Nou ja zeg

Tante Gans uit Hamstolveen had het hoger in haar bol dan haar zusters die meer langs lager wal flaneerden. Ze hield theekransjes met de lokale notabelen, doktoren, advocaten, notaris en kunstenaressen van wie ze Ceramique collectioneerde. Ik wist nog niet wat zeeramiek was. Dat bleek gebakken klei te zijn al dan niet bedekt met glazuur. Het hing aan de muur als plakkaat of in de vensterbank zonder plant erin. Volgens mijn vader sprak tante met een hete aardappel in haar keel. Die eigenheimers haalde ze op in een vioolkist…? Maar dat zou ik later pas snappen, voorspelde hij mij.
Wij behoorden tot de arme tak van de familie. Onze tak zocht het lager op, op de grond. Dan wist je tenminste waar je stond. Vandaar dat Tante Gans nooit tijd voor ons had. Een afspraak was altijd moeizaam en van korte duur. Ik vond tante wel een exotisch exemplaar binnen het familie park in elk geval anders dan de rest. Ze leek een beetje voornaam met die parels aan haar gebruinde oorlelletjes.
Slechts éénmaal mochten wij bij ze eten. Als jongen in de groei weet ik nog hoe ik rammelde en hoe dat diner op stand mij tegenviel.
Zo at die rijke tak dus: erwtjes met aardappel, een eetlepeltje boterjus, bekroond met een hardgekookt ei. Als extra bonus kwam er ook nog een dessert, zo was ons tevoren al beloofd…om ons alvast lekker te maken.
Door het ultramoderne doorgeefluik tussen keuken en kamer werd het dienblad met duralex schaaltjes geserveerd. Ik wist niet wat ik zag. Er lagen kale blaadjes botersla in.
Ook bij mijn arme ouders meende ik een onderdrukte verbijstering te zien. We moesten nog even wachten tot iedereen paraat was om aan te vallen. De slablaadjes bleken met suiker bestrooid. Na drie hapjes was het schaaltje leeg. ‘Heel apart!’ ,zei mijn vader.
Mijn moeder keek besmuikt zoals gewoonlijk maar bij deze speciale gelegenheid heel netjes, als een opgelaten barones. We werden netjes de deur uitgewerkt. Later hoorde ik dat tante Gans op vakantie in Duitsland onwel was geworden en in het krankenhaus was opgenomen. Tegen haar dochter beklaagde ze zich erover dat die lui daar allemaal Duits spraken, nou ja zeg.

Eelt

Mijn vader sneedt het eelt van mijn moeders eksterogen,                 met een vlijmscherp mes. Dat kweekte ze op haar voeten door te nauw schoeisel te dragen. Leger des Heilsschoenen die al door vreemde voeten waren afgelopen. Vader was bijna hoefsmid geworden in Broek en Waterland, daar zou hij paarden beslaan en hoeven bijsnijden. Helaas ging dat niet door. Hij werd filiaalhouder terwijl hij helemaal niet van filialen hield. Nu moest hij zich behelpen met mijn moeders verhoornde voeten. Hij had ook een schoenenleest waar hij in de oorlog de deuren mee langsging om schoenen te lappen. Nu lapte hij de schoenen van ma, zette er nieuwe hakjes en zolen op. Dan zat hij met zijn mond vol scherpe kopspijkertjes met een mooi gesmeed hamertje te kleunen op het leer. Het eelt groeide ongeveer even snel als het slijten van de verse hakjes. Tegenwoordig hoor je weinig meer over eelt. Handwerk verdwijnt. Schoenen pleurt men keurig weg als de kleur niet meer zo bevalt.
Er heerst een groot taboe over het eelt op de ziel. De huidige mens draagt dikke lagen eelt met zich mee.
Dat eelt dient om de gevoelswereld te verdoven. Daar praat men niet over. Natuurlijk zijn er ook die het bestaan van de ziel ontkennen. Tegen die lui zou je willen zeggen: lieve mensen, dat is het eelt, die ontkenning van de ziel is die ondoordringbare eeltlaag, uw pantser. Mijn vader zou er een levenswerk aan hebben om dat eelt te verwijderen, maar hij zou er gewoon aan beginnen. Vader hield van handelingen. Daar kreeg hij eelt van op zijn handen. Soms sneed hij het eelt op zijn duim bij.

Tiergarten

Ze hadden er nog net ééntje weten te vangen in het wild, een juveniel mannetje van de vrijwel uitgestorven soort, nog ongeciviliseerd. Door pretparken en bedrijventerreinen waren de laatste exemplaren uit hun biotopen verjaagd en naar de voorsteden verdreven, waar ze de voortuintjes hadden kaalgevreten. Het merendeel van de populatie bezweek aan een succesvol insectenbestrijdingsmiddel. Het enige mannetje werd in verzekerde bewaring gesteld in het primatencomplex,compleet met bank, schemerlamp en televisie. De eerste week weigerde hij nog te eten, daarna gaf hij zich over aan het kunstmatige zoölogisch regime, veel sla en geen leesvoer…
Het hoofd Conservatie van de Zoo belde meteen zijn Europese collega’s af, of ze niet nog een geslachtsrijp vrouwtje hadden om deze unieke soort te kunnen conserveren. Tiergarten Berlin had toevallig net een adolescent wijfjesexemplaar in hechtenis genomen. Ze was wildplassend langs de autobahn opgepikt door de Zoopo’s (Zoölogischen Polizei) die beleidsmatig alle ‘naturfremdgänger’ uit het openbaar domein wegplukte en in diergaardes detineerde om de staatscollectie aan te vullen. Een deal was snel rond. Bij een grote worp zouden beide vestigingen publicitair kunnen profiteren van het jonge leven. Een dergelijke marketingstunt scoorde altijd hoge bezoekersaantallen. Het vrouwtje kwam over uit Berlijn, eerst voor een weekendje. Echter, de soortgenoten moesten elkaar niet. Hij begon meteen met de Jugendstil schemerlamp te slaan en in het 3D-beeldscherm te bijten, zij krabte de knopen uit de gecapitoneerde Chesterfieldbank. Dit werd angstvallig buiten de media gehouden om het beeld van de romance niet te verstoren. Het mannetje werd met de pijltjesbuks verdoofd. Zijn zaad werd geoogst voor kunstmatige inseminatie. Een ruime worp werd kundig ontworpen in het Fertility Lab. De bevalling werd op camera geregistreerd en live uitgezonden op tv. “Nooit eerder vertoond in gevangenschap” ,kopte de Berliner Allgemeine, zelfs met ReuzenPanda’s was dit nog nooit gelukt. De 4 zuigelingen waren allen meisjes. De volksmond doopte hen tot: ‘De Vier Gezusters’ naar het gelijknamig zoogdierdrama van Tsjechov.

Wezen

Plantenweeshuis ‘de Muurbloem’.
De wezenvader fietst dauwvroeg langs de vuilnishopen van de slaapstad. In de hoop plantaardigen te kunnen redden van de verdorstingsdood,kamerexemplaren, tuinpotwezen en uitgeprocedeerde balkonbakplanten.
Hangbakjongeren, volgens de weesvader, want planten verjongen zich permanent als ze een kans krijgen. Na een rondje is de bakfiets vol met zieltogende groenlingen, verdord knisperen hun bruine blaadjes in de wind.
In het weeshuis snoeit vader dode ledematen, geeft wortels verse aarde
en water uit de sloot. Waarom begon vader dit weeshuis? “Puur uit eigenbelang” ,was zijn antwoord.
‘Ich bin ein Chlorophyl’ staat op zijn schutting gekalkt.

Bladgodin

Spiegels kent ze niet,
alleen de kikkercirkels
in het vijvervel van kroos
die het zicht doen rimpelen.

Haar gelaat schijnt gonzig
als geweven van zonnewind,
bladstille schaduwgeur gedoopt
in vluchtige zindervogelzang.

Handpalmen vingerwortelig
groezelend van godenbagger,
zij zaaien wonderzaadvreugde
jeukend van kiemkracht.

Badend in deze bloemzee
oogst ze overrijpe ruimten
hemelhoogst opgetast
als goudblauwig zomerhooisel.

Bladgroengodin Scheurwortel
tiert zo welig haar wildgroeigeest,
voortplantaardig ontspruit ze zich
waar dan ook, het toverlover feest.

(Ode aan ‘Lanny’ Max Porter)

Droonbeeld

{CAPTION}

Dronend boven Holland
ziet het bereden filerivieren
braaf traag door omheind
laagland gaan
gekapte populieren nergens
langs de snelle wegen staan
omzoomd door bedrijventerreinen
zijn Gods wegen verwonderlijk lelijk
en zelden aangenaam.

Gekrabbel

Moet je horen, heerlijk…geen muziek. Wat bedoel je, ik hoor niks?
Kijk en daar stond vroeger die kerk. Waar dan, ik zie alleen een leeg plein?
Ruik je dat?…geen uitlaatgassen! Nee, of bedoel je gewoon deze frisse lucht?
En moet je dit nou es proeven, zalig… brood zonder conserveringsmiddel…
Ik proef het niet, zonder kleur of smaakstoffen staat op de verpakking.
Ze zijn het zout ook vergeten, proef je dat niet? Ja, ik proef geen zout.
Gek toch, als de zintuigen niet geprikkeld worden gaan ze jeuken.
Ik dacht al wat zit je nou te krabbelen in dat opschrijfboekje.