Wonderzoek

Mijn bebaarde oude vriend woont naast de Keukenhof, het is als het ware zijn achtertuin. Hij heeft vrij entree vanwege zijn bejaarde staat, ik geld als introducee.
Gewoontegetrouw lopen we door het tulpenparadijs. De meeste tulpen hangen erbij als leeggelopen ballonnetjes, slap aan bleke stelen. De vlag hangt ook, in top, uit te druipen van een winterse bui. Alleen op papier is het lente. Ons gesprek stroomt gewoon weer verder waar we gebleven zijn, terwijl we de plassen ontwijken.
‘Het leven is het vreemdste wat mij als mens ooit is overkomen’ zegt hij lachend, wijzend naar de treurtulpen.
‘Dit is ook weer vreemd om te zeggen want het suggereert dat ons ook nog iets anders dan het leven kan overkomen…’
‘Ja, dat zo’n woordje ‘leven’ alles omvat, noem maar eens iets wat daarbuiten valt…!’ ‘Een woordje, een stukje klank met een enorme pretentie’
‘Ik weet als dier niet eens wat een mens is, het lijkt mij eerder een mogelijkheid dan een voldongen feit’
‘Is de mens geen definiërend dier?’ Stelt hij olijk.
‘Die is leuk, dat is ook weer een definitie, een zelfbevestiging’
‘Kennelijk twijfelt de mens zo, dat hij zelfbevestiging denkt te vinden in ‘kloppende’ definities’ ‘Wat mankeert er aan twijfel?’
‘Zeker,moeten ons niet bevrijden van kloppende definities, denkbeeldige strohalmen?’

‘Twijfel is prima brandstof voor blijvende verwondering en onderzoek’

‘Wonderzoek?’
‘Is onderzoek zonder woorden niet veel directer?’
‘…………………….’ zwijgt hij wijzend naar de grond.

We kijken maar de sokken in zijn sandalen die volgezogen zijn met regenwater.
De sokken trekt hij uit, dan maar blootsvoets in de sandalen, het zonnetje breekt door.

Aanloopkat

Geluksdwang lijkt een collectieve dwangneurose te worden.
Er heerst een dwang om gelukkig te zijn of te worden, het is een bijna morele plicht. Maakbaarheid zegt dat het onze eigen schuld is als we niet gelukkig zijn. Het vreemde is dat geluk nog altijd aan objecten wordt gekoppeld.
Het sterft van de Boeddhabeelden in de westerse wereld maar het inzicht wordt zorgvuldig vermeden.
Verlangenloosheid is geen object. Hoe meer je geluk najaagt hoe harder ze bij je vandaan loopt. Als geluk niet interessant meer is komt ze onverwacht op je schoot zitten als een vreemde aanloopkat. Je weet niet waar je het aan verdiend hebt.
Want geluk is gratis en dus onbetaalbaar. Wat is verlangenloosheid anders dan genoeg hebben aan wat er op dit moment is. Er hoeft niets bij, er hoeft niets weg.
Dit is wat er is, er is niemand aanwezig die ergens om zeurt of ergens vanaf wil.
Alleen niemand heeft genoeg aan zichzelf, dit is een constatering die niemand begrijpt. Wees dan maar niemand en verwacht geen kat.

So What

Ik las een verhaal van en over Raymond Carver met een geweldige plot.
In dit verhaal schrapt een redacteur van zijn uitgeverij 74 procent van zijn werk. Werkelijk een heel kerkhof van ‘Darlings die gekilled worden’ . De redacteur wordt met naam en toenaam genoemd, voor de geloofwaardigheid,
als huurmoordenaar van de literatuur. De suggestie wordt gewekt dat Carver niet kon schrijven en nooit de ‘Carver’ zou zijn geweest zonder deze ‘moordenaar’…
Zoals bekend werd Carver beroemd om zijn uitgeklede stijl, die dus niet aan hem zelf te danken was. Saillant detail is nu dat de ‘corrector’ van die 74 procent geschrapte tekst
‘restverhalen’ construeerde. Deze verhalen die hij puur voor zijn eigen plezier samenstelde zijn nu gebundeld onder de titel ‘So What!’. Ze vormen een hilarische en tegelijk beklemmende opsomming van cliché’s, stereotyperingen, stopwoordjes, platitudes etc. Het verhaal ‘Stalker’ schetst een achtervolgde schrijver die zowat na elk geschreven woord over zijn schouder kijkt, het zweet breekt hem uit. Wat hem precies achtervolgt blijft duister tot het einde, een plot zonder plot.

Sommigen twijfelen nu of Carver niet een pseudoniem was van de redacteur.
Een overbodige twijfel als u het mij vraagt, elke eigennaam is een pseudoniem van het openbare mysterie.

Antenne

Dimitri Sjostakovitsj kreeg in de tweede wereldoorlog als ziekenbroeder een granaatscherf in zijn hersenen. Deze scherf fungeerde als er soort antenne die de ‘muziek der sferen’ kon ontvangen. Wanneer hij even zijn hoofd schudde hoorde hij een stroom van melodieën weerklinken. Een operatie om het ding te verwijderen wees hij af. Dat een granaatscherf tot muze kan transformeren is een mirakel. Een mooi gevolg van oorlog? Gelukkig was Dimitri al musicus en kon hij gehoor geven aan de oneindige melodie door ze toegewijd te noteren, noot voor noot. Een boekhouder was er wellicht gek van geworden.
Duizend bommen en granaten om één componist voort te brengen…

Tong

De koop werd bij de notaris beklonken met een Beerenburger.
Als een hond bepiste de randstedeling de vier hoeken van het nieuwe perceel. Het statige notarispand was nu van hem. De oude notaris was uitgekocht. Plaatselijken stonden hier van nature vijandig tegenover het importvolk. Het wonderlijke was dat hij het vlaggen niet in het verborgene deed maar op klaarlichte dag. Zijn buren hadden het allemaal kunnen volgen vanachter hun keukenramen met vale vitrage. Hij deed het erom, zo vertrouwde hij mij later toe. ‘Ze moeten de baas niet alleen ruiken, maar ze moeten ook zien wie ze ruiken’ Ik zag in wat hij bedoelde en knikte instemmend.
“Als niet Fries moet je wel een daad stellen, anders rijgen ze je hier aan de riek” Zijn Thaise vrouw Tong zou wel even moeten wennen aan de Friese volksaard. Maar let op mijn woorden zei hij bezwerend:”Over een jaar vreten ze allemaal Thaïs!” De bijkeuken zou haar restaurant worden, niet te pittig.

Tong liep bij hem weg. Ze dook onder bij landgenoten in de randstad. Hij kon het niet vinden daar, weigerde koppig te vertrekken, als een ‘echte’ Fries.

Graaswind

Wel eens de wind zien grazen door het hoge gras,
als een onzichtbaar wild beest, dat zich gulzig uitleeft?

Of door de hemel zien denderen als een kudde bizons,
donderend enorme stofwolken veroorzakend?

Wel eens dat beest gezien?
Ik niet, we zien alleen haar gevolgen.

Dat beest zijn wij, het is nergens niet,
het graast overal, ongrijpbare levensadem.

Bit

Mijn tandarts is een dierenliefhebber, doet ook paarden en ezels in zijn vrije tijd. Hij stemt op de dierenpartij en geeft ruiterlijk toe; ‘Ik ben ook een dier’
‘Grappenmaker, je bent een beest’ zeg ik hem, ‘Je kijkt gegeven paarden in de mond en zet er een beugel in’ Hij heeft mij onlangs een beugel gegeven, ik ben pas zestig geworden.
‘Je hebt ze niet allemaal op een rijtje, maar het is nooit te laat’ grapte hij vorige maand.
Ik trapte erin, nu loop ik met pijn in m’n bek. Het klinkt gek maar met aanhoudende pijn komt het primitieve dier in mij naar boven, hetgeen zich uit in ruwe taal.
Vandaag laat ik mijn bit verwijderen, mijn tanden staan nog scheef, maar genoeg is genoeg.
‘Wat een opluchting geeft dat, een mond vol scheve tanden, heerlijk’ zeg ik terwijl we naar buiten lopen. ‘Daar zijn wij voor op aarde, om het leed der dieren te verzachten’ We lachen om de klucht.
‘Toch vind ik het fantastisch dat je je vrijwillig voor de dieren inzet’ prijs ik hem. ‘Zeker, vrijwillig…maar niet gratis, dat begrijp je toch wel, paardeneigenaars zijn over het algemeen zeer bemiddeld!’
‘Stuur je de rekening op?’
‘Komt wel goed, ik vraag geen verwijderingsbijdrage’

Ziektewinst

Ik zocht in het paviljoen naar mijn oude vriend die mij na onze studietijd uit het oog was verloren. Zijn hoogbejaarde moeder belde mij op om hem te gaan bezoeken in de inrichting. Wat een prachtig neutraal woord dacht ik nog toen ze het met haar Wassenaarse dialect uitsprak, inrichting. Een gekkenhuis voor de beter gesitueerden. Waldemar was inderdaad altijd uitstekend gesitueerd. De verstikkende luxe waarin hij opgroeide zette hem aan tot de filosofie. Dat is het ware geschenk van overvloed: het besef dat je al die tastbare troep niet nodig hebt, dat het gaat om de ontastbare ‘troep’
Zijn bezorgde moeder vertelde dat hij ervan overtuigd was geraakt dat we achteruit leven, dat de dood een soort geboorte is. We zouden leven vanuit de toekomst en terugleven naar het verleden waar de dood ons wacht als een omgekeerde geboorte. Daar kruipen we, geslonken tot zuigeling, de baarmoeder in om daar te verdwijnen…?

Waldemar herkende mij niet met baard en bril. Hij kon onmogelijk vermoeden dat ik tot moslim was bekeerd. Mijn djellaba hielp de herkenning ook niet echt. Ongevraagd begon hij mij meteen te informeren over zijn gekantelde inzicht;
‘De dood verwekt ons allemaal, hetzij op zeer verschillende wijzen. De een valt in een ravijn, de ander stikt per abuis in een wesp, de volgende bezwijkt aan de builenpest.
De dood heeft een zeer gevarieerd repertoire, buitengewoon creatief’ zo sprak hij begeesterd en vol bewondering voor de dood alsof het een kunstenaar betrof.
‘Dus’ resumeerde ik, ‘Je ziet de dood dus als een soort oermoeder waar wij allen uit voort zijn gekomen?’
‘Zoiets ja, hoe je doodgaat heeft een beslissende invloed op de rest van je leven’ zei hij langzaam en peinzend in een afwezige verte.
‘Hoe heeft jouw dood je leven dan bepaald, als ik vragen mag?’

Het bleef lang stil, alsof hij zijn dood nog een keer beleefde…

‘Mijn geboorte was dat ik stierf van verveling, er was niets meer te doen, mijn bedje gespreid, ik moest de reden achterhalen waarom er geen reden was’ ‘En…heb je de reden gevonden?’
‘Ja’, zei met met spijt in zijn stem, ‘Ik moest erkennen dat het gevolg de oorzaak is van alle verschijnselen’
Het duizelde mij terwijl ik probeerde uit het denkbeeldige labyrint van mijn vriend te ontsnappen. Heel even huiverde mijn ruggengraat van deze gekte. Op weg naar huis nam ik mijn toevlucht tot een moskee voor het middaggebed.
Later realiseerde ik mij dat Waldemar daar toch wel riant leefde in die inrichting,
een paradijselijke omgeving. Menigeen zou vrijwillig die overtuiging willen aanhangen, voor zo’n gespreid bedje. Zou ik me nog een keer laten bekeren?

 

Het vorige leven

De briefkaart had eerst jarenlang op zijn schoorsteenmantel gestaan.
De kachel was voorgoed verdwenen nadat het statige kraakpand door radiatoren werd ontsierd.
Nu, negen jaar later besloot hij de kaart in te lijsten vanwege het bijzondere handschrift met zijn adres en de postzegels met boetestempels vanwege onvoldoende frankering. De afbeelding toonde een lezende vrouw, in een Vermeerachtig licht. Deze kaart vormde een markering in zijn leven, een keerpunt. Zijn vorige leven was een wonderlijke buiteling van incidenten geweest. Incidenten waren destijds een vertrouwde wetmatigheid in plaats van een uitzondering.
Mensen die spanning en sensatie zochten hadden in zijn ogen gewoon nog nooit iets in levende lijve meegemaakt. Ze zochten naar surrogaten om die leemte op te vullen.

Na de totale chaos van zijn vorige leven kwam de wereld hem nu voor als een perfecte ordening. De lukrake ordening van een beukenbos in de herfst.
Hoe de briefkaart haar werk had gedaan wist hij niet maar het stond vast dat vanaf het versturen van deze kaart alles op de juiste plaats viel.

‘Dit is het uitgelezen moment om te realiseren dat dit moment al het geschrevene overstroomt’

zo stond het er…woorden die het beeld illustreerden. Hij kon er niet de vinger op leggen wat ze precies behelsden. Deze woorden hadden zijn leven schoongespoeld. Er stond geen afzender op. Aan wie hij deze zegen te danken had kon hij nergens meer achterhalen. Het was waarschijnlijk niemand geweest, niemand in het bijzonder.