismaking met de componist werd de samenwerking beklonken met de beste wijn van Montcorvino.
Het probleem dat Grosso kon lezen noch schrijven werd opgelost als hij Pollice als souffleur bij de uitvoering het verhaal in goede banen zou leiden, een novum in de operawereld.
Een levende verteller die de scenes aan elkaar fabuleerde en ter plekke kon variëren en afwijken.
Iedere uitvoering zou zodoende uniek worden.

Het enige echte probleem was een bereidwillige raaf te vinden, deze raaf zou moeten zingen, of worden afgericht om de doen alsof.
Er werden rond Montcorvino meerdere raven gevangen om te worden afgericht voor de opera, dat zou drie maanden duren volgens de dierenarts die de dressuur op zich wilde nemen.
Mirafiori zou in drie maanden de muziek schrijven.
De premiere kon dan over een half jaar plaatsvinden.
De raven werden gekortwiek en hongerig gehouden zodat ze aanwezig bleven en omkoopbaar om tegennatuurlijke handelingen te verrichten in ruil voor lekkere hapjes.
Voor een lekker hapje deden de raven graag alsof ze bereidwillig waren, maar na het hapje werden ze onmiddellijk ongenietbaar brutaal en onhandelbaar.
Om de rol te vervullen moest de raaf snavel bewegingen maken of met opengesperde bek doen alsof ze een aria zong.
De bek werd volgesmeerd met een kleverige pasta waardoor het dier permanent zijn bek leeg probeerde te likken, onderwijl moest Grosso proberen in de maat van die snavel het verhaal te vertellen, de repetities eindigden in een chaos.
Om de aria’s te verbeelden werd een tweede raaf gebruikt die een stokje tussen de snavel kreeg dat hij kwijt probeerde te raken.
Pas toen de raaf in het dwingende oog van de dierentemmer pikte werden verdere pogingen gestaakt.

De muziek van Mirafiori was prachtig en de aria’s onvergetelijk, uiteindelijk werd er een poppenspeler ingehuurd om de figuur van de raaf te manipuleren.
De opera werd en groot eenmalig succes, een ongestuurd spektakel, maar door Pollice’s uitwijdingen duurde de voorstelling eindeloos.
Na de premiére werd de opera door een reizend poppentheater op het repertoire genomen.
Alleen de aria’s van ‘de gevederde stem’ hoor je nog wel eens uit kapperszaken klinken.

De hele mislukking om de raven te trainen bewees wel dat de liefde van de Ravin uit de legende echt moest zijn geweest, ware liefde laat zich niet omkopen met lekkere hapjes.

De staf van Tebaldi

Voor het college begon waren de vrienden al druk bezig te oefenen hoe je aan het woord kon blijven.
Er werd veel drank ingezet, de favoriete strategie was bijschenken zodat je publiek zwijgzaam blijft drinken.
De schenker hield het hoogste woord tot hij zelf een slokje nam.
Pollice zag het derde college vrolijk tegemoet, nog even en de toehoorders waren zo lam als een kudde schaapjes.
Het was nog geen tijd, Pollice had er echter zin in en stampte met met een oude herderstaf op de houten vloer van de zolder en het was stil.
De studenten ‘Orale verhaalkunde’ keken hem verwonderd aan terwijl hij het woord nam en niet meer losliet.
‘Kijk, wanneer het lastig is om aan het woord te blijven kun je gebruik maken van een attribuut’
Pollice toonde een vreemdgevormde stok en verklaarde op bezwerende toon:
‘Dit hier is de herdersstaf van Gioco Tebaldi, de oudste verteller die ik ooit heb ontmoet, hij gaf mij deze staf en vele ongevraagde adviezen die mij nog steeds als leiddraad dienen.
Deze staf heeft meer verhalen aangehoord dan ik ooit zal kunnen vertellen, van generatie op generatie is deze staf al doorgegeven van verteller aan verteller, de staf zit dus vol verhalen, legendes, mythen en fabels’

‘Let wel, alles kan als attribuut dienen om het verhaal kracht bij te zetten, het ene werkt alleen iets krachtiger dan het andere,bhet ding werkt als het ware als een bewijs uit de tastbare werkelijkheid voor de ontastbare werkelijkheid van het verhaal.’

‘Om de kracht van deze staf te ervaren laat ik hem jullie even vasthouden en vertellen’
Er ging een lichte huivering door de zolder.
Lucello keek sceptisch en geamuseerd bij dit staaltje van magisch denken en trok zijn wenkbrauwen op.
‘Lucello, mag ik jou als eerste de staf overhandigen’ zonder het antwoord af te wachten gaf Pollice de stok aan zijn vriend.
Luciano schrok een beetje, maar merkte dat hij onmiddellijk ongewild begon te fabuleren;

‘wanneer een fysiek attribuut niet helpt, dan kunnen we een zeer geconcentreerd taalattribuut inzetten om de impasse op te lossen’
‘ Om een voorbeeld te geven citeer ik graag onze ten onrechte onbekende dichter Giorgio Caproni, het heet:
‘een briefje alvorens niet weg te gaan’

Mocht ik niet terugkomen,
Weet dan dat ik nooit vertrokken ben.
Mijn gereis
Was uitsluitend hier
Blijven, waar ik nooit ben geweest.

Luciano gaf verbijsterd de staf door aan Mario de postbode, die naadloos het betoog overnam;

‘Dit is nu een treffend voorbeeld van een narratief bouillonblokje, het vat iets onzegbaars samen, je kunt je vinger er niet opleggen, maar de vage smaak van betekenis laat je nooit meer los’
‘De wegen van het verhaal zijn ondoorgrondelijk…’
Pollice gebaarde om de spraakmakende om de staf weer door te geven.
Na het woord ondoorgrondelijk liet Mario de staf uit zijn handen vallen.
Pollice schrok omdat hij het geschenk van Tebaldi koesterde als een schat, een levende bron van inspiratie.
Hij schudde de staf voorzichtig en hield hem aan zijn oor om te luisteren of hij het nog deed.
Het gezelschap hield de adem in…tot Pollice fluisterend verlossende woorden sprak:
‘De wegen van het verhaal zijn ondoorgrondelijk en wonderbaarlijk, met de lijm van betekenis is ze in staat om alles wat los en vast zit onlosmakelijk te verbinden’
Pollice haalde opgelucht adem en wikkelde de staf in een zijden doek.

Eenmaal thuis had Luciano Lucello nog nageplozen wie Caproni was, of hij bestond en of het gedicht zo bestond zoals hij het, zonder het te kennen, had geciteerd.
Het was alsof de wetenschappelijk bodem onder zijn bestaan wegzakte, natuurlijk was dat slechts schijn, er had nooit een bodem in gezeten.

De golfslag van woorden

De golfslag van woorden

Het vervolgcollege ‘ Orale verhalen’ vond plaats op het hooggelegen terras van Ristorante Pollodoro, met uitzicht op eindeloze boomgaarden.
De vrienden begonnen om de beurt aan wat het begin van een verhaal zou kunnen worden.
Luciano Lucello wilde beginnen:
‘Ik heb niets voorbereid’ zo begon hij.
‘Prima’ zei Pollice bemoedigend, ‘dan is onvoorbereid zijn het thema, een mooi thema.
Ik bereid nooit iets voor, er vallen immers geen voorzorgmaatregelen te treffen.
Een oraal verhaal kent geen enkele voorbereidingstijd.
Het verhaal wordt altijd nu verteld, onmiddellijk, er is geen bedenktijd, vandaar dat de verteller vertrouwd moet zijn met de blinde paniek van het niet meer weten om verder te kunnen.
De verteller balanceert op het randje van de waanzin’
Pollice rolde even met zijn grote zwarte ogen.

‘Kun je iets zeggen over tijdloze verhalen en hoe je die kunt vertellen’ vroeg Mario de postbode, die nooit kon nalaten de briefkaarten die hij bezorgde even te lezen.

‘Er zijn zeer inderdaad geconcentreerde verhalen’ antwoorde Pollice, ‘die het vermogen hebben om je je hele leven bij te blijven nadat je ze eenmaal hebt gehoord.
Dit soort verhalen noem ik bouillonblokjes omdat ze de hele zee van leven op smaak kunnen brengen, maar hierover later…
dat zou te ver voeren, we moeten koers houden…’

‘een begin beginnen is dus geen probleem’ vervolgde de gastdocent;
‘het onderwerp ontstaat dus gewoon door blind van wal te steken, je stapt van de kade af, aan boord van een boot die voorbij komt, maakt niet uit welke, ook al is het een zinkend schip, zinkende schepen baren de mooiste verhalen,
een schipbreuk is een goudmijntje voor iedere verteller…’

‘trouwens lijden wij niet allemaal schipbreuk op dit ruimteschip aarde dat de woeste zee van mogelijk heden bevaart?
Of dwaal ik nu af, waar waren we gebleven, bij het aanmonsteren…’

Er werden wat handen in de lucht gestoken die beleefd om het woord vroegen.
Deze werden door Pollice vakkundig veronachtzaamd om het college te kunnen vervolgen.
Een boot waar de vaart in zit kan nu eenmaal moeilijk remmen.

‘Eenmaal aan boord is het wel zaak om aan het woord te blijven, aan het woord blijven is aan de bal blijven,
soms kaats je de bal het publiek in als je verhaal dreigt vast te lopen, met de reacties maak je het verhaal aannemelijker,
het publiek draagt immers zelf actief bij aan de loop van het betoog’
‘Aan het woord blijven is een golfslag opwekken waardoor de boot gaat deinen, zo voelt het publiek dat ze echt onderweg zijn naar… naar wat eigenlijk?’
‘Kort gezegd: zolang het doel onbekend is ligt het verhaal op koers’
‘Dit noemen we het onbekende verwachten’
‘Wanneer het verhaal echt stilvalt dan is dat door overmacht, dan is het een teken dat het verhaal de verteller heeft overgenomen, het leeft haar eigen leven ongeacht wat de verteller wil, uiteindelijk heeft een verteller dus niets te zeggen, de verteller is slechts een dienstbaar middel’.

‘Deze spontaan intredende stilte is het natuurlijke rustpunt van de vertelling, geen einde maar een rustpunt,
ook een verhaal moet op adem komen’.
‘Dan staan we samen weer op de zonnige stille kade te turen naar de bootjes.
Deze kade is onze thuishaven’.

‘Zijn er nog vragen?’ vroeg Pollice.
De vrienden op het terras keken een beetje dromerig en afwezig de verste verten in.

Analfabetisch College


Vrienden van Pollice Grosso, die hem liefkozend ‘Zwamneus’ noemden, hadden hun vrees geuit dat zijn orale kunst verloren zou gaan wanneer hij het niet zou overdragen.
Pollice zelf was ervan overtuigd dat er altijd weer nieuwe kletskousen en zwamneuzen zouden opstaan, als paddestoelen uit onzichtbare sporen.
Vanwaar dat blinde vertrouwen?
“Omdat er een onstelpbare behoefte is aan ondertiteling van de film van ons bestaan, zonder ondertiteling kan niemand het verhaal volgen, hoeveel boeken verschijnen er niet jaarlijks?” vroeg Pollice.
“Ongeveer twintigduizend leesboeken” berekende Aldo van uitgeverij ‘Il Bomba Pigro’
“En ondanks al die dodeletterboeken hebben jullie toch nog honger naar levende orale verhalen?” vroeg Pollice verwonderd.
Zijn vrienden bedoelden het goed en moesten erkennen dat hun vrees voortkwam uit het feit dat ze zijn goddeljke gezwets, geneuzel, gezwam en gezwatel niet zouden willen missen.
Na enig aandringen en onder overvloedige invloed van Prosecco stemde hun Zwamneus erin toe zijn kunst over te dragen.

“Goed dan, zullen we meteen beginnen?” Pollice wreef in zijn zwaarbehaarde handen alsof hij zich warmde aan een gloeiende vuur.
“Hoe moet je een verhaal beginnen?” zo luidde de eerste vraag.

De analfabete hoogleraar stak van wal;
“Kijk goed in je en om je heen en luister.
Een verhaal heeft geen onderwerp nodig om over te gaan, het onderwerploze is het mooiste onderwerp, elk ander onderwerp is ook goed!
Het verhaal gaat altijd en overal door, ook al lijkt het nergens over te gaan, over de spaties tussen de woorden,
de leegte tussen de regels, de stilte na en voor de storm.
Zoek dus nooit naar een onderwerp, begin gewoon maar te praten, het kan namelijk niet nergens over gaan.
Nergens bestaat niet en niets is zonder betekenis zelfs niets heeft betekenis, een betekenis die de doorslag geeft.
Niets bestaat niet en daarmee is ze het meest alomvattende bestaan wat je je niet kan voorstellen, schitterend dankzij afwezigheid.
Wij zouden geen moment zonder kunnen bestaan”.

Hier liet Pollice een lange stilte vallen, niet dat ie zo lang was of kort, dat was eigenlijk niet te bepalen.
Het was een stilte waar tijdbesef even wegviel, een stilte middenin de storm.
Zo, de kop van het eerste college was eraf, nu aan de slag, geen daden maar woorden.
De volgende keer zouden de vrienden de beurt krijgen om om te laten horen dat ze een verhaal kunnen beginnen.

“Verhalen is meestal praten om niet de handelen, om handelen overbodig te maken, om de noodzaak van handelen te voorkomen.” besloot Pollice het college.
“Wie het daar niet mee eens is, gaat zwijgend op in het directe handelen, de rest is gezwam”

Geest uit de fles

In het digitale tijdperk
(weet je nog hoe dat vroeger was?)
gooide de afzender op het laatst iedere fles
die hij leeg dronk in zee met een briefje erin.

de flessen werden gevonden
(door verschillende ongeadresseerden)
De boodschap was handgeschreven
“Beste lezer, laat mij met rust, bij voorbaat dank!”

De wens werd alom gerespecteerd
niemand viel de afzender lastig,
de lezers waren blij en opgelucht,
dat was toch weer een zorg minder.

Uit redenen van privacy
was de brief niet ondertekend.

Nu we het digitale zijn ontgroeid
communiceren we gewoon weer telepathisch
zonder tussenkomst van taal
of technologische middelen.

Het was wel weer even wennen,
communicatie zonder gebruiksaanwijzing,
zonder voorprogrammering of afstandbediening.
(niet opladen, bij geen spanning de beste ontvangst)

Voorheen moest je goed op je woorden letten,
nu op je gedachten en denkbeelden,
voor je het weet bestel je het onwenselijke,
geestelijke spam, je prullemand is zo vol.

Dingen lijken sprekend

Onderweg laat Pollice de dingen meestal tot de verbeelding spreken, zodat ze een eigen leven kunnen gaan leiden in dit verhaal.
Hij arriveerde bij het huis van de onbekende die hem had uitgenodigd om het verhaal van zijn leven te vertellen,
Pollice zou alleen luisteren.
De voordeur zei: “stop, wat moet je hier, noem het juiste wachtwoord.”
De deurbel verklaarde: laat mij weten dat je hier staat, waarschuw mij als het huis in de brand gaat, plaag mij met vermeend bezoek”
De brievenbus vertelde:” schrijf maar een brief, een verzoek of een uitnodiging of zomaar een briefkaartje.”
Het slot smeekte: “Open mij toch, ik ben zo eenzaam, ik mis je zo, liefste sleutel.”
De deurmat verzocht nederig:
“vertrap mij en wees welkom, ik veeg uw zolen schoon”
Het naambordje riep uitbundig: “hier woont diegene die luistert naar zijn naam, wie is hier zo genaamd, wie laat zich nu diegene noemen, juist diegene dus.”
Op het naambordje stond in sierlijk letters de naam van de bewoner, helaas kon Pollice het niet lezen.

De deur van het huis stond op een kier, hij ging naar binnen.
“Joehoe” riep Pollice, “is daar iemand?”
Hij kwam in een keuken terecht, waar hij flarden van een gesprek opving.
“Het leven is dienstbaar zijn en dingen op een hoger plan brengen,” sprak de tafel streng tegen de vier stoelen.
“Nou, je moet het leven wel zien zitten” zei de kruk.
“ja, iets anders zit er niet op”, zei de leunstoel die gerieflijk achterover hing.
“Maar”,sprak de schemerlamp,”Het leven is in mijn ogen een schijnvertoning, het is iets anders dan het lijkt”
“Ach wat, dat lijkt maar zo, schijn is ook maar schijn” sputterde het zoutvaatje op het lege aanrecht.
Het dressoir zei op opgeruimde toon; “allemaal onzin, het leven is gewoon opbergen, ordenen en pronken, dingen zijn persoonlijkheden.”
“Flauwekul,” riep de kapstok, “ik heb geen enkele persoonlijkheid, iedereen hangt ongevraagd zijn persoonlijkheden aan mij op, kaal en naakt waren de dingen rond, zonder jas van taal”

Pollice kon het verhaal van de dingen niet volgen en liep naar buiten de olijfboomgaard in.

Waar een oude olijfstronk zacht mompelde:
“Het leven is grillig, moeizaam en stug”
Het gras aan haar voet betoogde
“Welnee, het is juist mals, veerkrachtig en soepel”
De blauwe lucht zuchtte,
“Het leven is licht als veertje, zacht en onvoorspelbaar”
De rots kreunde,
“Wat een onzin, het leven is zwaar, hard en koud”
Een hommel bromde “Het leven is zo geurig, zo zoet en smeuïg”
De heggemus tjilpte “Leven hipt heerlijk weg, het vliegt en zindert”
Het landschap zei “Dit leven is zo ruim, zo wijds, zo licht”

Opeens stond de onbekende voor hem.
“Bent u het?” vroegen ze bijna tegelijkertijd, ze knikten elkaar toe.
“Ik heb geluisterd, maar wie van al deze dingen heeft er nu gelijk?, vroeg Pollice
“Allemaal natuurlijk.” verklaarde de onbekende luchtig,
“samen vormen ze het hele verhaal.
Het begon Pollice te duizelen, zoveel stemmen.

“Vertel nu uw verhaal maar, ik luister” stelde Pollice voor.
“Maar de dingen hebben u alles al verteld”
De onbekende trok zijn wenkbrauwen op en schudde lichtjes zijn hoofd.

De ravin van Montcorvino

In het stadje Montcorvino huisde van oudsher een grote ravenkolonie.
Ze woonden in de torentjes, de cipressen en onder die typische middeleeuwse afdakjes.
Raveneieren waren daar geliefd, een delicatesse.

Tijdens het eieren roven, een jaarlijks uit de middeleeuwen stammend ritueel, was er een ravenjong uit het nest gevallen.
Het bleek een vrouwtje te zijn, een ravin.
De jonge vogel werd opgekweekt door de plaatseIijke barbier Sandro Picadoro; hij was nooit getrouwd en niemand wist waarom.
Als zovele Italiaanse kappers zong hij voluit onder het knippen, het liefst opera-aria’s of Napolitaanse liederen.
Met zijn schaar knipte hij dan in de maat en soms een opzwepend ritme, afgewisseld met een danspasje.
Hij had plezier in zijn werk.
De jonge ravin begon de barbier te imiteren, ze oefende op zijn menselijke timbre.
Ze kraste niet zoals het een goede raaf betaamt, ze zong heel sonoor.
De barbier raakte betoverd door het dier, ze ontroerde hem.
De ravin zong iedere dag beter, na een jaar zongen ze samen hele aria’s en duetten, terwijl ze op de rand van de spiegel zat.
De klanten vonden het prachtig.
Picadoro merkte dat hij een beetje verliefd werd op het dier, misschien omdat hij zijn liefde voor muziek met haar kon delen?

Er drong zich geleidelijk een vaag besef aan hem op zonder te weten wat het was.
Mensen kwamen nu speciaal naar zijn zaak om de ravin te horen zingen, dat geknip in haren namen ze op de koop toe.
Het paar werd steeds vaker uitgenodigd om op te treden.
De vogel stond al gauw bekend als ” de ravin van Montcorvino ” soms werd liefkozend “nostra diva piumato” genoemd,
“onze gevederde diva”.
Ze werden onafscheidelijk, gingen samen op tournee, de hele ravenkolonie vloog mee.
Kwade tongen beweren dat terwijl de vogel zong haar familie de huizen in vloog om zich over de glimmende dingen te ontfermen, dit is natuurlijk maar een fabeltje.

De barbier moest vaak denken aan een jeugdliefde die hij had gekoesterd.
Die liefde betrof de operadiva Julietta Olivetti, ze trad op in alle grote operahuizen.
De jongeman was verkocht toen hij haar hoorde bij een opera op het plein van Montcorvino.
De Diva had vele bewonderaars en ontving velehuwelijksaanzoeken met bijpassende juwelen.
Ze voelde zich zeer gevleid, maar kon niet kiezen, het ene juweel was nog mooier dan het andere.
Er was één aanzoek dat vergezeld ging met een naamkaartje waar achterop geschreven stond: ‘ik zal altijd op je wachten’ ,
geen juwelen, alleen deze simpele boodschap.
Dit kaartje was van de jonge barbier, hij had geen geld maar wel alle tijd.
Al weifelend kwam Julietta nooit aan trouwen toe, ze raakte verslaafd aan de glimmende dingen.
Op een dag werd Julietta schor wakker, haar stem was weg, haar echte juweel.
Ze stortte in tussen de coulissen van het operapaleis, blinde paniek.
Wie was ze nu nog zonder die stem uit duizenden?
De zaal was uitverkocht.
Wanhopig was ze de brug afgesprongen en verdronken in de rivier.

Hoewel het voor de Picadoro lang geleden was dat hij zijn liefde had verklaard aan de diva, drong het idee zich aan hem op dat de zingende ravin de incarnatie was van zijn jeugdliefde.
Hij had zich aan zijn woord gehouden, hij was op haar blijven wachten. “Ben jij het, Julietta?” had hij gevraagd.
Ze had geantwoord door ‘O sole mio’ te gaan zingen, het bewijs was geleverd. Ze leefden gelukkig samen, zingend.

Zo kwam dit verhaal in de wereld, in Montcorvino, waar de chocolaatjes, in de vorm van een raaf zijn gegoten.
“Wie bereid is te wachten kan alles verwachten, geluk kan zich vermommen in elke gedaante.” besloot Pollice Grosso de avond.

Muziek der sferen


De muziek der sferen wordt door de meeste mensen geassocieerd met een sfeer die ver weg ligt, ver boven ons bereik, als iets etherisch.
De meesten bedoelen met iets etherisch het rijk der fabelen.

Stel je voor; een lege ruimte, lege ruimte is al een verdubbeling van niets.
Er is niets zo moeilijk als niets omschrijven, elke definitie is teveel.
Nog een ander woord is vacuüm, lege ruimte, zelfs zonder lucht, zonder gas, zonder inhoud.
Nu schijnt vacuüm niet te bestaan, in de zin dat zelfs in een schijnbaar zuiver leeg vacuüm deeltjes of golven oplichten.
Er lijkt een basislading aanwezig te zijn verdeelt over de ruimte
Die lading manifesteert zich als quantumdeeltje en verdwijnt weer in ruimte of beter gezegd als die ruimte.
Een spookachtig verschijnsel van er zijn en tegelijk er niet zijn.
Dit is de werkelijkheid van de kleinste deeltjes, onze kosmos bestaat uit zo’n vacuüm.
In een vacuüm klinkt geen muziek, daar is lucht voor nodig waarin golven zich kunnen voortplanten.

Stel je voor, het Concertgebouw, als lege ruimte, denk de stoeltjes en overbodige ornamenten maar even weg.
Denk het concertgebouworkest ook maar helemaal weg, geen publiek. Het licht mag uit.
De lucht laten we er nog even in.
Stel je voor; binnen deze leegte, klinken nu op allerlei locaties geluiden, ze komen voort uit de gehele lege ruimte, onvoorspelbaar waar ze klinken of met welke frequentie.
Muziek zonder instrumenten, spookachtige klanken vanuit het niets.
Deze analogie zou helemaal kloppen als er voor klank geen lucht nodig was.
Toch geeft het een idee van het wonderbaarlijke karakter van de essentie van onze materiële werkelijkheid.

Deze quantumsfeer is niet ver weg, niet ver buiten ons bereik. Sterker nog; we bestaan in deze sfeer, en we bestaan als deze sfeer.
Hoe wij rondspoken in dit bestaan en wat wij uitspoken in onze bovenkamer. Dat is met recht fabelachtig te noemen.

De zee spreekt


Pollice Grosso is geen natuurliefhebber, liefhebberij vraagt afstand.
Volgens Grosso valt de mens naadloos samen met de natuur, het enige dat de mens onderscheid van de natuur is het verhaal, een denkbeeldig onderscheid.

De mens als verhalend dier.
“De mens legt een verhaal over de natuur, dieren maken geen verhaal, het verhaal komt vaak voort uit de ontkenning natuur te zijn ” zei hij eens tegen Luciano.
Deze had hoofdschuddend gelachen en gezegd: ” Je bent een taalbeest, Grosso, ontken dat maar eens”.

Op zijn rondreizen trok Pollice graag door de bossen, de bergen, hoogvlakten.
Het mooist vond hij het om vanaf de berg de dalende beekjes te volgen tot diep in de dal waar ze tot rivieren samenstroomden, die weer in zee verdween.
Des te vreemder vond hij het zelf dat de zee hem niet bepaald aantrok.
Integendeel, de zee leek hem het land op te drijven.
Had het met zijn nachtelijke tocht te maken had toen hij als jongen zijn Siciliaanse familie ontvluchtte?
Midden in de nacht met een gestolen roeiboot de zee op, een woestijn van nat.
Achteraf bleek dat hij ook de veerboot had kunnen nemen vanuit Palermo, niemand had hemp dat ooit verteld.
Niemand vertelde hem ooit wat, misschien was hij daarom wel verteller geworden?

Pollice had achterom gekeken toen hij aan land stapte, de zee had tegen hem gesproken met een zachte ruisende stem:
“Ik heb je leven gespaard jongen, als je wist hoe wild ik eigenlijk ben was je nooit aan deze tocht begonnen”.
“Voor jou heb ik mijn golven uitgespreid en dat doe ik niet vaak”.
De jongen voelde dankbaarheid, maar hoe kon hij de zee bedanken, wat kon hij terugdoen?
“Ga nu het land op jongen” had ze gefluisterd, “en vertel de wereld haar verhaal, luister maar, alle dingen spreken voor zichzelf”.
Of zou het komen door het volksverhaal dat hij later hoorde?
Alle verhalen van de wereld zouden als beekjes en rivieren naar zee stromen, daar werden ze opgelost en uiteindelijk verdampten ze.
In zee weken de namen weer los van de dingen, in die zee wordt de wereld weer naamloos.

Pollice leefde van het verhaal.
Zouden zijn verhalen door die zee worden verslonden dan zou hij met zijn mond vol tanden achterblijven op het kale strand.
Een lichte huivering trok over zijn rug bij dat idee.
Voorlopig zou Pollice de zee beter mijden, voor de zekerheid. Wanneer hij uitverteld was zou hij de zee alsnog bezoeken.
De zee loopt niet weg, waarin zou ze weg kunnen lopen?