Mors

De aardbol kreeg haar netje van coördinaten te dragen
(met ingebouwd lampje en stekkersnoertje als staart)
sindsdien tollen gekloonde aardbollen rond
op bureau’s van projectontwikkelaars,
als opgezette wilde hemellichamen,
de ultieme jachttrofee.
Met lengte en breedtegraden sneden ze haar
argeloze huid in exact wetenschappelijke partjes.
Als een taart werd ze genuttigd,
beroofd van haar sappen en grondstoffen.
Het bleek uiteindelijk een vorm van zelfmutulatie.
Mensen moesten zichzelf wel grondig leren haten
om alle wortels die hem voeden uit te roeien.
Natuur is altijd gratis in overvloed verkrijgbaar.
Is zoveel belangeloze generositeit zo jaloersmakend
dat zelfvernietiging het hoogste doel werd.
Om de natuur te verslaan, te laten zien wie de baas is?
De grote overwinnaars zijn inmiddels & binnenkort
allemaal mors en elk van hen vraagt liggend in het praalgraf
aan de pissebed:
‘Waar heb jij gezeten de laatste miljoenen jaren?’
De pissebed zegt niets onder zijn steen, eonen ademend.

Thee

Afgelopen maand zat ik met onze huisvriend Oktober bij te praten onder het genoegen van een kopje thee. We hadden elkaar tijden niet gezien en veel te bespreken. Tijdens ons gesprek, het was zaterdagochtend, werd er plotseling aangebeld. Ik herkende hem aan zijn alledaagse gezicht.
Wat kom jij hier doen Donderdag?, vroeg ik verbaasd, kijkend op mijn horloge.
Ik kom voor Vrijdag, zei hij opgewonden…ik kom altijd voor de Vrijdag…dat moet je toch inmiddels wel weten, meneer de Eeuw!
Vrijdag is er nog niet, legde ik uit, die komt pas later…volgende week misschien weer, ik had je nog niet verwacht…je bent al de derde donderdag van de maand die het probeert om onaangekondigd langs te komen en nog wel op een zaterdag.
Luister vriend, begon Donderdag enigszins vermoeid: Ik ben mijn tijd al jaren ver vooruit, vandaar dat ik nu al hier ben.
Dat kan best zijn, maar je bent te vroeg, volgens de agenda ben je nog niet aan de beurt
Kom later maar eens terug, als je tijd hebt?…,adviseerde ik hem ongevraagd, ik heb momenteel mijn goede vriend Oktober op bezoek.
Nogmaals vriend, begon Donderdag opnieuw, luister…ik heb geen tijd, maar ik ben gemaakt van tijd, ik ben alleen nu! ….trouwens, die Oktober ken ik wel, dat is familie van mij…die vindt het vast leuk om mij te zien…het is een verre oom van mij ofzo…. Donderdag wilde binnentreden, maar ik zette mijn voet tegen de deur.
Kan wel zijn, familie of niet, maar Oktober is wel een maand, een van de laatsten, hij is van een geheel andere orde…jij bent er slechts één dag in de week…en aan dagen van de week heeft Oktober geen boodschap.
Het begon bij Donderdag te dagen dat hij zich er niet tussen kon dringen.
Hij droop af. Ik sloot de deur. Oktober vroeg mij wat er aan de hand was geweest.
Ik vertelde over de nogal voorbarige Donderdag. Oktober moest lachen om zijn verre neef, die als gewone doordeweekse dag altijd al bij het weekeinde had willen horen, bij de vrijetijdsdagen.
Al kind had hij al geageerd tegen de achtergestelde positie van werkdagen, gebukt gaand onder verplichte kantooruren. Terwijl ik wat warme thee bijschonk klonk opnieuw de deurbel. Verstoord slofte ik naar de voordeur. Door het matglas heen zag ik de schimmige contouren van een duistere gestalte. Voorzichtig opende ik de deur op een kier. Wie mag u dan wel zijn?, vroeg ik aan de donkere figuur.
Het holst van de nacht, aangenaam antwoordde de schim, ik hoop niet dat ik ongelegen kom?

Gezinder

Wereld…vol met dingachtige en andere schijnbare verschijnselen.
Er is meer zinderende leegte dan gevuld kan worden.
Men kan zelfs van alles in zijn hoofd halen…
toch raakt het ruimste nooit vol.
Wat men zich in zijn hoofd haalt heeft geen omvang
het weegt minder dan niks.
Dat is niet veel, maar ruim genoeg om open te blijven.
Het heelal …’Grote Geest’ van een opperhoofd zonder schedel,
waarbinnen wij geestig in rondspoken…als zinderingen.

Aramees

Bron van zijn, die ik ontmoet in wat mij ontroert
Ik geef u een naam opdat ik u een plaats kan geven in mijn leven.
Bundel uw licht in mij , maak het nuttig

Bron van zijn die mij ontmoet in wat mij ontroert
U draagt geen naam zodat u naamloos mijn hele leven doordrenkt
Bundel mij tot uw licht, nuttig mij

Bron te zijn van elk ontmoeten dat ontroert
in al wat geen naam kan heten in wat zich doorleeft
Nuttig mij licht en bundel mij

Bron van ontroering die het zijn ontmoet
u noemt mij niet apart, maar laat mij naamloos heel
Licht mij door uw bundel voorbij elk nut

Oersprong

met het oor van de sprong
hoor je pas hoe witstil begin begon
dat niets vanzelf spreekt, spreekt voor zich

al je ogen als zaden begraven in aarde
waar ze tastend staren in het sediment
van stapels voormalige horizonten

soms ontkiemen ogen tot ooit gezien licht
dat immer schijnt te zeggen: je bent al één
huidige natrilling van die oersprong

het jongste piept zoals het oudste licht eens zong

K.

Na de lange beraadslaging sprak de rechter een nogal verwarrend vonnis uit over
verdachte K. die het verwijt treft dat hij geen dader is:

Volgens mijn laatste oordeel zou ik u vrij moeten pleiten, als het zo zou zijn dat een dader er niets aan kan doen dat hij met de verkeerde handen is geboren. Met handen die kennelijk misdadige neigingen hebben. Want wat kan een dader er aan doen dat zijn handen slecht handelen of ernstig nalatig zijn?
Uw handen zijn tot nu toe meester geweest over u, in plaats van andersom.
Kortom, uw handen hebben het tot nu toe dus gedaan…zonder dader.
Feitelijk bent u een slachtoffer van uw handen, u bent bestolen,
uw vrije wil is u door uw eigen handen ontnomen.
Ik veroordeel u omdat u geen dader bent…een eerste vereiste voor daderschap is,
dat hij eigenaar wil zijn van zijn handen. Derhalve veroordeel ik u om meester te worden over uw handen en uw verregaande nalatigheid. Draag uw handen op om uw vrije wil terug te stelen. Wat is daarop uw verweer?

‘Ik heb niets gedaan…’
Dat begrijp ik zelfs, maar gaat u er nog iets aan doen?
‘Maar als u mij hiertoe dwingt, is het dan nog vrijwillig?’
Alleen als u het echt zelf wilt.
‘Maar wat moet ik dan willen?’
Dat maakt niet uit als u maar de dader bent.
‘Wat is mijn straf dan?’
Dat u een vrij man bent zodra u uw handen in bezit heeft genomen.