Saaiveld

tuinaarde ligt als plantaardig geheugen
verborgen onder saai maaiveld

elke dag groeien verse herinneringen
hun verste blaadjes bovengronds

winter wiste het heldergroene verleden
tot niemand er niets nog van wist

zaaivelden zinderen van leven beneden
jonge zon kruipt onder nog bleke huid

nu zie je wat zo ongekend is gemist
een groen verheugen opgefrist

zich levend weten bloeit elk moment op
het vergeten verwelkt en dooft uit

Wigboldisme

Herman Wigbold was de gebeeldhouwde godheid die heel mijn jeugd met zijn alziend oog monitorde vanaf de voorpagina van ‘Het Vrije Volk’. De hoofdredacteur als God.
Net als mijn vader kamde Herman zijn opstandige haardos na de koudwater-arbeidersdouche golvend naar achteren, de bokkepruik diende in het gelid gebracht, haar als helm in de strijd om verheffing in het arbeidersparadijs.
Ook mijn kop gaat nog elke dag gebukt onder het fonteintje voor een nederige arbeidersdouche. Kou doet de hersens jeuken, laat ze niet in slaap sussen door het kapitalistische warme bad. Luxe corrumpeert.
Het Vrije Volk is verdwenen en daarmee de vorsende blik van God Herman. Al kan ik niet ontkennen dat er ergens diep in de oppervlakte van de scheerspiegel een Wigbold waakt over mij. Als handarbeider, klavierspeler werk ik dagelijks aan de achtergrondmuziek van dit arbeidersepos, deze multidimensionale film waarin iedereen als figurant de rol van zijn leven speelt.

Rupsvoertuig

Herinnert de vlinder zich nog waar
ze als rups ooit van droomde,

of heeft ze soms vederlicht spijt
om geen Tsjwang-tse te zijn?

Hoe weet men dat een rups het geluk is
om wat dan ook te zijn, bereid om
‘om het even wat’ te worden?

Hoe weten wild spelende vissen
onder de brug dat Tsjwang-tse
zo’n plezier schept in visgespartel?

Is het vanwege een algeheel benul
dat welke verschijningsvorm dan ook
bestaat in zich eenwetend spul?

Wat voelt als een vlinderzwerm
in het hart is neergestreken?

Wat voelt als het hart
vinnen heeft gekregen?

Thorvald7 Epiloog

Zijn verbeelding had hem onvoorstelbaar in de steek gelaten.
Er rolde zomaar een traan uit het walvisseoog, niet van verdriet, ontroering of geluk, maar gewoon door een scherp zandkorreltje.
‘Wat verbeeldt het zich wel?’ ,vroeg Thorvald zich af, ‘om een heuse woestijn te zijn?’….terwijl zijn lichaam fantasieloos door het allernatste zwom, dwars door alle domeinen van de vele voorstelbare woestijnen.

Het walvisselijf zwom zich een weg,
steeds dieper duikend, afzinkend…
mysterieuze duisternissen tegemoet
dan weer opduikend boven horizonnen
om daar gelukzalig hemels vol
te fonteinen met regenbogen.

Immer was voorgoed opgeslokt
en gloeide onverteerbaar in het lijf
alsof het de maanlamp zelf was
waar Oceaan dit verhaal bij las
dankzij fluweelzachte nacht.

Nu is het onderzoek naar waan van Horizon gestrand op de kust van de verbeelding…Het ‘onvoorstelbare’ ligt hier aangespoeld…het ligt vol van wat al niet…tussen talloze schelpen…in elke schelp immer deze ongehoorde oase…

Thorvald6

Thorvald dreigde zich helemaal te verliezen in de Oase van stilte.
‘Stop daarmee Thor, malle walvis!…’ ,riep Horizon bezorgd, ‘hou op met je adem in houden, straks blijf je er nog in!’ Hij wist kennelijk niet dat walvissen eindeloos, zonder adem onder water kunnen blijven. Nog een tergend geruime tijd bleef de ongehoorde Oase onverstoord stil.
Opgelucht haalde Horizon adem toen Thorvald eindelijk weer begon te fonteinen, wat altijd een feestelijk gezicht is net boven de waterspiegel. Het walvissegezicht toonde over de gehele breedte een gelukzalige grijns waarbij al zijn baleinen zich bloot gaven. ‘Wat een Oase is dit!’ ,verzuchtte Thorvald, ‘zoiets heb ik nog nooit gehoord, hemels stil!’
‘Je bent ook niet zo weinig gewend hé?’ ,merkte Horizon op, ‘weet je wat trouwens ook nooit iets van zich laat horen?’
‘Nee, vertel…wat ook nooit een greintje horen laat’ ,vroeg Thor terwijl hij wat resten plankton van zijn baleinen likte.
‘Regenbogen Thor’ ,zei Horizon, ‘…regenbogen, je weet wel, van die kromme frivole met het vermogen om in alle kleuren zwijgen!’
‘Welnee, die dingen ken ik niet…’ ,verklaarde Thorvald, ‘maar onder water regent het ook amper!’
‘Dat klopt, je ziet ze alleen hoog aan de regenhemel, in de leegste woestijn van alle woestijnen!’ ,zei Horizon beslist.
‘Waarom de leegste van alle?’ ,vroeg Thor.
‘Ja kijk, dat komt nu weer omdat die hemelwoestijn geen zand bevat, stel je voor een woestijn zonder zand, nog geen korreltje…dat is nog eens een echte woestijn!’
‘Jij weet toch wel het fijne van woestijnen, hé Horizon’ , zei Thorvald bewonderend, ‘weet je soms ook wat van Nacht… of dat soms ook een soort van woestijn is?
‘Jazeker’ ,begon Horizon op gewichtige toon te onderwijzen:
‘Nacht is nogal de meest legendarische woestijn die ik ooit…en van heb ik jou daar, vol met afwezig licht, gloedvol duister, een mantel zacht zo als schaduwfluweel!’
Thorvald was diep onder de indruk en vroeg zich af of hij zelf wellicht ook een soort van woestijn wilde zijn…en wat voor een dan wel? Maar hier liet zijn verbeelding hem onvoorstelbaar in de steek.

Thorvald5

Ja, onmiskenbaar op weg gegaan…tenminste zo voelde het. Of was het de plotseling stroming van Oceaan waardoor het leek of Thorvald zwom? Werden de vinnen van alle vissen niet door Oceaan in beweging gebracht, dacht Thorvald, golfslag of zwemslag?
Wat was wat, wie zwom wie? Hoe kon je weten wat wat was? Het duizelde in de walvis.
Als Thorvald dacht dat hij ergens naartoe werd gezogen, dan voelde dat ook zo, alsof hij werd aangetrokken door een magneet…een walvismagneet? …of was het Plankton dat aan hem trok? Was het: Horizon?…Nacht…Immer…Maan…Oceaan…? Alles leek wel aan hem te trekken. Nu stelde hij zich voor dat Oceaan op hem sabbelde, zijn enorme lijf voelde als een zacht kwalachtig snoepje in die alomvattende grote mond van Oceaan, waar het water uitliep. Het voelde nogal hemels dus besloot Thorvald zich dat nog even voor te stellen. Wat een ontdekking, dat wat je je verbeelden kan ook zo voelt. Waarom zou je dan niet het mooiste verbeelden? ,dacht Thor terwijl Oceaan maar bleef sabbelen. In zijn verbeelding kwam hij bovendrijven precies op de waterlinie waar Horizon hem lag op te wachten. ‘Ha Thorvald, ben jij het’ ,klonk het, ‘wat ben je hier aan het doen?’
‘Oh…ik zwem geloof ik door mijn verbeelding heen en wat ik mij verbeeld zwemt weer door mij’ ,probeerde Thorvald uit te leggen, ‘en Horizon vertel, heb je die verre einder nog gevonden?’
‘Ach Thor’, je moest eens weten, ‘Ik was er al, ik bedoel hier bovenop Oceaan heb ik altijd gelegen…dit is de einder, hier eindigt Oceaan en begint de hemel…ik had het kunnen weten, maar ik kon er maar niet op komen!’
‘Geeft niks Horizon, kan iedereen overkomen’ ,zei Thor bemoedigend , ‘en sommige dingen zijn niet te ontwarren…golfslag of zwemslag…wat is wat?
Opeens gebeurde er niets, een zeer langdurig indringend niets.
De vrienden keken elkaar verwonderd aan.
‘Wat is dat?….hoor je dat?’
‘Nee, ik hoor niks!’
‘Ik ook niet, wat zou dat zijn in hemelsnaam’.
‘Ach, ik weet het misschien’ , fluisterde Horizon, ‘er is er namelijk maar een die zo niet klinkt…het is vast de Oase van Stilte’ , zei Horizon, ‘ik heb haar heel vroeger ontmoet toen ze nog met Immer samen was.’
Horizon zag dat Thorvald probeerde zich fronsend een voorstelling te maken van de Oase maar zei: ‘Doe maar geen vergeefse moeite Thorvald, deze oase kun je alleen maar niet horen…gewone oases komen alleen voor in woestijnen, maar deze Stille kan zich overal spontaan voordoen’.
Thorvald hield zijn adem in om de ongehoord prachtige Oase nooit te verstoren.

Thorvald4

Nu wilde het geval dat Immer nimmer weg was geweest. Blijvend zijn zat nu eenmaal in haar aard. Oceaan en Thorvald schrokken dus nogal toen Immer zich vanuit niets in hun gesprek begon te mengen: ‘Zoeken jullie mij soms?…ik hoorde mijn naam noemen en geroddel over mijn veronderstelde gedaante… wel zoals je ziet, een gedaante heb ik niet…daarom kan mij overal bevinden, dat begrijpen jullie toch!’
Thorvald keek vergeefs overal om zich heen om Immer te vinden terwijl Oceaan het woord nam: ‘Beste Immer, wat goed dat je ons gevonden hebt…Thorvald hier vond dat
ik je iets moest vertellen wat ik vrij onlangs heb ontdekt…ik vroeg mij eerst nog af waarom dat moest…gelukkig kon Thorvald mij dit uitleggen: omdat het geen geheim is, zo zei hij het!’
‘Jaja, nou weet ik wel, kom op’ ,fluisterde Immer ongeduldig, ‘vertel op, wat is er ‘geen‘ geheim…ik heb zeeën van tijd, maar ook niets beters te doen!’
‘Nou’ ,zuchtte Oceaan die zich wat opgelaten voelde, ‘ ik bedoel dat ik door en door nat ben natuurlijk’
Als Immer een gedaante had gehad dan was hij gillend richting Horizon gerend,
maar nu verdroeg hij sereen de evidente ontdekking van Oceaan.
‘Luister Oceaan’ ,sprak Immer enigszins vermanend, ‘als iets geen geheim is dan kun je het beter zorgvuldig bewaren dan er over gaan kletsen met…met mij bijvoorbeeld…en is het niet opmerkelijk dat ik onlangs nog een Horizon tegenkwam die naarstig op zoek naar de einder…en nu weer een Oceaan die ontdekt dat ze drijfnat is…straks kom ik de Nacht nog tegen die vindt dat ze zwart is…er is hier wel iets heel vreemds aan de hand…dat alles maar op zoek naar zichzelf is!’ Omdat Immer geen hoofd had schudde Thorvald plaatsvervangend meewarig zijn enorme kop en dacht aan Horizon die in de verste verten naar zichzelf zat te zoeken. Oceaan dacht aan Nacht, het waren de zwartste gedachten die ze ooit gedacht had…nat en zwart…mooi en mysterieus.
Immer was er stil van geworden en dat bleef ze. Thorvald bleef niet, hij verdween geruisloos roerend met zijn staartvin in het diepe nat van Oceaan…onmiskenbaar op weg…

Thorvald3

Volgens mondelinge overlevering lag Oceaan nog steeds in haar eigen bodem verzonken, droomdronken in innige verstrengeling met Nacht. Nacht, die aloude duisternis, die noodgedwongen wel de wijste moest zijn. Het was nu nog maar een kwestie luttele momenten dat de meest prangende vraag van Oceaan zich aan Nacht zou openbaren. Die vraag betrof: dat babbelende Nat, dat kabbelend sprak als spraakwater en hoe of dat in hemelsnaam mogelijk was? Thorvald zag het met één geloken oog gebeuren…
Nacht, ontvankelijk als ze was flanste van schaduwen terplekke een pasklare waan in elkaar, geheel en al in de geest van Oceaan. Dit fabelachtige Nat sprak zo vanzelfsprekend tot de verbeelding, dat Oceaan warempelsgewijs ontwaakte als zijnde het Nat. Natuurlijk was ze dat altijd al onveranderlijk geweest, maar nu wist ze dat tenminste en kon ze zich ontstrengelen van wat dan ook. Nacht zag hoe Oceaan zo doordrenkt op haar eigen bodem lag en vertrok in haar zwarte mantel naar waar ze vandaan kwam, al wist niemand waar zich dat bevond…men dacht voor al aan de achterkant van de maan, maar dit vermoeden is nooit bevestigd. Oceaan werd even later opgetogen wakker en riep: ‘Thor… Thorvald kom eens hier jongen, ik heb goed nat nieuws!’ Thorvald die zich verdekt onder de leunstoel had opgesteld zwom tevoorschijn en kwispelde zo uitgelaten met zijn staartvin dat er draaikolken ontstonden waar het plankton massale rondedansjes in deed.
‘Luister Thor, dat goede boek dat jij van buiten kent hoef ik niet meer te lezen, ik hoef voortaan alleen maar Nat te wezen’ Thorvald keek Oceaan aan alsof hij water zag branden van verlangen…en eerlijk gezegd zat hij daar niet ver naast, Oceaan stoomde opgewonden als een onderwatervulkaan.
‘Moeten dat wij dit niet aan Immer vertellen’ , vroeg haar trouwe huiswalvis.
Oceaan keek Thorvald onthutst aan…
‘Wie of wat is Immer nu weer?’
‘Wel’ ,begon Thorvald rustig uit te leggen, ‘Immer is degene die meestal vaak weet waar iets of iemand Hier is…’
‘Ja, dat is waar het inderdaad om draait’ , beaamde Oceaan niet zonder trots op haar schrandere huisdier, ‘waar…wat…hier is, dat is de ware vraag!’   
‘En waarom zou Immer dit moeten weten?’ , vroeg Oceaan.   
‘Nou, eh…bijvoorbeeld omdat het geen geheim is?’,  vroeg Thorvald gevat.   
‘Dat is waar’, moest oceaan toegeven, ‘maar waar vinden we Immer en hoe ziet Immer er in wezen uit?’
‘Tja’ , zei Thorvald peinzend, ‘daar moeten we Immer zelf voor raadplegen en dan zien we meteen haar gedaante…dus is de vraag:    
‘Waar bevindt zich het Hier van Immer?’

Thorvald 2

Oceaan probeerde een goed boek te lezen bij het schemerlamplicht van de maan, terwijl haar huiswalvis Thorvald baldadig fonteinen blies uit zijn spuitgat. De walvis leek haar speels om aandacht te vragen.
‘Wat is er Thor, ben blij of zo dat je zo wild aan het fonteinen bent? , ik probeer hier rustig een goed boek te lezen weet je!’ Thorvald stopte onmiddellijk en vroeg:
‘Wat voor boek goed probeert?’
Het is ‘De Zin van Nat Zijn’ van Benzo Chekalsundeur.
Ach, dat ken ik…van buiten, riep Thorvald nu weer uitzinnig fonteinend, ‘dat mijn moeder ook las voor voor voor voor het slapen gaan’
‘Kijk nou, wat je doet, riep oceaan, nu is heel de kaft natgespoten…en je zinsbouw lijkt ook nergens op!’ Schuldbewust dook de walvis onder, zoals alleen getamde huisdieren dat geloofwaardig kunnen doen. Zo, eindelijk rust, dacht Oceaan en legde het goede boek te drogen op de schemermaan om even een plasje te kunnen gaan doen. Dat had Oceaan vaker als ze over nat las en helemaal als ze nat hoorde, dat ze leeg dreigde te lopen. Vreemd toch, dacht Oceaan spontaan…dat je Nat kon horen, dat Nat kennelijk een stem had. Oceaan besloot het eens aan Maan voor te leggen, die de naam had zeer oud en wijs te wezen. Oceaan schraapte haar zilte keel en vroeg op voorname toon: ‘Dierbare Maan, u schijnt nogal van de wijze te wezen… mag ik u daarom vragen als ik het zo zeggen mag…Wat maakt dat Nat kan aanspreken?’
Nou, zei Maan, bescheiden als Immer, ik schijn wel meer, heb ik van horen zeggen, van de wijs en zo…maar voor dat soort zaken kun je toch beter Nacht raadplegen, die is ouder dan oudst… vergeleken met haar ben ik maar een jong ding…dom wicht zo je wilt’
Oceaan golfde even een glimlachje over haar zeegezicht en bedankte Maan feestelijk voor haar goed raad.
Daarna probeerde ze nog wat hoofdstukjes in het nog vochtige boek te lezen, de donkere Nacht zou later wel komen. Maar lezenderwijs dommelde Oceaan dieper in slaap, tot ze op haar eigen bodem belandde.
Daar zonk ze weg terwijl Nacht vanuit het diepe duister tot haar verbeelding boekdelen begon te spreken over om het even wat. Oceaan hoefde maar een vraag te dromen of Nacht gaf een passend antwoord. En paste het niet meteen dan paste Oceaan de vraag aan het ongepaste antwoord aan. Walvis Thorvald hield haar diep gezonken baasje van gepaste afstand met een vinnig oog in de gaten, als een waaks beestje, vastbesloten om Immer trouw te blijven.