Thorvald7 Epiloog

Zijn verbeelding had hem onvoorstelbaar in de steek gelaten.
Er rolde zomaar een traan uit het walvisseoog, niet van verdriet, ontroering of geluk, maar gewoon door een scherp zandkorreltje.
‘Wat verbeeldt het zich wel?’ ,vroeg Thorvald zich af, ‘om een heuse woestijn te zijn?’….terwijl zijn lichaam fantasieloos door het allernatste zwom, dwars door alle domeinen van de vele voorstelbare woestijnen.

Het walvisselijf zwom zich een weg,
steeds dieper duikend, afzinkend…
mysterieuze duisternissen tegemoet
dan weer opduikend boven horizonnen
om daar gelukzalig hemels vol
te fonteinen met regenbogen.

Immer was voorgoed opgeslokt
en gloeide onverteerbaar in het lijf
alsof het de maanlamp zelf was
waar Oceaan dit verhaal bij las
dankzij fluweelzachte nacht.

Nu is het onderzoek naar waan van Horizon gestrand op de kust van de verbeelding…Het ‘onvoorstelbare’ ligt hier aangespoeld…het ligt vol van wat al niet…tussen talloze schelpen…in elke schelp immer deze ongehoorde oase…

Thorvald6

Thorvald dreigde zich helemaal te verliezen in de Oase van stilte.
‘Stop daarmee Thor, malle walvis!…’ ,riep Horizon bezorgd, ‘hou op met je adem in houden, straks blijf je er nog in!’ Hij wist kennelijk niet dat walvissen eindeloos, zonder adem onder water kunnen blijven. Nog een tergend geruime tijd bleef de ongehoorde Oase onverstoord stil.
Opgelucht haalde Horizon adem toen Thorvald eindelijk weer begon te fonteinen, wat altijd een feestelijk gezicht is net boven de waterspiegel. Het walvissegezicht toonde over de gehele breedte een gelukzalige grijns waarbij al zijn baleinen zich bloot gaven. ‘Wat een Oase is dit!’ ,verzuchtte Thorvald, ‘zoiets heb ik nog nooit gehoord, hemels stil!’
‘Je bent ook niet zo weinig gewend hé?’ ,merkte Horizon op, ‘weet je wat trouwens ook nooit iets van zich laat horen?’
‘Nee, vertel…wat ook nooit een greintje horen laat’ ,vroeg Thor terwijl hij wat resten plankton van zijn baleinen likte.
‘Regenbogen Thor’ ,zei Horizon, ‘…regenbogen, je weet wel, van die kromme frivole met het vermogen om in alle kleuren zwijgen!’
‘Welnee, die dingen ken ik niet…’ ,verklaarde Thorvald, ‘maar onder water regent het ook amper!’
‘Dat klopt, je ziet ze alleen hoog aan de regenhemel, in de leegste woestijn van alle woestijnen!’ ,zei Horizon beslist.
‘Waarom de leegste van alle?’ ,vroeg Thor.
‘Ja kijk, dat komt nu weer omdat die hemelwoestijn geen zand bevat, stel je voor een woestijn zonder zand, nog geen korreltje…dat is nog eens een echte woestijn!’
‘Jij weet toch wel het fijne van woestijnen, hé Horizon’ , zei Thorvald bewonderend, ‘weet je soms ook wat van Nacht… of dat soms ook een soort van woestijn is?
‘Jazeker’ ,begon Horizon op gewichtige toon te onderwijzen:
‘Nacht is nogal de meest legendarische woestijn die ik ooit…en van heb ik jou daar, vol met afwezig licht, gloedvol duister, een mantel zacht zo als schaduwfluweel!’
Thorvald was diep onder de indruk en vroeg zich af of hij zelf wellicht ook een soort van woestijn wilde zijn…en wat voor een dan wel? Maar hier liet zijn verbeelding hem onvoorstelbaar in de steek.

Thorvald5

Ja, onmiskenbaar op weg gegaan…tenminste zo voelde het. Of was het de plotseling stroming van Oceaan waardoor het leek of Thorvald zwom? Werden de vinnen van alle vissen niet door Oceaan in beweging gebracht, dacht Thorvald, golfslag of zwemslag?
Wat was wat, wie zwom wie? Hoe kon je weten wat wat was? Het duizelde in de walvis.
Als Thorvald dacht dat hij ergens naartoe werd gezogen, dan voelde dat ook zo, alsof hij werd aangetrokken door een magneet…een walvismagneet? …of was het Plankton dat aan hem trok? Was het: Horizon?…Nacht…Immer…Maan…Oceaan…? Alles leek wel aan hem te trekken. Nu stelde hij zich voor dat Oceaan op hem sabbelde, zijn enorme lijf voelde als een zacht kwalachtig snoepje in die alomvattende grote mond van Oceaan, waar het water uitliep. Het voelde nogal hemels dus besloot Thorvald zich dat nog even voor te stellen. Wat een ontdekking, dat wat je je verbeelden kan ook zo voelt. Waarom zou je dan niet het mooiste verbeelden? ,dacht Thor terwijl Oceaan maar bleef sabbelen. In zijn verbeelding kwam hij bovendrijven precies op de waterlinie waar Horizon hem lag op te wachten. ‘Ha Thorvald, ben jij het’ ,klonk het, ‘wat ben je hier aan het doen?’
‘Oh…ik zwem geloof ik door mijn verbeelding heen en wat ik mij verbeeld zwemt weer door mij’ ,probeerde Thorvald uit te leggen, ‘en Horizon vertel, heb je die verre einder nog gevonden?’
‘Ach Thor’, je moest eens weten, ‘Ik was er al, ik bedoel hier bovenop Oceaan heb ik altijd gelegen…dit is de einder, hier eindigt Oceaan en begint de hemel…ik had het kunnen weten, maar ik kon er maar niet op komen!’
‘Geeft niks Horizon, kan iedereen overkomen’ ,zei Thor bemoedigend , ‘en sommige dingen zijn niet te ontwarren…golfslag of zwemslag…wat is wat?
Opeens gebeurde er niets, een zeer langdurig indringend niets.
De vrienden keken elkaar verwonderd aan.
‘Wat is dat?….hoor je dat?’
‘Nee, ik hoor niks!’
‘Ik ook niet, wat zou dat zijn in hemelsnaam’.
‘Ach, ik weet het misschien’ , fluisterde Horizon, ‘er is er namelijk maar een die zo niet klinkt…het is vast de Oase van Stilte’ , zei Horizon, ‘ik heb haar heel vroeger ontmoet toen ze nog met Immer samen was.’
Horizon zag dat Thorvald probeerde zich fronsend een voorstelling te maken van de Oase maar zei: ‘Doe maar geen vergeefse moeite Thorvald, deze oase kun je alleen maar niet horen…gewone oases komen alleen voor in woestijnen, maar deze Stille kan zich overal spontaan voordoen’.
Thorvald hield zijn adem in om de ongehoord prachtige Oase nooit te verstoren.

Thorvald4

Nu wilde het geval dat Immer nimmer weg was geweest. Blijvend zijn zat nu eenmaal in haar aard. Oceaan en Thorvald schrokken dus nogal toen Immer zich vanuit niets in hun gesprek begon te mengen: ‘Zoeken jullie mij soms?…ik hoorde mijn naam noemen en geroddel over mijn veronderstelde gedaante… wel zoals je ziet, een gedaante heb ik niet…daarom kan mij overal bevinden, dat begrijpen jullie toch!’
Thorvald keek vergeefs overal om zich heen om Immer te vinden terwijl Oceaan het woord nam: ‘Beste Immer, wat goed dat je ons gevonden hebt…Thorvald hier vond dat
ik je iets moest vertellen wat ik vrij onlangs heb ontdekt…ik vroeg mij eerst nog af waarom dat moest…gelukkig kon Thorvald mij dit uitleggen: omdat het geen geheim is, zo zei hij het!’
‘Jaja, nou weet ik wel, kom op’ ,fluisterde Immer ongeduldig, ‘vertel op, wat is er ‘geen‘ geheim…ik heb zeeën van tijd, maar ook niets beters te doen!’
‘Nou’ ,zuchtte Oceaan die zich wat opgelaten voelde, ‘ ik bedoel dat ik door en door nat ben natuurlijk’
Als Immer een gedaante had gehad dan was hij gillend richting Horizon gerend,
maar nu verdroeg hij sereen de evidente ontdekking van Oceaan.
‘Luister Oceaan’ ,sprak Immer enigszins vermanend, ‘als iets geen geheim is dan kun je het beter zorgvuldig bewaren dan er over gaan kletsen met…met mij bijvoorbeeld…en is het niet opmerkelijk dat ik onlangs nog een Horizon tegenkwam die naarstig op zoek naar de einder…en nu weer een Oceaan die ontdekt dat ze drijfnat is…straks kom ik de Nacht nog tegen die vindt dat ze zwart is…er is hier wel iets heel vreemds aan de hand…dat alles maar op zoek naar zichzelf is!’ Omdat Immer geen hoofd had schudde Thorvald plaatsvervangend meewarig zijn enorme kop en dacht aan Horizon die in de verste verten naar zichzelf zat te zoeken. Oceaan dacht aan Nacht, het waren de zwartste gedachten die ze ooit gedacht had…nat en zwart…mooi en mysterieus.
Immer was er stil van geworden en dat bleef ze. Thorvald bleef niet, hij verdween geruisloos roerend met zijn staartvin in het diepe nat van Oceaan…onmiskenbaar op weg…

Thorvald3

Volgens mondelinge overlevering lag Oceaan nog steeds in haar eigen bodem verzonken, droomdronken in innige verstrengeling met Nacht. Nacht, die aloude duisternis, die noodgedwongen wel de wijste moest zijn. Het was nu nog maar een kwestie luttele momenten dat de meest prangende vraag van Oceaan zich aan Nacht zou openbaren. Die vraag betrof: dat babbelende Nat, dat kabbelend sprak als spraakwater en hoe of dat in hemelsnaam mogelijk was? Thorvald zag het met één geloken oog gebeuren…
Nacht, ontvankelijk als ze was flanste van schaduwen terplekke een pasklare waan in elkaar, geheel en al in de geest van Oceaan. Dit fabelachtige Nat sprak zo vanzelfsprekend tot de verbeelding, dat Oceaan warempelsgewijs ontwaakte als zijnde het Nat. Natuurlijk was ze dat altijd al onveranderlijk geweest, maar nu wist ze dat tenminste en kon ze zich ontstrengelen van wat dan ook. Nacht zag hoe Oceaan zo doordrenkt op haar eigen bodem lag en vertrok in haar zwarte mantel naar waar ze vandaan kwam, al wist niemand waar zich dat bevond…men dacht voor al aan de achterkant van de maan, maar dit vermoeden is nooit bevestigd. Oceaan werd even later opgetogen wakker en riep: ‘Thor… Thorvald kom eens hier jongen, ik heb goed nat nieuws!’ Thorvald die zich verdekt onder de leunstoel had opgesteld zwom tevoorschijn en kwispelde zo uitgelaten met zijn staartvin dat er draaikolken ontstonden waar het plankton massale rondedansjes in deed.
‘Luister Thor, dat goede boek dat jij van buiten kent hoef ik niet meer te lezen, ik hoef voortaan alleen maar Nat te wezen’ Thorvald keek Oceaan aan alsof hij water zag branden van verlangen…en eerlijk gezegd zat hij daar niet ver naast, Oceaan stoomde opgewonden als een onderwatervulkaan.
‘Moeten dat wij dit niet aan Immer vertellen’ , vroeg haar trouwe huiswalvis.
Oceaan keek Thorvald onthutst aan…
‘Wie of wat is Immer nu weer?’
‘Wel’ ,begon Thorvald rustig uit te leggen, ‘Immer is degene die meestal vaak weet waar iets of iemand Hier is…’
‘Ja, dat is waar het inderdaad om draait’ , beaamde Oceaan niet zonder trots op haar schrandere huisdier, ‘waar…wat…hier is, dat is de ware vraag!’   
‘En waarom zou Immer dit moeten weten?’ , vroeg Oceaan.   
‘Nou, eh…bijvoorbeeld omdat het geen geheim is?’,  vroeg Thorvald gevat.   
‘Dat is waar’, moest oceaan toegeven, ‘maar waar vinden we Immer en hoe ziet Immer er in wezen uit?’
‘Tja’ , zei Thorvald peinzend, ‘daar moeten we Immer zelf voor raadplegen en dan zien we meteen haar gedaante…dus is de vraag:    
‘Waar bevindt zich het Hier van Immer?’

Thorvald 2

Oceaan probeerde een goed boek te lezen bij het schemerlamplicht van de maan, terwijl haar huiswalvis Thorvald baldadig fonteinen blies uit zijn spuitgat. De walvis leek haar speels om aandacht te vragen.
‘Wat is er Thor, ben blij of zo dat je zo wild aan het fonteinen bent? , ik probeer hier rustig een goed boek te lezen weet je!’ Thorvald stopte onmiddellijk en vroeg:
‘Wat voor boek goed probeert?’
Het is ‘De Zin van Nat Zijn’ van Benzo Chekalsundeur.
Ach, dat ken ik…van buiten, riep Thorvald nu weer uitzinnig fonteinend, ‘dat mijn moeder ook las voor voor voor voor het slapen gaan’
‘Kijk nou, wat je doet, riep oceaan, nu is heel de kaft natgespoten…en je zinsbouw lijkt ook nergens op!’ Schuldbewust dook de walvis onder, zoals alleen getamde huisdieren dat geloofwaardig kunnen doen. Zo, eindelijk rust, dacht Oceaan en legde het goede boek te drogen op de schemermaan om even een plasje te kunnen gaan doen. Dat had Oceaan vaker als ze over nat las en helemaal als ze nat hoorde, dat ze leeg dreigde te lopen. Vreemd toch, dacht Oceaan spontaan…dat je Nat kon horen, dat Nat kennelijk een stem had. Oceaan besloot het eens aan Maan voor te leggen, die de naam had zeer oud en wijs te wezen. Oceaan schraapte haar zilte keel en vroeg op voorname toon: ‘Dierbare Maan, u schijnt nogal van de wijze te wezen… mag ik u daarom vragen als ik het zo zeggen mag…Wat maakt dat Nat kan aanspreken?’
Nou, zei Maan, bescheiden als Immer, ik schijn wel meer, heb ik van horen zeggen, van de wijs en zo…maar voor dat soort zaken kun je toch beter Nacht raadplegen, die is ouder dan oudst… vergeleken met haar ben ik maar een jong ding…dom wicht zo je wilt’
Oceaan golfde even een glimlachje over haar zeegezicht en bedankte Maan feestelijk voor haar goed raad.
Daarna probeerde ze nog wat hoofdstukjes in het nog vochtige boek te lezen, de donkere Nacht zou later wel komen. Maar lezenderwijs dommelde Oceaan dieper in slaap, tot ze op haar eigen bodem belandde.
Daar zonk ze weg terwijl Nacht vanuit het diepe duister tot haar verbeelding boekdelen begon te spreken over om het even wat. Oceaan hoefde maar een vraag te dromen of Nacht gaf een passend antwoord. En paste het niet meteen dan paste Oceaan de vraag aan het ongepaste antwoord aan. Walvis Thorvald hield haar diep gezonken baasje van gepaste afstand met een vinnig oog in de gaten, als een waaks beestje, vastbesloten om Immer trouw te blijven.

Thorvald

Oceaan zat in haar leunstoel bij te komen van de laatste storm toen er aangebeld werd. Het was Horizon die onverwacht van vakantie terug was gekomen. Na zijn studie aan het Universum was hij een jaar door de woestijn gaan reizen, om fata morgana’s te onderzoeken. Hij wilde graag promoveren op waanvoorstellingen. Voor zijn moeder Oceaan had hij van zijn reis een walvis meegenomen als souvenir of huisdier, dan had ze een beetje aanspraak, want als Oceaan sta je er wel mooi alleen voor, dacht Horizon. Oceaan had Horizon wel gemist, maar wat moest ze met een walvis beginnen, geen idee. Hij heet Thorvald, legde Horizon uit, midden in de woestijn gevangen.
Heb je ook een kom meegenomen voor dat dier en een potje Plankton bij? ,vroeg ze.
Nee, ze kan gewoon los…laat Thorvald gewoon door je heen zwemmen, je hebt plankton genoeg! Ja, maar in een potje gedroogd blijft het langer goed!, aldus Oceaan, die graag dingen op voorraad had, voor het geval dat…
Heb je nog mooie waanvoorstellingen verzameld, vroeg Oceaan die opeens nattigheid meende te voelen. Jazeker, zei Horizon, een heel mooi waanbeeld, het leek wel een enorme zee, hemels en helderblauw en in de verste verte werd die zee vlijmscherp afgesneden van de wolkenloze lucht daarboven. Vlijmscherp, vroeg Oceaan, bedoel je als een mes zo scherp? Zeker, zei Horizon, alsof een flinterdun zwaard in een flits had toegeslagen. Kwam je daarom eerder terug? Ja, ik kreeg opeens heimwee…heimwee, maar naar wat weet ik niet. Oceaan voelde zinderende rillingen omdat Thorvald met zijn muil wijd open vlak onder haar wateroppervlak door zwom, hetgeen nogal eenzaam kietelde. Horizon zag dat die twee het wel goed samen gingen vinden en zei:
Zo, ik moest maar weer eens gaan.
Waar ga je nu onderzoek doen, vroeg Oceaan, ga je naar de maan?
Nee, ik vertrek nu meteen naar de einder, dat is hier nogal ver vandaan.

Kruin

Als kind dook je liefst onder,
onder de ruisende kraan
van ‘n badkamerfonteintje
om je vulkanen af te koelen
om de wanen van de nacht
uit je kruin te spoelen

Dat ben je blijven doen,
alleen gaapt nu tijdloze jeugd
in ‘n bespetterde spiegel
een middelbaar masker aan
en gluurt het straks wellicht
naar iets hoogbejaards…

Onder water blijft de jeugd
maagdelijk & naïef ruisen
als wuivende kruinen
van dit betoverde woud,
waar de wind in speelt
als ‘n eeuwenoud kind

het fonteintje stroomt over
van vergeefs lijfsbehoud

Wat bleek

Je smeerde ooit balsem op je huid, mede daarom zie je er waarschijnlijk nu zo uit.
Tschamba Fii heette de zonnebrandbalsem, een laagje kleverige olie waar je meteen bruin van werd. Het spul bleef de hele zomerse dag aan je huid kleven. Op de flacon stond een exotisch roodbruin mannetje met hoed. Je werd er instant bruin van tot je ‘s avonds onder de douche die bronzen huid er weer afspoelde. Je weet nog goed die ene keer…na een dagje strand wilde je het aanklevende zand van je afspoelen. Aan het doucheplafond hing alleen aan het dunne draadje een eenzaam peertje te flikkeren. De witte bol van melkglas die er om heen hoorde was kennelijk gesneuveld tijdens de laatste badkameroorlog? Hoe sneuvelt zoiets? Niets verontrustends dus, er lagen wel vaker electriciteitssnoeren van de langzaamwasser en de centrifuge in het kabbelende vocht van de badkamervloer als moeder aan de was was.
Mijn vader kon het toch wel weten, die stond in de zaak beneden electrische apparatuur te verkopen, witgoed. Onder het douchen had je kennelijk gespetterd…moet je ook nooit doen onder een douche weet ik nu.
Plots! Stond je met een doffe plof daar in het pikkedonker met glas op de natte vloer.
Het peertje was ontploft. Naakt en nat in een nacht met glasscherven.
Heelhuids wist je de cel te verlaten waar je na het afdrogen ontdekte dat je weer net zo bleek was als voorheen. Alleen de handdoek was hier en daar bruin.
Ik ben er van overtuigd dat deze scherven mij het nodige geluk hebben gebracht.
Op onnodig geluk zit natuurlijk niemand te wachten.

De fabel van Babel

Ik voelde mij een kosmopoliet
maar sprak de taal nog niet
geboren en getogen in Babel
weliswaar nog ver voordat
die torenmetafoor verrees

ik gebaarde in het wildeweg
kende van elke bloem de geur
van ieder dier zijn spoor en vacht
las feilloos in elke lichtval
het juiste moment van de dag

de hele wereld kwam hier
vrij moedig over de vloer
in mijn bovenkamer logeerde
om het even wie, plant of dier
ze begrepen mijn gebaren

tot ik eindelijk de taal leerde
nu voel mij een provinciaal
we vechten om ieder woord
als was het een vlezig bot

wie de bekvecht wint begraaft
‘zijn’ bot op de geheime plek
onder die rotte appelboom
ergens in de tuin van Eden

nu leef ik onder elke steen
mijn haar groeit erop als mos
stil ligt mijn tong als schaduw
de juiste lichtval van dit moment