Gevaargekte

Nou, je was weer lekker op dreef, met je helse verhalen!
Ik werd ertoe gedreven door de olieslagerijen van mijn jeugd.
Ja, gedreven door de duivel zeker?
Kun je niet lezen, ik schreef : de hel is mensenwerk.
En de hemel dan?
De hemel is afzien….
Afzien, dat lijkt me meer iets voor de hel.
Rustig, ik was nog niet klaar, de hemel is afzien van de neiging om in te grijpen in dat wat intrinsiek al goed is, afzien van veranderen, van verbeteren.
Nou, dat zou een mooie puinhoop worden als we alles in het honderd laten lopen.
Volgens mij is het nu juist een puinhoop vanwege die neurotische obsessie om in te grijpen in wat al goed is.
En de dood dan, is dat goed? Jij wilt toch ook lang leven?
Jij noemt de dood slecht en daarmee is dood slecht voor jou, ik wil zo lang leven als mij is gegeven, de dood is voor mij intrinsiek goed.
Belachelijk, dus jij wilt dood?
Ook, ik wil leven dus wil ik ook dood, ik heb geen haast, maar ik stel het ook niet uit.
Je bent mijn beste vriend maar je klinkt nu als een gevaarlijke gek.
Dat is lief dat je dat durft te zeggen, ik sluit ook niet uit dat ik gevaarlijk gek ben.
Maar even terug naar die olieraffinaderijen, daar was jij toch niet echt blij mee.
Dat is een goed voorbeeld van misplaatst ingrijpen in de natuur, kijk maar eens hoe deze industrie onze omgeving wereldwijd heeft vergiftigd, een oceaan van plasticsoep.
Hadden we zonder kunststoffen ons zo kunnen ontwikkelen als mensheid?
Natuurlijk, we konden tweeduizend jaar zonder die onafbreekbare troep, wat hebben wij toegevoegd aan de natuur?
Nou, we hebben natuurparken aangelegd, het wereldnatuurfonds en…
Dat zijn maffiapraktijken , eerst bedreigen en dan bescherming bieden.
Zit dat dan in de natuur van de mens?
Nee, het is de cultuur van de mens die zich tegen de natuur keert, tegen zijn eigen natuur in. De mens is tegennatuurlijk?
Nee, hij is niet zo, hij gedraagt hij zich tegen zijn eigen natuur in.
Waar komt die zelfvernietiging dan vandaan?
Uit angst voor de dood?
Uit doodsangst jezelf langzaam uitroeien?
Wie is er nu gevaarlijk gek?

Wijkman

Ik ken een buurman die niet direct naast mij woont maar een paar straten verder. In hetzelfde wijkje. Hoe noem je zo’n iemand een wijkman?, of een kennis? Kennis is te veel gezegd, ik heb hem maar één keer ontmoet.
Hij heeft een gewone koelkast met een groot vriesvak, dat bleek.
Ik vond de wijkman op straat gebogen over een dode ijsvogel.
‘Tegen een ruit van een auto aangevlogen’ zuchtte hij in verwondering.
Het prachtige, voormalige beestje lag slap in zijn hand en puntgaaf.
‘Ik neem hem mee naar huis’ zei hij vredig.
‘U kunt hem laten opzetten’ gaf ik als suggestie.
Hij trok een vies gezicht;’Dan blijft er niks van over, glans gaat eraf, de ziel is weg!’
‘Nee, ik vries hem in, bij de anderen’ zei hij opgetogen.
‘Heeft u er nog meer ingevroren dan!’
‘Zeker, een hele vriezer vol, wilt u ze zien?’
‘Graag!’ zei ik.
Zo kwamen we in zijn bijkeuken met tl-licht.
Begeesterd toonde hij mij bijzondere vogels die ik nooit in levende lijve had gezien. Ze kwamen uit plastic bakjes van de afhaalchinees.
‘Je kunt ze tien seconden even op je hand leggen om ze goed te bekijken’ instrueerde hij en gaf mij een stijf lijkje in mijn handpalm.
Ze waren allemaal gaaf en schitterend van de vrieskou, bezield van schoonheid.
‘Wat is het mooiste exemplaar van uw mausoleum?’ vroeg ik hem.
‘Dat is deze hier, het Vuurgoudhaantje, daar is alles mee begonnen, liefde op het eerste gezicht!’
De Ral, de Snor, het Baardmannetje, het winterkoninkje, Tapuit.
‘Allemaal ijsvogels’ zei hij terwijl ik het Vuurgoudhaantje bewonderde.
‘Oogverblindend mooi, dank u wel voor het laten zien van uw schat’
Hij borg de vogellijkjes allemaal weer zorgvuldig op in het vriesvak.
De ‘verse’ ijsvogel ging in een plastic zakje.
‘Geen bakjes meer, ik moet maar weer eens naar de Chinees!’

Wanneer ik ‘s avonds met de hond door de wijk loop zie ik het neonlicht in zijn keuken en het Vuurgoudhaantje voor mij geestesoog. Maar ook Chinese etensbakjes doen mij steeds denken aan mijn wijkman.

Olieslachterij

Je jeugd speelde zich af onder de rook van de chemische industrie, het Botlekgebied, Rozenburg. Het rook er niet bepaald naar rozengeur,
wel geurde het naar rotte eieren en zwaveldamp. Één keer kwam je op het terrein. Het was werkelijk de hel op aarde; een stank die je kon snijden, metaal, vuil industrieel licht, gassen, stoomspuitende ontluchters, vlammen uit de aarde, dit alles gehuld in een permanente machinale dreun die je letterlijk fysiek deed sidderen. Tussen de immense olietanks en schoorstenen scharrelden onderhoudsmonteurs rond in pakken, rubber handschoenen, gemaskerd en onder de smeer. Als besmeurde zwarte insecten, ongedierte.
Dat mensen hier dagelijks werkten kon ik niet bevatten.
In het Shellkrantje las je de overlijdensadvertenties en de pensioneerden. Velen overleden nog voor hun pensionering nog meer even daarna. Na gedane arbeid was het goed rusten op de eeuwige olievelden.
Op rommelmarkten vond je vaak onderscheidingen van overleden jubilarissen van de aardolieslagerijen. Penningen, horloges, oorkondes, getuigschriften.

Je kon daar niet vrij ademen, walgend van de lucht deed je een sjaal voor je mond.
Alleen wanneer de wind richting raffinaderij waaide was het buiten uit te houden. Wijselijk bleef je veel binnen.
Hoe konden mensen vrijwillig besluiten hier te gaan wonen, mijn ouders?
Op een nacht ontplofte de raffinaderij, een enorme explosie en vuurzee kleurde de nachtelijke hemel, als een bloedsinaasappel. Alle ruiten van de slaapstad sneuvelden.
Je was overtuigd dat de oorlog was uitgebroken en beleefde het als een opluchting. Het zou de giftige lucht wellicht klaren.
Pas veel later kon je het bos in vluchten, Beerschoten, de Bilt, waar het weer werd gefabriceerd, schone lucht.
Eindelijk kon je je verdere leven wijden aan de diepe ademhaling en de zucht van opluchting. De duivel bestaat niet, de hel wel. Het is mensenwerk.
De hel is af, nu de hemel nog.

Himmel

Ik ben de buurman van mijn buurman. Ik ken mijn buurman niet.
Hij kan altijd bij mij aankloppen, maar hij doet het tot nog toe niet.
Als ik thuis kom, gaat hij net weg. Toch lopen we elkaar nooit tegen het lijf. Hij neemt steevast de achteruitgang, via de tuin. Het is geen onwil, de loop der dingen scheidt onze wegen. Door een verkeerd bezorgde ansichtkaart uit Gstaad, Zwitserland, weet ik toevallig zijn voornaam.
We blijken hetzelfde te heten, Gustav, ik heet Guus.
Onwillekeurig is hij mij gaan intrigeren, voor ik het wist betrapte ik mij zelf op het bespioneren van Gustav. Ik schaam mij niet voor nieuwsgierigheid maar waarom ging ik niet gewoon naar hem toe om kennis te maken? Een overdreven gevoel voor privacy behoedde mij voor direct contact. Ongetwijfeld was Gustav daar niet van gediend, anders had hij toch zelf wel toenadering gezocht.
Jaren liepen stil aan onze huizen voorbij zonder contact.
Op een dag kwam ik thuis, er stond een ambulance voor zijn huis. Familie vertelde mij dat hij was overleden. Ze nodigden mij uit voor de crematie.
Als goede buur moest ik toch ook gelegenheid krijgen om afscheid te nemen vond zijn familie. Ik dorst het niet af te slaan, laat staan dat ik zou vertellen dat we elkaar eigenlijk niet kenden.
De dienst was uiterst sober. Na afloop vernam ik dat Gustav asiel had gevonden in Nederland, gevlucht voor de overweldigende bergen. Nederland was een verademing voor hem, de platheid, het vlakke land.
‘Himmelland’ zo had hij Nederland vaak genoemd. Gebergte ingeruild voor hemelruimte.
Stadse anonimiteit had hij heerlijk gevonden, na de verstikkende sociale controle van het Zwitserse bergdorp.
Er woont nu iemand anders naast mij, die ik eveneens nooit zie. Voor mij woont Gustav er nog steeds, een vreemd vertrouwd gevoel.

WK Leven

Leven is de traagste sport.
Gaan, zo traag als haren groeien.
De langste adem wint gestaag,
wie het laatst nog ademt zal de eerste zijn.
Een marathon is maar kinderspel, te snel.
Het gaat hier niet om snelheden of afstand.
Blijf gerust rusten op je rustplaats,
blijf desnoods eeuwig in je startblok.
Het draait om gespaarde krachten,
niet om voortijdig verschoten kruit.
Winnen is eenzaam zonder publiek,
publiek dat schitteren zal van afwezig zijn.
De laatste mens wint de hoofdprijs,
een lege schedel, de kaalste bokaal.
De trofee van de laatste adem wacht als
een grafvondst op buitenaards besef.
Het zal ‘onze’ aliens niet echt verbazen,
zo vertrouwd zijn ze met het vreemde.

Schoenendoos

Je moeder was een niemand geweest. Nu was ze nog steeds niemand maar nu een niemand zonder lichaam. Ze zwierf doelloos door de stad. Ze wist niet meer waar ze geweest was. Zocht ze ergens iets? Nee, ze zocht niets! Dus zocht ze naarstig verder naar niets, overal en nergens.
‘Waar is je moeder?’
‘Weet ik niet…..ze is nergens’
Ze wist niet wat ze moest, ze wist niet wat ze wilde. Elke dag vroeg ze je welke jurk ze aan moest doen. ‘Doe die maar’ zei je. Dan nam ze die andere. Ze vroeg je om raad. ‘Doe dat maar’ zei je behulpzaam, wist jij veel? Je was vier of vijf? Je wist niks, net als zij.
‘Of, nee doe dit maar’ zei je en dan deed ze het tegenovergestelde.
Ze keek onbestemd naar een horizon van nooit en nimmer. Daar achter lag een niets, buiten bereik. Een niets dat wachtte op hulp.
Ze droomde een nare droom. Over die vergeten schoenendoos op de linnenkast. Steeds vertelde ze erover, overstuur. De doos huilde zacht en toch vergat ze steeds om erin te kijken.
Later las je over traumdeutung. Wat je trof was de gelijkenis van traum en trauma.

Wat betekenen dromen anders dan dat je nu wakker bent?

Bagagedrager

Goedemorgen, mag ik u een brochure overhandigen waarom Jezus tweeduizend jaar geleden zo heeft geleden, voor u.
Nee, dank u, dat is al heel lang geleden.
Maar nog steeds actueel, er wordt nog steeds veel geleden.
Maar het leed van Jezus is toch geleden?
Hij heeft voor u geleden.
Maar heb ik daar ooit om gevraagd?
Nee, maar hij is ook voor uw zonden gestorven.
Preventief? Dat is toch zonde, laat iedereen zijn eigen bagage dragen.
Bent u dan niet dankbaar voor zijn opoffering?
Nou, nee, het is meer een soort chantage, ik moet wel zonden begaan anders is hij voor niets gestorven.
Dat is toch fantastisch, dat bij voorbaat wordt vrijgepleit van zonden?
Ik noem zoiets…. fantastoïde.
Bestaat dat woord?
Nee, maar daarom juist zo toepasselijk.
Ik doe hem wel bij u in de brievenbus.

Museumbezoeking

En vind je het wat, is het kunst?
Matig, ik vind het…nogal kunstmatig.
Gekunsteld?
Ja, het roept zo nadrukkelijk…”kijk mij hier toch eens even kunst zijn!”
Artificieel?
Ach, het ligt er zo dik bovenop weet je, en ik hou al helemaal niet van kunststoffen, dat stinkende polyester en die schreeuwende kleuren!
Mag kunst niet stinken, ook niet als het maatschappelijk geëngageerd is?
Nee, kunstmest mag stinken maar wat is de meerwaarde van stinkende kunst?
Ja, maar dit is van kunstmest en kunstmest stinkt nu juist niet, is dat dan weer wel kunst?
Ik weet het niet, conceptuele kunst zegt dat kunst een concept is, wat op zichzelf weer een concept is, het is een concept om concepten kunst te noemen, de leugen bewijst zichzelf door te liegen, het zegt op een heel omslachtige wijze helemaal niets!
Nou, wind je niet zo op, hoe vindt je dit dan hier?
Dat lijkt weer nergens op.
Inderdaad, niet bepaald een eyecatcher…
Het roept tenminste niet zo hardop dat het kunst is.
Nee, dit is weer het andere uiterste, dit fluistert;
“Wat stel ik voor, wat beteken ik nou helemaal? ,wat ben ik nou om te zeggen dat ik kunst ben?”
Het is ook niet gauw goed bij jou zeg, het is nota bene helemaal van natuurlijk materiaal.
Ja, ook weer zo’n schijntegenstelling, noem mij iets op de wereld dat niet van natuur is gemaakt? , alle kunststof en gif is uit natuurlijk materiaal samengesteld!
Sinds Duchamps is alles kunst, ik kan geen kunst meer zien…
Het enige wat jij nog kunt appreciëren is ‘de kunst van het weglaten’?
Weet je, kunst bestaat niet buiten het taalspel om, het is een spel met definities.
Maar is het niet leuk om te spelen met denkbeeldige betekenissen?
Misschien wel leuk, maar het is geen kunst, het is een koud kunstje.

Bram

Mijn hond heet Bram, een teefje, genoemd naar mijn vader, Abraham.
Hij was eens op een markt waar hij een vrouw tegenkwam. Deze vrouw had een nest jonge hondjes en probeerde die op de markt kwijt te raken aan liefhebbers.
Mijn vader die niets met honden had was meteen verkocht.
Hij zei wel een hondje te willen, als strategie om met haar in contact te komen. Om in contact te blijven zei hij dat hij niets van honden wist en of de vrouw hem wilde helpen. Zoals de vrouw zich over de hondjes had ontfermd zo ontfermde ze zich over mijn toekomstige vader.
‘Ik weet niet hoe ik hem moet noemen’ zei mijn vader.
‘Hoe heet je zelf?’, vroeg de vrouw.
‘Abraham’, antwoordde mijn vader.
‘Mooi, dan noem je haar toch Bram’, zei de vrouw.
‘Maar dat is een mannennaam’, zei mijn vader.
‘Dat weet zij toch niet!’, zei de vrouw.
‘Hoe heet jij eigenlijk?’, vroeg mijn vader.
‘Ik heet de moeder van jouw zoon’, had ze gezegd zonder blikken of blozen.
Dit verhaal vertellen mijn ouders altijd als ik vraag hoe ze elkaar hebben gevonden.
‘Dat zei ik destijds tegen elke leuke man die ik tegenkwam’ zegt Mam nu gierend van de lach, ‘alleen ze liepen allemaal gillend weg!’
Mijn moeder is een beetje gek, maar zonder die gekte was ik er nooit geweest. Bram is samen met mij opgegroeid, zij is iets ouder dan ik.
Ik lag als baby in haar mand, tussen haar dikke voorpoten, daar zijn foto’s van. Mijn vader en Bram zijn onafscheidelijk. Hij heeft nog steeds niets met honden, alleen Bram is onvervangbaar. Ik ben uiteindelijk geen zoon van mijn vader geworden maar een dochter, vernoemd naar mijn moeder. Ik voel me gewoon mezelf, gewoon allebei, ik hoef niet te kiezen. Eerst hadden we het wel eens over opereren, maar dat hoeft niet voor mij.
Bram is ook gewoon een meisje van twaalf.
Voor een hond is dat best oud, een oud meisje.

Airbag

Ik had geen tijd over om te koken.
“Over of er voor over?” vroeg mijn vrouw nog.
Om het antwoord uit te stellen reden we naar een buurtrestaurant dat zich toelegt op restverwerking. Ze redden daar ingrediënten van de rand van bederf en koken daar uitstekende fantasiegerechten van die in geen kookboek te vinden zijn.
Helaas waren ze dicht op maandag. Zo verzeilden we bij de buurtchinees die zich nergens in specialiseerde.
Van alle markten thuis, Kantonees, Roti, Indo, Javaans, Thais.
Vele keukens één smaak. Terwijl we wachten op de ober zie ik een man met zijn gezicht in zijn volle bord Bami vallen. Zijn vrouw reageert opvallend rustig en tilt zijn hoofd uit het bord, alsof het dagelijkse kost is. Met het servet veegt ze hem bij bewustzijn.
“Ik was even weg!” hoor ik hem zeggen.
Mijn vrouw heeft niets gezien maar ziet wel mijn verbijstering. Ik zeg: “kijk maar niet, ik vertel het je later wel”
Door het voorval herinner ik mij de buurman van vroeger die altijd een kussen op zijn tafel had liggen. Hij zat altijd voor het raam aan tafel. Soms sliep hij ook liggend met zijn hoofd op tafel. Later werd mij uitgelegd dat Ome Cor epilepsie had en daarom uit voorzorg een kussen op tafel had. Heel praktische mantelzorg, zo verwondde hij zich niet en kwam vanzelf weer bij. Dat ging jarenlang goed tot die laatste keer.
Eens moet de laatste keer zijn, dan zijn we even weg.
Pas toen we weer thuis waren kwam het antwoord op de vraag: “Voor over”