Karperhart

Het bruggetje overhuift de vijver.
Het hoofd is ergens in de wolken.
Ogen zwerven zacht langs de tienduizend dingen.
Onder de met bladeren bezaaide waterspiegel zweeft het hart als een karper,
roerloze vinnen dirigeren de stilte.
Ze eet al kussend waterplanten schoon.

Oren liggen op de bodem als schelpen te luisteren.
Wiens neus waait met alle winden mee, vervoerd door ongekende vleugjes?
Ook al heb je geen staart meer, het kwispelt wel.
In de vijverspiegel is geen hond te zien.
De karpermond vertelt alle geheimen door aan wie het maar wil horen:
‘… .. … … .. .. …….. .. … … .. …….. ….’

Tuingeit

Onze tuinman Gilbert lijkt een laks figuur. Hij gelooft heilig in ‘natuurlijk tuinieren’…
Waar een molshoop opduikt, daar plant hij een plantje; ‘Dat scheelt weer graafwerk’.
In water geven gelooft hij niet: ‘De plant wortelt beter als de wortels naar water op zoek moeten wroeten, diep in de aarde’

‘Wat ben je aan het uitbroeden?’ vraag ik hem.
‘Ik wacht op hemelwater, gods akker is geduldig’ verzucht hij leunend op de hark.
Niet met hem beginnen over onkruid wieden: ‘Wat is onkruid?’
Voor je het weet begint hij over geneeskrachtige kruiden, alles is wel ergens goed voor.
Snoeien doet hij wel, maar hij laat eerst de najaarsstormen het grove werk doen, de resten stapelt hij dan tot een houtwal. ‘Voor de egels is kreupelhout met herfstbladeren heerlijk’

‘Waar betalen we Harkema eigenlijk voor.’ vroeg mijn vrouw zich eens af.
‘Om voor ons te bemiddelen met Moeder Natuur, wij spreken haar taal niet.’

De ijzeren vingers van de hark aaien door het gras, maken een kruintje rond de molshopen en een golvende scheiding in het midden. Gilbert had ook dameskapper kunnen worden.
‘Het gazon is het mooist als je er vooral niet overheen loopt!’ mijmert hij hardop.
Aan grasmaaien doet hij niet; ‘Dat ragt de hele halm aan gort!’

Soms neemt hij de geit mee, zijn ‘happy little friend’
‘Een topgeit…lust alleen gras, maait precies op maat’
Gilbert harkt rustig verder naast het grazende geitje.
‘De hark is bedoeld om alle menselijke sporen uit de tuin te wissen, je moet de mens idealiter uit de tuin weren om het natuurlijk te houden’
‘Maar, dan voel ik me een bezoeker in mijn eigen tuin!’ werp ik tegen.
‘Dat moet ook, wij zijn maar te gast in deze ‘aardse hof’, grijnst hij zonder ironie.

Mobilisten


In hun metalige lichaam reden ze de bijna doodervaring binnen.
Ze konden maar één kant op, recht op het licht af.
Alsof ze in een drive-in-bioscoop zaten, dwars door het filmdoek vlogen.
Achter het doek begon de dood pas echt te leven.
Het voorafgaande scheen slechts een voorprogramma,
nu begon het ongeprogrammeerde zicht.
Ze voelden zich opgelicht door het niet verdwijnen.
Bedrogen door de Dood met zijn loze beloften.
Hemelse fraude, die macabere oplichter bleek spoorloos.
Op het autokerkhof lieten ze hun afgereden ijzerlijf achter.

Nu waren ze weer gewone mobilisten, voetgangers

Rolspel

Het afgebrande bos had het natuurlijk wel aan zichzelf te danken.
Had het bos niet zelf het lucifershoutje geleverd waarmee de brand was aangestoken?
Alleen het fosfor was onschuldig, wat kon fosfor eraan doen dat ze zo licht ontvlambaar was? Het was nu eenmaal haar natuur om bij de geringste wrijving te ontvlammen.

Binnenshuis strandde het huwelijk bijna op het feit dat hij de wc-rol met het velletje naar de muur ophing terwijl zij het velletje aan de buitenkant wilde laten hangen.
Het was allemaal begonnen toen zij hem verweet dat hij nooit een nieuwe rol ophing en de nieuwe rol in wc liet rondslingeren. Waar was zo’n rolhouder dan voor?
Hij nam het verwijt serieus en kwijtte zich voortaan van zijn taak. Met volle overtuiging deed hij het vervolgens consequent fout, in haar ogen. Het smeulende conflict vlamde regelmatig op tot vurige discussies. Het was toch evident, vond zij.
Er viel voor beide handelswijzen iets te zeggen, maar waarom zou je, vond hij, je kon het net zo goed andersom doen. Dat het er niet toe deed was de druppel voor haar…natuurlijk deed het er wel toe!
De daarop volgende jaren merkten ze stilzwijgend op dat hun gewoonte soms omsloeg naar de andere kant, hun rollen wisselden van principe.
Toen ze het er later weer eens over hadden wisten ze zelf niet meer zeker welke positie ze ooit hadden ingenomen.

Het afgebrande bos bleek zo vruchtbaar dat het na een paar jaar alweer overwoekerd was met jeugdige zaailingen. De paden van het bos waren zelfs niet meer terug te vinden. De verkoolde bodem, verzadigd van zaden. Verreweg de meeste oorzaken raken verkoold in de bosbrand van de geschiedenis.

Truffelolie

Op een of andere manier lijkt aardolie onnatuurlijk, misschien omdat er kunststoffen van gefabriceerd worden, verbindingen die niet in de natuur voorkomen.
Maar aardolie is door en door natuurlijk, het is de siroop van de plantaardige wereld. Vergane prehistorische oerbossen, compost gepureerd door de tijd.
Niet zo vreemd dus dat één druppeltje aardolie naar truffel smaakt, pure bossmaak.
Een druppel in een flesje olijfolie geeft al een sterke truffelaroma, een delicatesse. Feitelijk is plastic dus ook natuurlijk ook al is het een afgeleide verbinding.
Plastics kunnen zo verschrikkelijk nieuw ruiken. Een nieuwe auto kan zo penetrant nieuw stinken dat je liever een tweedehands model koopt die gewoon lekker naar mens stinkt.
Het enige echt nieuwe wat de mens heeft geschapen is geld en geld heeft op haar beurt
‘de nieuwe mens’ geschapen. Het blijft wonderlijk hoe de nieuwe mens een dood idee als geld leven in weet te blazen, alleen maar door er massaal in te geloven, iedere dag weer opnieuw, als een gebed zonder eind. De meest verstokte atheïsten geloven wel heilig in geld. Het laat de kracht en de macht van geloven zien. Het dode idee wordt met geweld verdedigd, er worden oorlogen om gevoerd. De zucht naar meer geld vernietigt de menselijke leefwereld.Het huidige denkbeeldige geld stinkt niet meer, net als de duivel zelf. Dat het virtuele minder substantie heeft dan de geur van truffel en toch de wereld kan vergiftigen is een wonder op zich. Eerst geloven dus en dan zien.

Pro-Deo

-Wat zie jij er vermoeid uit, is er wat aan de hand?
-Het schijnt dat ik slaapwandel… maar ik weet van niks!
-Doe jij je schoenen uit in bed of hou je ze aan?
-Waarom vraag je dat, hoe kom je daarbij?
-Ik heb iemand gekend die voor het slaapwandelen eerst zijn schoenen aantrok. Zijn huisarts heeft hem toen behandeld door in het geheim precies hetzelfde model schoenen neer te zetten, twee maten te klein.
-En hielp dat ?
-Nou, niet meteen de arts schreef hem daarna voor om zijn schoenen voortaan aan te houden in bed zodat ze niet zouden krimpen, dat bleek een afdoende boodschap voor het onbewuste om niet meer nachtelijk te wandelen.
-Wonderlijk verhaal zeg, had die huisarts dat zelf bedacht?
-Nee, deze arts werkte ernaast ook als duiveluitdrijver voor de Katholieke kerk, pro-deo, hij werkte volgens een eeuwenoud protocol.
-Interessant… exorcisme, de duivel verjagen met te kleine schoenen?
-Nee, maar zijn methodiek kwam wel neer op beknelling, de bezetene moest vrijwillig plaatsnemen in een zeer nauwe doodskist. De deksel werd dan echt dichtgetimmerd, de blinde paniek die daarop volgde moest worden doorstaan. Hoe heftiger de paniek hoe groter de bevrijding.
-Vrijwillig moest.., zeg je? Dan hadden ze wel veel vertrouwen in die arts.
-Levend begraven worden is een oerangst in het collectieve onderbewustzijn, die angst bewust doorleven werkt enorm louterend.
-En vooral de bevrijding daarna, lijkt me, als de kist weer opengebroken wordt.
-Ja, gek genoeg, voelde de bezetene zich in die kist uiteindelijk heel veilig en beschermd.
-Hoe weet je dat allemaal, heb je een van die mensen gesproken?
-Om eerlijk te zijn, nee…ik heb het uit zeer betrouwbare bron…ik ben ooit in een duister verleden lid geweest van een geheime sekte…ik dank mij leven aan die arts.
-Wat een fantastisch eng verhaal zeg…leeft die huisarts trouwens nog?
-Nee helaas, we hebben hem moeten begraven en… saillant detail: hij had één laatste wens. De deksel van zijn kist moest open blijven, op een kiertje, just in case…

‘Dit’

Ach, waar praten eigenlijk over?
Men vraagt mij wel eens af wie of wat ik ben?
Wie of wat denkt men wel dat ik ben om daar antwoord op te geven?
Het enige echte antwoord kan echt alleen maar Zijn zijn.
Men heeft ‘dit’ sinds het talig worden van het menselijke dier al van voor van alles uitgemaakt. De meest uitzinnige namen en aannamen, over wie of wat dit zou zijn. Aanbeden en vervloekt…Fame or shame, it is all the same.
In mensentaal gesproken; ik ben geen persoon, ik kan dus geen ik zijn.
Ik heb geen lichaam omdat ik alle lichamen ben inclusief hemellichamen en lichamen die nog niet geboren zijn. Ongeacht of het dierenlichamen zijn, bomen of planten, microben, atomen, golvende lichtdeeltjes…wat al niet!
Het zijn omvat al wat er is en wat er niet is, al wat nooit zal wederkeren is of nog zal ontstaan. ‘Ik’ kan dus nooit God zijn, want God is slechts een dood concept, een naam.
Onvoorstelbaar begoochelend is die taal, de naamgeving suggereert een ik dat die naam draagt. Het éne lijkt het ander op te roepen, met het accent op lijkt.
Men dicht ‘dit’ eigenschappen toe en gedrag, maar er is niemand die deze eigenschappen bezit of kan claimen. Zijn heeft geen enkele status omdat het vooraf gaat aan alle staten. Daardoor is dit zijn in alle staten gelijktijdig.
Dit verklaart ook de snelheid van het zijn, er is niets sneller dan gelijktijdigheid. Zijn kent geen wie of wat. God mag weten waarom ze ‘dit’ ‘Natuur’ noemen. Die naam is zo absurd omdat er niets anders dan ‘dit’ bestaat.
Niets valt buiten ‘dit’, daarmee vervalt de hele betekenis van het woord in het niet.
Begrijp goed, hier spreekt geen taal, hier spreekt alleen zijn en niet zijn, in dialoog. Ach, waar praten we eigenlijk over?

Allemachtig

Hond ziet baas als straffende god?
Wanneer hond zelf tegen een paaltje aanloopt onderwerpt hond zich aan baas, alsof baas op afstand een straf heeft uitgedeeld.
Hond ziet baas als helende god?
Hond bezeert zijn poot in het vuur van het spel, mankt op drie poten naar baas die zijn zere poot masseert en zegt dat het weer helemaal goed is. Hond hervat weer vief het spel alsof er niets gebeurd is.

Voorgeschiedenis:
Hond groeide op bij boer, boer schopt wel eens lastige pup met z’n klomp.
In de hondentraining komt hond nooit rechtstreeks op baas af om voor hem te zitten.
Hond loopt altijd met een ontwijkende kwartcirkel naar baas en komt op een afstandje naast baas zitten, hond maakt omtrekkende bewegingen.

Zien we hier het ontstaan van religie bij een niet-menselijk dier?
Is ontstaan van religie te begrijpen vanuit het placebo/nocebo-effect?
Vertrouwen werkt, wantrouwen verstoort.

Hoe dan ook is het menselijke dier de schepper van het god-concept, dus machtiger dan het godsbeeld van de almachtige.