Skoon

Zizo, hierdie skoon varkie is nou genoeg gewas, die varkie het er skoon genoeg van.

Wees gerus en laat jou verras door wat die lewe jou nog verder bied
en bowenal voel jy soos ‘n varkie
so vry in hierdie goddelike gore modderpoeltjie…

Varkies moetnie aan ‘n steriele bestaan dink nie…lewe sonder bakterie sal sterf en bederf.
Seep is die vyand van die vuilvark.

Seep stink vuil

Zucht

Nuland, de Vis van water slaapt op de bodem van het Zondermeer en ziet in haar heldere droom Wiemand, de vogel van lucht, hemels rustend op een wolk…
Zo ruimhartig is het wezen van leegte dat gelegenheden schept voor deze open oogdromen.
Onderwijl gaat de nacht van licht schuil achter de steen van stilte. De lichtnacht is zowel schuchter als doortastend al naar gelang de stenen stilte dat vereist. Desnoods plukt nacht de bloem van geur als dat een zucht van verlichting geeft, maar in dit geval voldoet schuchter.
De vis van water gaapt in haar droom en lost spoorloos op in het Zondermeer. Wiemand, als vogel van lucht ontwaakt daar hoog op de wolk en ziet verwonderd neer op het enorme visachtige water. Zo’n grote vis van water is echt ongekend,
zelfs voor een vogel van lucht, die toch evenmin klein is te noemen.
Dit alles speelt zich in het zijn van benul.

Zondermeer

Wiemand, de vogel van lucht
sprak graag met Nuland, de vis van water
aan de oevers van het Zondermeer.

Zij spraken elkaar over de bloem van geur
en over de steen van stilte die zo massief…
maar het liefst zwegen ze samen…
over de nacht van licht…

Nuland’s ronde vissemond stak net boven de waterspiegel uit
wanneer ze iets zei, dan zag Wiemand uitdijende cirkels op het water.
Wiemand’s vleugels van lucht streken die rimpelingen dan
zachtjes plat ten teken dat het was verstaan.
Onbreekbaar, zo massief.

De geur van hun gesprek verspreidde zich over het watervlak
toen Wiemand wegvloog van het Zondermeer.
Overal waar Nuland boven water kwam kon de vis van water
de bloem van geur glashelder ruiken…

Wat bleef was het samen zwijgen over de nacht van licht.
Zelfs zonder vis van water, zonder vogel van lucht verbleef het blijvende.

Amai

Amai amai
ek is so bly
amaisielief
amai amai

Ek skryf jou hierdie liefdesbriefie
vanagter die ver wit lakenland

waar ek woon diep in die sagt
kusgebergtes om jou op te wagt

om daar saam te swem alras
in die wit see van matras

so diep te swem dat wy
nie meer weet nie wie er wie was

amai amai
amaisielief
ek is so bly
amai amai.

Zuivelvers

Het is buiten gewoon hoogzomerig,
‘t taalvee staat er dromerig en uitgemolken bij
in melkwitte weiden van lege bladzijden

er valt uit deze zuivelachtige witruimte
geen drinkbaar vers meer te karnen,
als poëzieboer smeek je bijna om erbarmen

van je muze die halsstarrig verzuimt te
begeesteren middels lyrische inblazingen
je laat je willoos gelaten overmeesteren

door de jammerlijke helaasheid der dingen
zoals Japanners het noemen ‘mono no aware’
‘t waarom laat zich spijtig genoeg niet te verklaren

Trouw

De dood is trouw…aanhankelijk als een jonge hond.

Ze koos jou uit het bastaardnest, liep blindelings op je af.

Sindsdien volgt ze je op de voet, als een schaduw in draf.

Aan de lijn loopt ze niet, de dood loopt los en snuffelt…

aan elke mijlpaal of boomstam die je tegen kwam.

Na elke levenswandel gaat ze liggen in je schoot.

Bij het geringste gerucht spitst de dood haar oren.

Nooit blaft ze, maakt geen slapende doden wakker.

Al kwispelend kam je het dode haar uit haar vacht.

Liefst slaapt ze veilig geborgen onder jouw nog warme huid.

Ooit was de dood een wolf, maar nu is ze je dierbaar,

dienstbaar aan het mensachtige, een diep vervulde wens.

De dood verstopt straks jouw botjes zorgvuldig in bestaansgrond

om ze later in ‘t geheim op te graven en toegewijd af te kluiven.

Weliswaar

We keren de rollen nu eens om
en geven dit gedicht eigen ogen
en handen om de lezer te pakken
alsof u de lezer, een open boek bent

Het vers leest stille lichaamstaal
ledemaat voor ledemaat spellend
geen gebaar rijmt op het volgende
wat wil de lezer hiermee zeggen?

Zo voelen lezers ook eens aan den lijve
hoe het is om uitgelezen terzijde te
worden gelegd, met ‘n vies ezelsoor,
onbegrepen te worden dichtgeklapt

Het gedicht geeft deze exegese op
dit mysterie is niet te doorgronden,
hermetisch poëtisch, zo is de lezer

Dit vers geeft ogen en handen terug
het leende voor even uw aandacht
ogenschijnlijk wel is waar, maar toch

Meteoor

De keiharde gedachte in dit gedicht
slaat als een meteoor ‘n denkbeeldig gat in je schedelgewelf

Hoe kan ‘n gedachte, zachter is dan een verdampende wolkenvacht, zo’n zelfbedacht gat slaan en wie kan het dichten?

Dit dichterlijk gat vervult onze ziel.

Waarvandaan kwam deze denkbeeldige meteoor die zo dwars door je poëtische plafond is gegaan?

Kwam het voort uit die kosmische kracht van de eigen waan, ‘n enkel magisch toverwoord?

Komt het voort het uit die komische macht die simultaan echt en waan ongestoord naast elkaar laat bestaan?

Wat is dat gene dat zo onbedaarlijk om zichzelf lacht?                                        

Is het dit zwarte licht van wakkere nacht dat immer heeft geschenen?

Een meteoor die er nooit was kan toch onmogelijk verdwijnen.

Dit poëtische gat was er al ruim voordat ruimte werd geboren.

 

Boom

Wie iets niet weet kan er altijd nog over gaan speculeren.
Een hypothese is een boom die binnen een oogwenk is opgezet.
Een kerstboom optuigen is meer werk. Als de boom staat kun je
bewijzen gaan verzamelen om de stelling te bewijzen.
Die verzamelde ballen hang je vervolgens netjes in je boom.
Het is ontroerend hoeveel welwillende bewijzen zich spontaan
melden om je bewijsvoering rond te krijgen, ballen te over.
Als je je theorie rond hebt dan denk je iets te hebben begrepen,
dit verschijnsel noemt men verlichting. Deze verlichting hang je
eveneens in de boom. Als laatste plaats je je eigen naam als een piek
er bovenop. De realiteit is echter iets anders dan een concept…
Daar is een permanente kerstbomenoorlog gaande om achterhaalde
hypotheses waar een vreugdevuur van gestookt wordt.

Grijs

Ja hoor, daar staat ie weer…
of nog steeds, terug van nooit weggeweest?
Dat enorme grijze gevaarte midden in je bovenkamer.
Het kan er z’n kont niet keren en jij kunt niet om hem heen of is het een zij?
Tussen die poten als zuilen kruip je naar de andere wand.
Kun je die muren niet wat ruimer denken, dit is geen doen.
Wat moet dat fantastische dier eigenlijk hier?
Wil het misschien gehoord, gevoeld, gezien?
Je kunt aan niets anders meer denken.
Zo dierbaar is het, gedomesticeerd.