Genen

Vandaag vroeg opgestaan, met zo’n onbedwingbare drang om te schrijven, maar had geen beginzin, geen onderwerp. Verweesd langs de oever van de Umber gelopen, die buiten haar oevers was getreden door de gesmolten gletscher. Halverwege de zonnige parkzijde kwam ik Barvo Vorelsmani tegen die zijn roman Parkietenvlees net had gepubliceerd. De recensies waren laaiend vertelde hij gedeprimeerd. We dronken wat Schervensap, illegaal gestookte genever, bij kiosk Fourai naast de vermaarde Vezilsbrug. Barvo moedigde mij aan te gaan schrijven, het maakte niet uit wat. Ik klaagde dat ik het zo graag wilde maar er steeds niet aan toe kwam. ‘Telkens komt er wat tussen Barvo, wordt er aangebeld, gaat de telefoon, blaft de buurhond tegen de kat op het balkon van juffrouw Wasselgenk…het is gekmakend!’
‘Bazel niet Beusgard, blinde daadkracht, daar komt het op aan, knip godnogaantoe alle kabels door inclusief die hondenriem, jaag dat kreng de straat uit, maar schrijven zal je!’ ,riep Vorelsmani begeesterd, ‘ons soort volk is daartoe voorbestemd!’
‘En vergeet dat wufte wezen van Wasselgenk…die gunt jou geen blik waardig Beus!’
Ik moest hem beloven zijn advies uit te voeren en bedankte hem. God, wat had ik zin om te gaan schrijven, ik kon niet wachten om te beginnen. Maar eerst knipte ik de vaste telefoonlijn door, de deurbel saboteerde ik door een kartonnetje tusen de contactpuntjes te leggen…zo eindelijk rust. Even wat eten en dan zou ik achter mijn bureau plaatsnemen, het bureau van mijn grootvader Darpo die ik nooit had gekend.
Die was notulist geweest bij de Partij, talloze partijvergaderingen had hij uitgewerkt tot hij er zelf de partij werd uitgewerkt. Het schrijven zat mij dus in de genen zo maakte ik mij zelf wijs. Ik had wel eens wat dingetjes geschreven…op winkelbonnetjes, op onbezorgbare enveloppen van mijn vader die postbode was. Mijn vader las geen boeken, maar wel de brieven die hij moest bezorgen. De wereld was een levende roman zo hield hij mij voor. Waarom verzonnen literatuur lezen als je het echte leven kon lezen van echte mensen van vlees en bloed met een eigen brievenbus. Waar moest ik over schrijven? Ik maakte nooit iets mee. Ik was een man zonder geschiedenis. En hoe moest je beginnen, welke eerste zin was de juiste beginzin? Ik wilde net mijn pen op papier zetten toen er hard op mijn deur gebonkt werd. ‘Hé, Beusgard, je had beloofd Belko uit te laten, hij heeft in de salon gepist!’ ,klonk het.
Het was buurman Momzi, die naar de tandarts moest om de gevel van zijn huis te schilderen, betaling in natura in ruil voor het nieuwe bovengebit dat Momzi steeds beter ging passen. Inwendig vloekte ik: ‘Waar moet ik over schrijven, ik weet niets en nu die hond weer…en ik hou zo van schrijven…er stroomt van nature pure inkt door mijn aderen…of moet ik mij beter omscholen tot postbode?’ Toen ik opendeed kreeg ik meteen een warmnatte lik in mijn gezicht van Belko, de Ierse Wolfshond. Momzi lachte zijn nieuwe tanden bloot.

Home

In het drukbezochte prentenkabinet van het Van Goghmuseum schuiven mijn ogen samen met vele anderen langzaam over de kleurige houtsnedeprenten van Hiroshige…
Plots grijpt een Japans meisje naast mij mijn hand bijna vast. Euforisch wijst ze naar een dorpje in de verte van de kustlijn op de prent:
‘There is my birthvillage… I was born there!!
‘Really?’ ,vraag ik verwonderd over de spontane uitbarsting van de doorgaans nogal gereserveerde Japanner.
‘Yes really, look there, that tiny house over there!’ ,wijst ze.
‘Incredible, so small!’ ,bevestig ik.
‘It is the first time I see this picture!’ ,prevelt ze met traanbeglansde oogjes.
‘Well, wellcome home in Amsterdam!’
Ze straalt als een kind zo blij.
Daarna hebben we tijdens de rondgang nog twee keer oogcontact.
Een zeldzaam moment van openbare intimiteit.
Ik weet nu waar haar thuis woont…

Thuis herlees ik zen-dichter Ryōkan,
bijnaam: ‘de Heilige Dwaas’ ofwel ‘Lamp bij Daglicht’:

Hoewel ik op reis
nacht na nacht elders slaap,
blijft waar ik ook ben,
het onderwerp van mijn droom
mijn geliefd geboortedorp.

Ik vraag mij af waar mijn geboortedorp ligt?
Voor mij is dat geen plek, het is het voorgeboortelijke.
Nirgendwo…waar dan ook thuis.

Krul

Onze bovenbuurman Oscar houdt slangen en van Wagneropera’s. Wat moet je ermee op een vrijgezellenflatje zou je zeggen?…maar goed, hij houdt ervan, leven laten leven… Ieder zijn eigen aardigheid…echter vanochtend was het weer zover, voor de zoveelste keer struikel ik over zijn zes meter lange Anaconda die midden in ons trappenhuis zijn prooi ligt te verteren. Oscar begrijpt nooit hoe Tristan kan ontsnappen! Niet dat ik bang ben, zijn giftanden zijn immers getrokken. Maar het is gewoon vervelend zoiets exotisch op je nuchtere maag. Dus ik pak het beest bij z’n staart en sleep hem naar de voordeur van Oscar, een trapportaal hoger en bel ongedurig aan. Na wat gestommel staat Ossie in de deuropening met een vette Boa om z’n ongeschoren nek in een zee van symfonisch gedonder.
‘Wat is er loos Duco?’ ,vraagt hij slaperig, terwijl Wagners pompeuze Walkürenrit gestaag doordendert.
‘Nou, dat lijkt mij duidelijk, niet?!’ ,schreeuw ik, ‘jouw Tristan hier is weer eens ontsnapt, kijk!’ Ik hou de slangestaart voor zijn neus omhoog.
‘Dat is Tristan niet’ zegt Ossie lakoniek, ‘dat is Isolde… zie je dat niet, Isolde heeft een krulstaart?’ De krul was mij inderdaad ontgaan.
‘Is dit je nieuwste aanwinst?’ ,roep ik.
‘Ja, maar goed dat je haar terugbrengt’ zegt hij terwijl hij met zijn slangenvangstok Isoldes kop in een lus manoeuvreert en stevig aantrekt, ‘want vandaag moet ik met haar naar de dierenarts, tandjes laten trekken!’
Isoldes staart glijdt weg en ik staar naar mijn trillende handen en barst los:
‘In godsnaam Ossie waarom…mag dat bombastische kabaal trouwens even uit…waarom nog zo’n slang, je hebt er al negen!…we hadden wel gebeten kunnen worden…als mijn vrouw dit hoort…!’
‘Duuk luister!’ ,begint Ossie: ‘een anaconda is hoe dan ook niet giftig, het een wurgslang…kijk je stemt wel op de dierenpartij maar je hebt geen verstand van de natuur en dan nog iets…ik doe het niet voor mezelf, maar voor Tristan, begrijp je, hij is eenzaam, met een beetje geluk krijgt Isolde een nestje!’.
Inmiddels ben ik door mijn knieën gezakt en krijs smekend: ‘Maar buur, mag dan alsjeblieft die muziek uit?’
Meewarig hoofdschuddend kijkt Oscar op mij neer.
De Walkürenrit is toevallig net ten einde.

San Marco

Telkens wanneer wij cappuccino nippen uit de dierbare Venetiaanse kopjes van het San Marcoplein proeven we de nasmaak van ons legendarische verblijf in die betoverende gondelstad. Ik zie nog de aimabele ober op mijn netvlies, die ons zo charmant bediende en gespeeld discreet vertelde hoe graag hij eens naar Amsterdam wilde, dat vrijgevochten Venetië van het hoge Noorden. Vanwege onze royale bui, we hadden iets te vieren, nodigden we hem uit bij ons te komen logeren als hij zijn droom zou waarmaken. In ruil voor onze ruimhartigheid schonk hij ons de kopjes met goudopdruk ‘San Marco’ als herinnering. Wat een man, wat een hartstocht! Toen wij nog jong waren dachten we immuun te zijn voor dergelijke nostalgische aandoeningen, maar nu moeten we toegeven dat we weemoedig worden als we koffie drinken, niet in de laatste plaats omdat we in werkelijkheid nooit in Venetië zijn geweest. De weemoed van een nooit gemaakte reis geeft wel een heel speciale bijsmaak…in dit geval mocca. Niet dat we er spijt van hebben nooit als massatoerist dezelfde platgetreden paden te hebben bewandeld. Sommige wensen worden soms gewoon onwenselijk door overbevolking of gebrek aan belevingsruimte.
De kopjes vonden we trouwens in de lokale kringloopwinkel. Soms betrap ik mij op de verheugingsvolle verwachting dat de ober toch nog plots bij ons zal aanbellen.
Terwijl ik mij de vergeefsheid ervan realiseer zet ik nog een ‘bakkie troost’ met de Pavoni.

Proces

F. Wildesheim merkte al eens op:
‘De leunstoel genereert degeneratie van de ruggengraat, de blender maakt het gebit overbodig, automatisering kweekt handelingsonbekwamen’.
Als zo iets onschuldigs als een luie fauteuil al zulke gevolgen heeft, wat zou de computer, de geestelijke prothese bij uitstek dan voor gevolg hebben? Het menselijk tekort zoekt een prothese in de robot, men vergeet dat het ding geprogrammeerd is door de mens, een ingebouwde systeemfout dus. Waarom systeemfout? Omdat de mens een proces is en geen systeem. Er valt wat voor te zeggen om het menselijk te kort gelijk te stellen met de mechanistische visie op de mens. Het zou wellicht beter zijn de mens organisch te zien, als een wandelende plant. Opvoeden zou dan een vorm van tuinieren worden.

Souvenir

{CAPTION}

Identiteit is een goedkoop souvenir.
Neem drie hoogtepunten uit de Romeinse historie, gegoten in echt plastic, Made in China. Een mooi aandenken aan wie men nooit was. Voetbal is ook een mooie metafoor voor de relativiteit van identiteit. In elk elftal spelen wereldspelers, de duurst betaalde slaven van de vrije markt. De supporters juichen voor hun roemruchte club die in geen enkel opzicht verschilt van willekeurig welke andere club, ze hebben geen eigenheid, ze zijn inwisselbaar.
Alle identiteiten staat gelijk aan geen identiteit. Het is goed dat de sport zich hiervoor inzet, om aan te tonen dat identiteit een tijdelijk waanbeeld is. Zodra er meer geld in kas is koop je een andere, een ‘nog betere’ identiteit in de internationale souvenirshop.

Aarde

Aarde heeft geen voeten, geen vleugels, toch is ze op reis, onderweg,
ze reist als saharazand duizenden kilometers door de wolkenhemel.
Er spoelen eilandjes weg voor de kust terwijl elders door zandaanwas
land aangroeit. Vulkanen hoesten midden in de oceaan eilandjes van lava op
of verzwelgen hele archipels. Hele continenten drijven traagzaam uit elkaar
en uiteindelijk weer naar elkaar toe. Hun kusten ontmoeten elkaar ooit.
We dachten hier te kunnen bouwen op vaste grond, maar je kunt beter
je leven op ruimte funderen. Alleen ruimte is blijvend, betrouwbaar bodemloos.

Stof

Het kind was bang dat de stofzuiger hem zomaar zou opzuigen.
‘Die slurf zuigt alleen maar stof op…stof en huidschilfers’ ,probeerde zijn nuchtere vader hem gerust te stellen, ‘je huidschilfers, je haar en nagels zijn toch al dood’.
De jongen keek bezorgd naar de slurf.
‘Bovendien worden al je cellen om de zeven jaar vervangen door nieuwe, verse cellen’ ,legde zijn vader uit.
‘Maar blijft je ziel dan?’ ,vroeg het kind.
‘Eh, misschien blijft de ziel wel eeuwig vers…net als de zon?’
De jongen keek met toegeknepen ogen tegen het zonlicht in en vroeg:
‘Hoe zit het dan met hele oude zielen?’
‘Het schijnt dat de zon de oudste ziel is die we kennen en die blijft steeds jong’
‘Hoe kan de zon dat?…zo oud zijn en jong blijven?’
‘Kijk maar vaak naar de zon!’ ,raadde zijn vader aan.
Het kind volgde het advies van zijn vader op.
‘Kijk eigenlijk maar liever met je ogen dicht naar de zon, dan voel je het van binnen gloeien’ ,stuurde vader bij.
Daarna leerde hij de jongen stofzuigen. Spelenderwijs ontdekte het kind daarbij een heimelijk genoegen…om de stofzuiger aan zijn hand te laten vastzuigen. Dat gaf een speciale genotshuivering aan de hele binnenzijde van zijn huid. Alsof daar voor het eerst zonlicht op viel.

Bril

Is het niet verbazingwekkend dat het bestaan van het derde oog wordt betwist
terwijl elk mens toch begiftigd is met een geestesoog. Zouden sommige mensen
met een blind geestesoog geboren zijn? En is dat nog te opereren? Kan een donor-geestesoog met succes worden geïmplanteerd zodat de patïent alsnog verbeelding krijgt? Wat wel kan is dat beeldende kunst als bril kan dienen voor mensen die slecht zien, veraf of van dichtbij of beide. Het zien van verbeeldende kunst kan het gezichtsvermogen van het geestesoog wel degelijk verbeteren. Laatst probeerde ik iemand aan te spreken die zo’n speciale kunstbril droeg. Onbenaderbaar zo bleek, hij ging helemaal op in verbeelding.