Paaseiland

{CAPTION}

Je wordt als ‘vrije westerling’ of je wilt of niet zeer modebewust opgevoed. Dat kan ook bijna niet anders in een samenleving die door de waan van de dag wordt geregeerd…of je moet op Paaseiland ter wereld komen, waar het trendhoppen een absoluut dieptepunt heeft bereikt. Niet dat ik de mode ooit heb gevolgd, maar toch heeft zij mij altijd precies duidelijk getoond welke kleding ik nooit wil dragen. Hier ben de Haute Couture zeer dankbaar voor, want ook voor ‘prêt-à-porter’ ben ik niet in de wieg gelegd. Zo is mode indirect dan toch een solide richtlijn geweest in mijn anders zo naakte bestaan. Het Leger de Heils bleek voor mij de perfecte leverancier voor onmodieuze uitdossingen. Ik had het daar voor het uitkiezen, als jongetje al. Ik zag er uit als een te oud mannetje geboren in een te jong en te groot lichaam. Gelukkig was ik de enige die dat niet zag, zodat schaamte mij vreemd kon blijven. Ik was een wandelend anachronisme in een verder modieuze wereld. Sommigen vonden mij wereldvreemd, zo kwam mij later ter ore. Ik zag dat iets anders, namelijk dat die modieuze wereld van dagwanen mij totaal vreemd was. Het was voor mij een kwestie van niet af kunnen stemmen op een volslagen valse toonsoort. Tot dusver wist ik uit handen te blijven van de modepolitie.   Ze zouden mij onmiddellijk arresteren en mij onderwerpen aan een totale ‘Make-over’.  Ik overweeg nog altijd asiel aan te vragen op Paaseiland.

Garmich Partenkirchen


Elke nieuwjaarsdag kreeg je als kind dezelfde GarmischPartenkirchen-nachtmerrie voorgeschoteld. Ieder jaar weer mocht jij als eerste deelnemer in de skilift naar boven. Door gelukkige loting was je uitverkoren om van de schans af te gaan. Hoe je ook probeerde duidelijk te maken dat je nog nooit op ski’s had gestaan…ze bleven je maar bemoedigend toeknikken en zeggen dat het allemaal goed zou komen. Elke omstander was bereid je een laatste zetje te geven. De hoofdprijs was, als je het zou overleven…de nostalgische medley van Strausswalz-Weltmeister Willy Boskovski in een Weens suikerpaleis. Wie verlangde daar nou niet naar? De doodsangst voor de schans ging je vervelen. Via de achterdeur wist je te ontsnappen aan de schans en de Weense paleismuzak. Ook het nagerecht…het verplichte nummer, middagvullende Staatcircus wist je met voorbedachte rade te ontlopen. Je zag dagelijks al genoeg zinloze capriolen en wanhopige clowns die zich steeds weer pijnlijk bezeerden aan dezelfde steen. Niet meer doen stoute steen…
In de winterschemering werd je betrapt in je zondagse kleren van het Leger des Heils op het braaklandje bij het stoken van een nat knetterend kerstbomenvuurtje. Je zou naar rook gestonken hebben, maar je ziel gloeide van betovering, alleen onder de sterren.

Kerstvraal

We gingen op kerstochtend naar onze tuin, ons aardse paradijs.
Om het water af te sluiten voor de immens strenge Hollandse winters.
De toegangspoort leek te zijn geforceerd. We wrongen ons door de kier.
Het electrische slot deed het niet meer.
Eenmaal binnengedrongen onderzochten we wat er loos was.
We keken naar braaksporen, sloten het hek dat nu meteen in het slot viel.
Het was mij onmiddellijk duidelijk dat we ingesloten waren.
Gegijzeld door een kapot slot. Gevangen in ons aards paradijs.
Van iets of niemand mochten wij kennelijk de wijde wereld niet meer in.
Een geheime opluchting nam mijn hart in bezit.
Welke misstap hadden wij begaan om dit geschenk te krijgen?
De verbanning was van korte duur. Twee uur later kwamen onze bevrijders al.
We moesten dankbaar zijn dat we de wereld weer in mochten.
Ik sloot het water af om zodoende een Elfstedentocht af te dwingen.

Kostgangers

Volgens mijn zeer ongelovige grootvader had ‘Onze Lieve Heer’  louter vreemde kostgangers. In de dagelijkse praktijk bleek het grondpersoneel volgens hem steeds weer een incompetente onderhoudsmonteur die op de werkvloer lapwerk leverde om Gods schepping aan de praat te houden. De natuurlijke gang van zaken wisten ze consequent te verstoren door mechanisch in te grijpen op het organische proces. Op de vraag wat voor kostganger hij zelf was heb ik hem nooit kunnen ondervragen.
Later hoorde ik dat hij God voornamelijk verweet dat hij niet bestond, wat ik heel aandoenlijk vond. Een grote tekortkoming van een niemand. Kostgeld heeft hij nooit betaald. Op zijn sterfbed schijnt hij gelukzalig te hebben gepreveld dat hij nu eindelijk echt alleen was, nu zelfs zijn eenzaamheid hem had verlaten.

R’dam

Als Rotterdammert was mijn vader niet heel erg sentimenteel.
In de gehavende Maasstad waren gevoelens een onnoodzakelijk kwaad,
het was zo al hard werken genoeg. Platgebombardeerd vertrok hij berooid
naar Amsterdam om een moeder voor mij te zoeken, waarmee hij een leven
kon opbouwen.

Alleen wanneer de waterlanders niet meer binnen te houden waren kon hij
zo droog mogelijk opmerken:
“Tranen van gevoel… biggelen over mijn smoel”

Als ik het mij goed herinner noemde hij een man die huilde:
“een gespierde lafaard”.

En iemand met sterke armen:
“Een gozer met pik in de mouw”.

Om niemand in het bijzonder aan te duiden:
“Je weet wel die ene, die meneer met dat velletje over z’n neus”

En was het brood oudbakken en taai,
“Klagen is doorzagen, dan geef je maar een knauw meer”

De beste typering van de oorlog was de verbastering van
het voetballied, ‘Geen woorden, maar daden’ in:
“Geen waarden, maar doden”

Als Coen Moulijn een corner nam dan heette dat:
“Een doodschop om een hoekie”

Noordpool

Als jonge man in wording associeerde ik homoseksualiteit met het Noordpoolgebied. Dit is een heel logisch verband als je de achtergrond kent. Als beginnend roker vond ik mijn toevlucht in de Alaska-sigaret. Van ‘echte’ sigaretten ging ik blaffen als een hond.
De rook met menthol gaf mij een idee van de frisse atmosfeer van de Noordpool. Op het pakje stond een stoere IJsbeer. Bovendien waren het filtersigaretten. Mijn vrienden rookten zware shag met een leeuw op het tabakszakje. Het begon ermee dat ik in hun ogen een watje was. Alleen vrouwen rookten menthol met filter. Het eindigde ermee dat ik zeker een homo moest zijn…stoere ijsbeer of niet. Ik voelde het niet als aanval, waarom zou je je dan verdedigen? Zo werd ik ook wel eens voor hond of varken uitgemaakt. In mijn beleving waren dit fijne dieren waar ik best bij wilde horen. Roken is inmiddels een obsolete bezigheid. Ik zou er alleen nog eens een opsteken als er een varkentje op het pakje zou staan, onweerstaanbaar. Hetzelfde sentiment heeft zich nu gericht op alcoholvrij bier en het niet hebben van tattoo’s. Een echte man drinkt echt bier. Samen dronken worden schept een band die wordt bezegeld door een tatoewaasje met een spelfout.

Oom

Mijn oom woonde in Lombardije, geen Italië maar Rotjeknor-Zuid, hij werkte als stukadoor… met een prachtig gebit. Zijn tanden waren hagelwit. Witter dan de kalk die hij op de plafonds en muren smeerde. Vaak had oom rode oogleden vanwege de kalk die in zijn oog droop tijdens het werk. Oom had nog voor de Duitsers gewerkt om hun bunkers te stuccen. ‘Je wilde toch dat de vijand er binnen een beetje netjes bij zat’. Mijn oom deed wel meer vreemde dingen. Zo nam hij eens tijdens het wachten op de tram plotseling een aktetas mee en liep ermee de straat uit. Een medereiziger had zijn tas daar even tegen de abri had neergezet. Oom wilde er met de tas van door gaan, toen de man hem schreeuwend achterna holde. ‘Ik dacht dat die tas van niemand was’ , verklaarde oom onschuldig, ‘hij stond er zo alleen en verlaten’.
Vreemd genoeg vertelde de mond van oom meer van dit soort gênante voorvallen met een bepaalde trots. De mond vol spierwitte tanden…ze bleven zo mooi. Enige tijd later werd mij onthuld hoe dat kon.
Oom at uit gewoonte vaak pap als wij op koffievisite kwamen, grijze kinderpap. Daar hoefde oom niet op te kauwen. ‘Pap is het behoud van je gebit!’, zo lichtte hij toe.
Op een keer raakte ik, als hongerig nieuwsgierig jongetje, bij oom in de keuken verzeild net toen hij zijn papbord mee naar de huiskamer wilde nemen waar mijn ouders op de bank zaten te wachten op koffie. Ik zag net hoe oom zijn puntgave gebit uit zijn mond nam en op de broodplank te rusten legde. De witte tanden lachten mij werkeloos toe vanaf de broodplank. Mijn oom zag mijn ijselijke schrik en hield wijselijk zijn mond, nam het bord mee naar de kamer waar wij toekeken hoe hij de pap weglepelde. Ik had geen honger meer en kon alleen maar aan die tanden denken, die lagen daar maar, zo verlaten. Toen oom was uitgegeten vertrok hij weer naar de keuken voor de herplaatsing. Onderweg naar huis giechelden mijn ouders besmuikt in de Volkswagen Kever over die eeuwig nieuwe tanden en de overbeet die oom nu had waardoor hij zo’n raar lachje kreeg… een beetje vals. Daarna zag ik oom nog een paar keer. Mijn ouders raakten gebrouilleerd, een net woord voor slaande ruzie. Familiebanden bekoelden zodat dit beeld van oom ingevroren raakte in de vrieskist van de herinnering. Als ik ergens een verlaten tas zie staan denk ik aan dat witte gebit, aan bunkers en grijze pap. Niet meenemen denk ik dan, lekker laten staan.

Blus


Er woedde een innerlijk vuur in het kind dat zijn hele belevingswereld bezielde. Zo’n binnenbrandje kon de buitenwereld niet aan, dat werd hem van jongsaf aan wel duidelijk gemaakt. In het officiële publieke domein was alleen dimmen en schemeren toegestaan. Als schemerlamp kon je veel aanzien verwerven. Het kind werd afgericht zich lief en gehoorzaam te gedragen tot het een doorsnee gediplomeerde schemerlamp was. Het innerlijke vuur moest onderduiken…. al werd het in het geheim gekoesterd als een schat.
Als de ouders op mooie zomerdagen weg waren paste hij wel op het huis. Dan stookte het kind rituele vuren in de koperen fruitschaal op de salontafel. De vuren reikten soms tot aan de plafonnière. Spelenderwijs beheerste hij het fysieke vuur. De familiefoto’s en het krantennieuws gaven nu opeens echt licht. Grijze foto-rook steeg naar het plafond. Wat zouden de indianen uit deze rooksignalen opmaken? Het rook vreemd in de woonkamer, merkten zijn ouders op bij thuiskomst. Het kind had de ramen wijd opengezet om te luchten. Het verklaarde zo uitgeblust mogelijk dat de buren waarschijnlijk een barbecue hadden gehouden. Nadat de lucht was geklaard nam een serene rust bezit van het kind. Een sereniteit die de gevaarlijke gekte van het innerlijk vuur kon kanaliseren. Dit speelde zich af ver voor het tijdperk van de rookmelder.

Initiatierite

Mijn vader kon in een handomdraai van niets iets maken. Zo maakte hij naar behoefte van elke Rondo een Gevulde koek of een Kano. Waar je maar trek in had. Handmatig drukte hij de Rondo met de handpalm plat of met beide kolenschoppen tot Kano.
Hij had overduidelijk plezier in zijn scheppend vermogen. In mijn beleving kon mijn vader alles…naaien, naaimachines repareren, schoenmaken, timmeren, metaalbewerken, houten beeldjes snijden, miniatuurvogeltjes snijden, fietsen maken, brommers, auto’s, meubels, glassnijden…wat niet?
Scheppen is mij voorgeleefd…maar dat niet alleen. Ik zal één moment nooit vergeten: We stonden samen achter het woonkamerraam tante Koba uit te zwaaien. Op de vensterbank stond het kado van tante Ko, dat we net hadden gekregen. Het was een metalen bloempotje in de vorm van een emmertje.
Een verlepte cyclaam was er haastig ingepropt en vrijwel uitgebloeid. Het metaal was met slordig uitgeknipte poëziealbumplaatjes beplakt. Het hengsel van het emmertje was losgeraakt en met roze kauwgum weer aan elkaar gekleefd.
Ik maakte een opmerking over het spuuglelijke kado van tante Ko.
Pa pakte het emmertje in zijn hand, woog het… keek mij schelmachtig aan en vroeg:
‘Dus jij vindt dit geen mooi potje?. ‘Wat ben je toch ‘n ondankbare hond..Tante Ko heeft dit eigenhandig, met haar gelakte nagels ergens uit een vuilnisvat gevist en netjes aan elkaar geplakt, en dan is het nog niet goed genoeg voor meneer de Baron!’
Ondertussen zwaaiden we naar tante Ko die haar kanariegele-DAF probeerde te starten.
Tergend langzaam kneep de hand van mijn vader het emmertje tot een propje metaal.
Het gele ding startte niet, dus we bleven steeds vrolijker zwaaien.
We kregen samen de slappe lach…vooral toen ik aan het hengseltje begon te trekken waardoor de roze kauwgum tot een witte snaar werd uitgerekt, buikpijn van het lachen. Dit was slopen op het hoogste nivo, volkomen bewust en met absolute beheersing.
Het was een initiatieritueel in de wondere kunst van het slopen…vele dingen zouden volgen.
Dat slopen zoveel plezier en energie kon opleveren was niets minder dan een openbaring. De onderliggende ergernis aan tante en afkeer van goedkope lelijkheid werd ter plekke getransformeerd tot pure levensvreugde. Een leugen als leugen doorzien is het ware, het goede en het schone. De wereld een beetje minder lelijk maken is een esthetische plicht die maar weinig mensen beseffen. Tegenover elk scheppend vermogen staat een even vruchtbaar sloopvermogen. Subliem slopen is bewuste ruimte scheppen.

Huts

Mijn jongenslichaam was onbedoeld steeds het grootste van de klas. Het stak met kop en schouders boven mijn leeftijdsgenoten uit. Rond mijn tiende werden mijn kleine ouders ongerust, misschien had ik een groeistoornis. Babyschoentjes waren al moeilijk te vinden geweest. Mijn lijf groeide te snel uit mijn kleren… vonden ze.
Onze kettingrokende huisarts vond dat ook niet gezond dus wilde hij mij aan het onderzoeksprogramma van het Dijkzigt-Ziekenhuis Rotterdam onderwerpen. Ik wist niet welke buitensporige groei mij nog te wachten stond, dus ik verzette mij niet. Een hele ochtend ging ik door de medische molen. Bloedonderzoek, stofwisseling, hormonenhuishouding, röntgenfoto’s van botgroei, hand en schedelmetingen, inclusief de stupide hamertik op de knie…ja hoor, hij deed het!
Het hoogtepunt kwam volkomen onverwacht toen een leuke jonge verpleegster met een ring van ovale balletjes kwam aanlopen, van groot naar klein.
Of ik voor de voortgang van het onderzoek mijn onderbroek wilde laten zakken zodat zij handmatig de juiste afmeting van mijn testikels kon navoelen. Eerst die ene….zorgvuldig bevoelen, op eventuele afwijkingen, dan de overeenkomstige balmaat erbij opzoeken aan de rammelende ring. Daarna die andere…Het kriebelde inmiddels achter mijn oogbollen, daar waar je nooit kunt krabben. Niet eerder werd ik aangenaam onthutst door zo’n belangstellende zuster. Niemand had ooit enige warme belangstelling getoond voor het verborgen leven van mijn balzak, laat staan voor de inhoud. Het waren er twee, als ik mij niet vergiste… maar ik kon ze nu al niet meer uit elkaar houden. De handmatige meting leek een eeuwigheid te duren die achteraf toch veel te kort leek. Aangenaam onthutst bleef ik achter, volkomen de tel kwijt. Die onthutsing is sindsdien nooit meer echt weggegaan. In mijn kinderlijke fantasie deed ze de hele dag niets anders… De uitslag stelde mij zeer teleur. Er was niets aan de hand. Verder onderzoek was niet nodig. Ik zou haar nooit meer zien.