Blus


Er woedde een innerlijk vuur in het kind dat zijn hele belevingswereld bezielde. Zo’n binnenbrandje kon de buitenwereld niet aan, dat werd hem van jongsaf aan wel duidelijk gemaakt. In het officiële publieke domein was alleen dimmen en schemeren toegestaan. Als schemerlamp kon je veel aanzien verwerven. Het kind werd afgericht zich lief en gehoorzaam te gedragen tot het een doorsnee gediplomeerde schemerlamp was. Het innerlijke vuur moest onderduiken…. al werd het in het geheim gekoesterd als een schat.
Als de ouders op mooie zomerdagen weg waren paste hij wel op het huis. Dan stookte het kind rituele vuren in de koperen fruitschaal op de salontafel. De vuren reikten soms tot aan de plafonnière. Spelenderwijs beheerste hij het fysieke vuur. De familiefoto’s en het krantennieuws gaven nu opeens echt licht. Grijze foto-rook steeg naar het plafond. Wat zouden de indianen uit deze rooksignalen opmaken? Het rook vreemd in de woonkamer, merkten zijn ouders op bij thuiskomst. Het kind had de ramen wijd opengezet om te luchten. Het verklaarde zo uitgeblust mogelijk dat de buren waarschijnlijk een barbecue hadden gehouden. Nadat de lucht was geklaard nam een serene rust bezit van het kind. Een sereniteit die de gevaarlijke gekte van het innerlijk vuur kon kanaliseren. Dit speelde zich af ver voor het tijdperk van de rookmelder.

Initiatierite

Mijn vader kon in een handomdraai van niets iets maken. Zo maakte hij naar behoefte van elke Rondo een Gevulde koek of een Kano. Waar je maar trek in had. Handmatig drukte hij de Rondo met de handpalm plat of met beide kolenschoppen tot Kano.
Hij had overduidelijk plezier in zijn scheppend vermogen. In mijn beleving kon mijn vader alles…naaien, naaimachines repareren, schoenmaken, timmeren, metaalbewerken, houten beeldjes snijden, miniatuurvogeltjes snijden, fietsen maken, brommers, auto’s, meubels, glassnijden…wat niet?
Scheppen is mij voorgeleefd…maar dat niet alleen. Ik zal één moment nooit vergeten: We stonden samen achter het woonkamerraam tante Koba uit te zwaaien. Op de vensterbank stond het kado van tante Ko, dat we net hadden gekregen. Het was een metalen bloempotje in de vorm van een emmertje.
Een verlepte cyclaam was er haastig ingepropt en vrijwel uitgebloeid. Het metaal was met slordig uitgeknipte poëziealbumplaatjes beplakt. Het hengsel van het emmertje was losgeraakt en met roze kauwgum weer aan elkaar gekleefd.
Ik maakte een opmerking over het spuuglelijke kado van tante Ko.
Pa pakte het emmertje in zijn hand, woog het… keek mij schelmachtig aan en vroeg:
‘Dus jij vindt dit geen mooi potje?. ‘Wat ben je toch ‘n ondankbare hond..Tante Ko heeft dit eigenhandig, met haar gelakte nagels ergens uit een vuilnisvat gevist en netjes aan elkaar geplakt, en dan is het nog niet goed genoeg voor meneer de Baron!’
Ondertussen zwaaiden we naar tante Ko die haar kanariegele-DAF probeerde te starten.
Tergend langzaam kneep de hand van mijn vader het emmertje tot een propje metaal.
Het gele ding startte niet, dus we bleven steeds vrolijker zwaaien.
We kregen samen de slappe lach…vooral toen ik aan het hengseltje begon te trekken waardoor de roze kauwgum tot een witte snaar werd uitgerekt, buikpijn van het lachen. Dit was slopen op het hoogste nivo, volkomen bewust en met absolute beheersing.
Het was een initiatieritueel in de wondere kunst van het slopen…vele dingen zouden volgen.
Dat slopen zoveel plezier en energie kon opleveren was niets minder dan een openbaring. De onderliggende ergernis aan tante en afkeer van goedkope lelijkheid werd ter plekke getransformeerd tot pure levensvreugde. Een leugen als leugen doorzien is het ware, het goede en het schone. De wereld een beetje minder lelijk maken is een esthetische plicht die maar weinig mensen beseffen. Tegenover elk scheppend vermogen staat een even vruchtbaar sloopvermogen. Subliem slopen is bewuste ruimte scheppen.

Huts

Mijn jongenslichaam was onbedoeld steeds het grootste van de klas. Het stak met kop en schouders boven mijn leeftijdsgenoten uit. Rond mijn tiende werden mijn kleine ouders ongerust, misschien had ik een groeistoornis. Babyschoentjes waren al moeilijk te vinden geweest. Mijn lijf groeide te snel uit mijn kleren… vonden ze.
Onze kettingrokende huisarts vond dat ook niet gezond dus wilde hij mij aan het onderzoeksprogramma van het Dijkzigt-Ziekenhuis Rotterdam onderwerpen. Ik wist niet welke buitensporige groei mij nog te wachten stond, dus ik verzette mij niet. Een hele ochtend ging ik door de medische molen. Bloedonderzoek, stofwisseling, hormonenhuishouding, röntgenfoto’s van botgroei, hand en schedelmetingen, inclusief de stupide hamertik op de knie…ja hoor, hij deed het!
Het hoogtepunt kwam volkomen onverwacht toen een leuke jonge verpleegster met een ring van ovale balletjes kwam aanlopen, van groot naar klein.
Of ik voor de voortgang van het onderzoek mijn onderbroek wilde laten zakken zodat zij handmatig de juiste afmeting van mijn testikels kon navoelen. Eerst die ene….zorgvuldig bevoelen, op eventuele afwijkingen, dan de overeenkomstige balmaat erbij opzoeken aan de rammelende ring. Daarna die andere…Het kriebelde inmiddels achter mijn oogbollen, daar waar je nooit kunt krabben. Niet eerder werd ik aangenaam onthutst door zo’n belangstellende zuster. Niemand had ooit enige warme belangstelling getoond voor het verborgen leven van mijn balzak, laat staan voor de inhoud. Het waren er twee, als ik mij niet vergiste… maar ik kon ze nu al niet meer uit elkaar houden. De handmatige meting leek een eeuwigheid te duren die achteraf toch veel te kort leek. Aangenaam onthutst bleef ik achter, volkomen de tel kwijt. Die onthutsing is sindsdien nooit meer echt weggegaan. In mijn kinderlijke fantasie deed ze de hele dag niets anders… De uitslag stelde mij zeer teleur. Er was niets aan de hand. Verder onderzoek was niet nodig. Ik zou haar nooit meer zien.

Goal

Het had weinig gescheeld of je was er niet geweest,
je was bijna iets anders, een plant, een steen of beest, iets dierbaars geworden,
iets anders met geest. Nu was je een zondagskind op Vaderdag geboren.
Een geluk bij een ongelukje, een toevalstreffer, doelpunt in eigen goal in de verlenging.
Je vader was geen goaltjesdief, eerder een ausputzer, niet te passeren in fair-play.
Moeder stond op doel het net te mazen en de palen op te poetsen, sop en groene zeep.
Wist zij veel dat de wedstrijd al begonnen was. Ze dacht meer aan ruimschoots voorbij.
En toen kwam jij plots, als vreemde speler ingevlogen uit het buitenland, een balverliefde pingelaar. Je bleek het levende bewijs dat theorie nooit klopt. Jij werd de plaatsbepaling van ‘hier’ waar je ook was op het groene gras. Je speelde blootsvoets als een indiaan, gewoonten uit een vorige leven. Geboren worden, een mysterieuze tak van sport, speling der natuur.

Ontcijferd

{CAPTION}

Vroeger kreeg je vaker dan eens een mager zesje op je rapport
omdat je niet geboeid kon worden door bijvoorbeeld cijfers of jaartallen.
Je was geen berekenend type, in je buik wist je immers blindelings het juiste
antwoord al: Nul. De nul ontcijferde alles van nature.
Het ampere zesje neigde meer naar een vijf. Een onvoldoende voor niet geboeid zijn. Zo’n getal hield niet over, je bevond je hiermee op het scherpst van de snede. Je zou zakken ,naar beneden…of je moest je best gaan doen om beter geboeid te raken.
Je deed voor de vorm je best, maar geboeid raakte je nooit. De slag bij Nieuwpoort mocht van jou bij welk jaartal dan ook plaats hebben gevonden, desnoods rond zestienhonderd.
Nooit kreeg je een dikke nul, terwijl je die toch wel verdiende…vond je zelf.
Volkomen irrationeel, maar je hield altijd al van harte van het meest onbenullige getal.
Zo prachtig rond, blakend gezond als een stralend zonnetje of een volle maan.
Je werd instant vrolijk van nul, zoals je ook kon lachen om niks. Nul kreeg je gratis…
nul was onvoorwaardelijk. Het midden van het universum waar alles in samenvloeide.

Onderhond

Je had louter goede herinneringen aan je twee opa’s omdat je ze nooit kende.
Je smeedde ze aan elkaar tot één fantoomopa. Zoals je van twee autowrakken soms nog één rijdend voertuig kunt maken. Er deden alleen maar nare verhalen de ronde over hen, zo talrijk en naar dat ze nooit waar konden zijn, statistisch onwaarschijnlijk. Alles achter hun dode rug om. Nooit konden zij zich verdedigen tegen de aantijgingen.
Je nam het nu eenmaal altijd voor de onderhonden op, de hond die door de hele roedel gebeten werd. Met het voordeel van de twijfel bood je de fantoomopa een vluchtweg tot je begon te twijfelen aan de twijfel. Goede valse herinneringen boden geen troost voor echt gemis. Helemaal geen herinnering is echter dan honderd valse herinneringen.

Pols

Het tweede of derdehands horloge om je jongenspols liet een bleke afdruk achter na een zonovergoten dag op het niemandslandje. De afdruk vormde een negatief brandmerk op je huid. Je zag de tijd in de dagen daarna met eigen ogen vervagen. De bleke huid kleurde even bruin als de rest. Na deze indruk van het tijdelijke verdroeg je pols geen horloges meer. Waarom zou je nu nog genoegen nemen met tweedehands tijd? Je wilde alleen vrije tijd, dat verschafte leefruimte. Als blootvoetindiaan had je sowieso geen boodschap aan de afgemeten wereld van bleekgezicht. Dat maakte je wel duidelijk met de rooksignalen van de vuurtjes die je stookte op het wilde land. Tijd was slechts een schaduw op de eeuwigheid, een wolkvlek op het zonovergoten landschap. De open vlakte was jouw thuis. Bleekgezichten leefden in de schaduw van het door hun zo aanbeden beton. Vergeefs zocht je naar een Opperhoofd, tot je genoegen nam met de zon.

Veertien

Onze zoon van acht is inmiddels veertien. Hij is nogal tegendraads. Geen idee van wie hij dat heeft. Wij schuiven het op de tijdgeest. Hij schijnt er immuun voor te zijn.
Voor zijn verjaardag wilden we hem iets bijzonders geven. Iets blijvends waarmee hij er bij zou horen. Een huidversiering of een fraaie doorboring. Maar hij weigerde, ondanks alle goede argumenten….het is voor je eigen bestwil…goed voor je integratie…je maatschappelijke loopbaan…..ieder kind wil er toch bij horen…?
Zo hebben we hem ook vergeefs geprobeerd te laten wennen aan muzak. Gewoon omdat je er nergens meer aan ontkomt en je het jezelf zo moeilijk maakt als je er niet van houdt en wij er uitslag en hartkloppingen van krijgen. Maar hij molde elke cd, hij delete elke playlist die we samenstelden. We waarschuwden hem dat hij alle gevolgen van zijn obstinate houding zelf moest dragen. Waarop hij oprecht verwonderd reageerde: ‘Ik ben niet obstinaat’. Typisch een bevestiging van een onaangepaste. Ze hebben het zelf niet meer in de gaten. De gescheurde spijkerbroek weigert hij eveneens, die gooit hij gewoon weg. Het allerergste is dat hij geen mobiel wil. Hij wil niet traceerbaar zijn, niet op een scherm leven. Wij weten als ouders dus niet waar hij uithangt. Vooral de laatste jaren lijkt hij ons steeds meer te mijden. Overigens wel op een keurig welbespraakte, voorkomende manier. Hij gaat zijn eigen onnavolgbare weg.
Het enige dat we weten is dat hij leest, oude boeken uit antiquariaten die hij netjes kaft. Nieuwe boeken die we hem aanraden blijven maagdelijk ongelezen in zijn jongenskamer. Hij komt er niet aan toe, verklaart hij terloops. We snappen niks van die jongen.

Patisserie

Je had ooit een vogel van steen. Ze was handtam en sliep in je broekzak. Als je haar over de etalageruit van de patisserie liet knersen floot ze een glashelder liedje. Als ze wilde vliegen gooide je haar door de kamer dan landde ze zacht op je bed. Niemand mocht weten dat je een vogel had van steen. Ze sliep onder je hoofdkussen als een koud kaal eitje. Daar smoeste je geheimen in haar verborgen oor. Op een dag liet je haar vrij vliegen over het grindpad. Ze had zo’n goede schutkleur dat je haar niet meer terug kon vinden. Net toen je haar naam wilde fluiten was de buurkat op het pad verschenen. Wijselijk hield je je mond, net als de vogel zweeg je als steen. Daarna zou je altijd etalageruiten met vogelzang in verband brengen. Je wist best wat er zoal te koop was, maar je wilde nooit iets. Je wilde nooit iets anders dan vogel zijn. Een licht zinnig wezen.

Nou ja zeg

Tante Gans uit Hamstolveen had het hoger in haar bol dan haar zusters die meer langs lager wal flaneerden. Ze hield theekransjes met de lokale notabelen, doktoren, advocaten, 1 notaris en kunstenaressen van wie ze Ceramique collectioneerde. Ik wist nog niet wat zeeramiek was. Dat bleek gebakken klei te zijn al dan niet bedekt met glazuur. Het hing aan de muur als plakkaat of in de vensterbank zonder plant erin. Volgens mijn vader sprak tante met een hete aardappel in haar keel. Die eigenheimers haalde ze op in een vioolkist…? Maar dat zou ik later pas snappen, voorspelde hij mij.
Wij behoorden tot de arme tak van de familie. Onze tak zocht het lager op, op de grond. Dan wist je tenminste waar je stond. Vandaar dat Tante Gans nooit tijd voor ons had. Een afspraak was altijd moeizaam en van korte duur. Ik vond tante wel een exotisch exemplaar binnen het familie park in elk geval anders dan de rest. Ze leek een beetje voornaam met die parels aan haar gebruinde oorlelletjes.
Slechts éénmaal mochten wij bij ze eten. Als jongen in de groei weet ik nog hoe ik rammelde en hoe dat diner op stand mij tegenviel.
Zo at die rijke tak dus: erwtjes met aardappel, een eetlepeltje boterjus, bekroond met een hardgekookt ei. Als extra bonus kwam er ook nog een dessert, zo was ons tevoren al beloofd…om ons alvast lekker te maken.
Door het ultramoderne doorgeefluik tussen keuken en kamer werd het dienblad met duralex schaaltjes geserveerd. Ik wist niet wat ik zag. Er lagen kale blaadjes botersla in.
Ook bij mijn arme ouders meende ik een onderdrukte verbijstering te zien. We moesten nog even wachten tot iedereen paraat was om aan te vallen. De slablaadjes bleken met suiker bestrooid. Na drie hapjes was het schaaltje leeg. ‘Heel apart!’ ,zei mijn vader.
Mijn moeder keek besmuikt zoals gewoonlijk maar bij deze speciale gelegenheid heel netjes, als een opgelaten barones. We werden netjes de deur uitgewerkt. Later hoorde ik dat tante Gans op vakantie in Duitsland onwel was geworden en in het krankenhaus was opgenomen. Tegen haar dochter beklaagde ze zich erover dat die lui daar allemaal Duits spraken, nou ja zeg.