Wegwijzer

Onderweg kwamen we het bord ‘ALLE RICHTINGEN’ tegen,
een helderblauw verkeersbord. Het stond er nogal dwingend,
maar we wisten het meteen, daar willen we naartoe.
‘Alle Richtingen’ Wie wil daar nou niet heen?
Het werd een onafgebroken en onnavolgbaar avontuur dat door gaat
tot op vandaag de dag. Waar heeft het ons niet gebracht?
Maar goed, dat klinkt wat gewichtig. Het is feitelijk juist vederlicht.
Want de hele wereld gaat natuurlijk al eonen door tot op vandaag de dag….
moeiteloos, zonder routekaart of reisplan.
Mensen vragen ons wel eens: “Waar zijn jullie nu weer geweest?”
Wat kunnen we anders zeggen dan: “In Alle richtingen,
we kunnen het iedereen van harte aanbevelen.
Het is de mooiste route naar Hier!”
Waar je ooit naartoe wilt?
‘Alle Richtingen’ leidt je er heen.

Dog God

We hebben onze hond God genoemd. Ze waakt over ons.
‘God kom hier, geef een pootje God, blijf God, lig dood God, trek niet zo anders laten we je los!’
Ze blafte niet en luisterde altijd heel aandachtig naar onze commando’s…niet één daarvan heeft ze ooit ten uitvoer gebracht. Uiteindelijk lieten we haar los. Als pup maakte ze al de dienst uit. Dan keek ze ons alleen maar stil aan met die hemelse oogopslag waarmee ze alle aandacht naar zich toe zoog, waardoor je niet meer wist wie, wat of waar je was…
Vervolgens wees ze met haar uitgelaten snuit de gewenste weg en wij, haar trouwe volgelingen liepen gewillig achter haar aan. ‘Waarheen voert de weg
die wij moeten gaan?’, zongen wij in stille bewondering. Gaandeweg gingen we onafhankelijk van elkaar onze angsten en verlangens in haar flossige oortjes fluisteren. Daar kwamen we pas achter toen onze wensen zich begonnen te realiseren.
Tot op een dag God plots zoek was. De tuindeur en het hek hadden open gestaan. Wij riepen de hele buurt bij elkaar. Informeerden bij alle buren:
‘Hebben jullie God ergens gezien, onze hond?’
Ze keken ons bevreemdend aan. ‘We hebben jullie eerlijk gezegd nog nooit met een hond gezien!’, zeiden ze enigszins in verlegenheid.
Waren wij dan de enigen die God zagen?, begonnen we ons af te vragen.
Wat was het signalement dan van de hond? We raakten niet uitgepraat over haar maar waren niet in staat om een kloppende beschrijving te geven.
Behulpzaam en goedgelovig als ze waren hielp de hele buurt ons op zoek naar God, hardop roepend.
Later, terwijl we in de tuin wat voorbarig aan het treuren waren over het mogelijke verlies stond ze opeens achter ons in de deuropening van de kamer.
God zag er uitgeslapen uit. Boven in ons onopgemaakte dekbed vonden we een warme, nagloeiende holte waar God zich in had gegraven. God wat waren we blij dat hond nog bestond. We dankten haar op onze blote knieën. We wezen de buren op onze hervonden hond. Uit beleefdheid en medeleven deden ze alsof ze haar echt zagen lopen. Ze lachten mee om alle dingen die wij over haar vertelden. Wij zagen oprechte ontroering in hun ogen.
Goede buren. Indien nodig wilden ze wel op God passen, geen punt.
We zijn altijd weg geweest van God, wat een hond.

Het Schaamdier


Is de mens een misverstand van het denken of is denken het misverstand
een mens te zijn? Misverstanden planten zich voort.
Denken maakte zichzelf ooit wijs een bovensoort te zijn, het begrip mens als buitencategorie…
Het begrip mens begrijpt nergens iets van, begrippen kunnen immers niets begrijpen.
Het begrip denkt zich hoog verheven boven alle medewezens die zijn biotoop vormen.
Wezens die zijn eigen ecologische voorwaarden waarborgen om te kunnen voortbestaan.
De bijwerking van ‘het concept mens’ veronderstelt een menselijkheid die op aarde nog nooit gerealiseerd is, niet voor zijn eigen soort, laat staan voor zijn medediersoorten.
De bijsluiter van het medicijn ‘mens’ bestaat een eindeloze opsomming van verschrikkingen die geschiedenis heet. Voor wie schrijft de mens eigenlijk geschiedenis, voor zichzelf?
Om later na te lezen dat hij er niets van leert?
De term mens moet snel worden afgeschaft nu de voorwaarden voor het leven worden vernietigd.
Schaf ons af en schaar ons als schaamdieren onder supervisie van het onzichtbare plankton dat zich al eonen lang inzet voor het genereren van zuurstof. Plant elke dag een boom en hou je verder gedeisd als een wortel.

Home


Op reis door China is na een onduidelijk ongeval je geheugen gewist. Niet dat je iets mist, je weet niet eens wat.
Je ligt hier gedesoriënteerd in een ziekenhuisbed omringd door vriendelijk bezorgde Chinezen. Ze spreken Engels tegen je. Je voelt je geborgen in hun warme aandacht. Je mond spreekt nog Engels, al weet je niet of dit je moedertaal is, de woorden smaken je niet.
Je ogen herkennen het gezicht niet waar ze door oogspleetjes naar buiten kijken. Het ziet er uit als een masker… ‘savonds weerspiegel je in het vensterglas. Je lijkt het negatief van een foto, onafgedrukt en overbelicht. Die daar ogen lijken anonieme camera’s…koel registrerend.
Het geestesoog neemt een innerlijk leven waar, als een zon zonder landschap. Je binnenwereld is nog zonder indrukken, zonder ondertiteling… louter lijfelijke sensaties van vloeiende warmte die zich buitenhuids koelt aan de frisse ochtendlucht. Je adem voelt weldadig.
Je huid voelt zonlicht en klamme schaduw daar waar de zon niet kan raken. Je oren luisteren niet naar de naam van een vermiste man. Het voelt als een oningepakte verrassing deze beleving van het eerste en het eenmalige. Geuren ruiken naar verwachtingsvolle opwinding… niet wetend wat je meemaakt. Niet het land wordt hier bereisd maar de reiziger zelf wordt nu stap voor stap door de nieuwe omgeving betreden, gekoloniseerd door verse indrukken. De reiziger blijkt een niemandsland zonder inwoner. Het onbekende land zal zijn intrek nemen.
Je afkomst blijkt niet traceerbaar.
Het ongeval dat aan jou vooraf ging blijkt een brand te zijn geweest waar je documenten in de vlammen zijn verdwenen. Je longen hadden zuurstoftekort, vertelt de zuster
aan je bed. Ze leert jou geduldig de eerste Chinese karakters. Met haar vinger schrijft ze het teken voor ‘home’ in je handpalm. Je voelt je eigenlijk heel… ongedefinieerd.
Je krijgt als ongedocumenteerde Chinese papieren, dezelfde status als een vondeling. Je bent nu een volwassen wees…ter adoptie aangeboden door de Staat die jou Cheng heeft genoemd…als een vader. De mensen in het dorp nemen jou op in hun gemeenschap. Chinezen onder elkaar.

Romanleven

Niet iedereen schrijft, iedereen is echter wel een wandelende roman.
Niet ingenaaid, niet gebonden maar als losbladig feuilleton.
Elke dag valt als een blaadje tamelijk wondervol van de levensboom.
Gewone levens bestaan er namelijk niet, levend zijn bestaat uit louter buitengewoonheden. Romanfiguren uiten zich als spraakwater, in virtuwelige denkwolkjes.
Achter de ontgoochelde façade van het vermeend normale schuilen onvoorstelbare rare en toverachtige verhalen vol innerlijke weerberichten en dilemma’s.
Raak eens aan de praat met zo‘n willekeurige passant en merk dat deze niet zomaar een figurant is, maar het meest betekeniswevende personage in zijn eigen onuitgegeven roman…speelt zijn rol vol overtuiging, gelooft heilig zo  in het verhaal dat het taalmasker vastplakt aan zijn gezicht. Het ongeschreven leven is met geen pen te beschrijven. Dat verzin je niet.

Reisefieber

We konden nergens een reisverzekering afsluiten voor het gebied waar we naar toe wilden.
We waren het er ook nog niet over eens of we nu daar persé heen wilden of vooral weg van hier. Welbeschouwd hebben we het hier nog lang niet allemaal gezien, zei mijn reispartner.
Raken we eigenlijk wel ooit uitgekeken op wat hier allemaal is als alles permanent verandert, vroeg ze zich hardop af. Omdat we al het hoognodige gepakt hadden besloten we te vertrekken naar het gebied, dan maar zonder verzekering.
Die annuleringsverzekering sloot je immers af voor het geval dat je niet ging. Gaan was in dit geval dus een probaat middel. We draaiden onze voordeur voor langere tijd op het nachtslot. Hoe lang onze reis zou duren wisten we niet. Hier thuis zat niemand op ons te wachten. De paar kamerplanten hadden we in de tuin gezet, dan waren die er ook een keertje uit. Terwijl we de straat uit liepen opperde mijn reisgenoot :
Zeg, zou dat gebied eigenlijk nog wel bestaan?
Ach ja, zei ik , laten we daar voorlopig voor het gemak maar van uit gaan.
We kennen het alleen van horen zeggen en van oude vergeelde foto’s …. en misschien is het daar inmiddels zo veranderd dat we het niet eens meer terugherkennen?
Stel je voor dat het op hier lijkt, zei ik …dan zou deze hele reis voor niets zijn ondernomen….
Reislustig stapten we door richting het dichtstbijzijnde grensgebied.
Heb je ons paspoort bij je?
Altijd,zei ik, maar we worden nooit gecontroleerd omdat het open grenzen zijn, er is geen douane meer.
Maar zonder stempel in ons paspoort hebben we geen enkel bewijs dat we er ooit geweest zijn!
Waar geweest?
In het gebied natuurlijk!
Maar het gebied is alles behalve natuurlijk!
Weet ik, dat maakt dat gebied juist zo bijzonder, het is helemaal aangelegd…er is niets aan het toeval overgelaten.
Zijn we de grens al gepasseerd? , vroeg mijn metgezel na een tijd.
We baanden ons een pad door een dichtgegroeid gebied.
Weet je, misschien is de grens een rivier…dat zou fantastisch zijn…we zouden een vlot kunnen bouwen en verder reizen over de grens die stroomt.

Plantenbedjes

Dit verhaal speelt in de tijd dat planten nog in bedjes sliepen en bergen zich ‘snachts in duistere kuilen verborgen. Tegen de avond werd elke plant zorgvuldig ontworteld en onder de witte lakens ingestopt, aldus lichtte onze hovenier ons in. Wisten wij veel? Zo kon hun immer tastende wortelstelsel eindelijk eens uitrusten van al dat gewroet in de aarde. Onze hovenier Beowulf kon goed zingen of eigenlijk was het andersom, we hadden hem in eerste instantie als zanger aangenomen omdat wij ons destijds geen radio konden veroorloven, die moest jammer genoeg nog worden uitgevonden.
Bij zijn auditie bleek echter dat hij groene vingers had. Wulf zag al zingend meteen dat onze kamerplanten er buiten gewoon verlept bij stonden. Bulf wist dat te wijten aan een chronisch slaaptekort. Bulfo wist overigens veel te wijten aan allerlei oorzaken die tot bepaalde gevolgen aanleiding gaven, maar daarover later als ik groot ben.
Mijn oude voorouders waren bizonder onder de indruk van Wulfo en raakten onder zijn invloed en aan de drank, liters bronwater dronken ze. Ze lieten, overtuigd door zijn sonore stem, bedjes komen, voor iedere plant één en voor tweelingplanten een wat breder ledikant.
Zo bracht onze huiskamerhovenier-zanger Wulfodebulfo elke nacht alle verlepte planten naar bed om uit te rusten en zong ze in een weldadige slaap. Wat kon die man in slaap zingen, we werden er zelf bijna niet meer wakker van. Na een week hebben we Beo de W. helaas moeten ontslaan. Alle planten waren helemaal uitgeslapen, uitgedroogd en enigszins dood ondanks die zorgzame groene vingers. Het is nu erg stil in huis en kaal zonder kamerplanten. Als afscheid hebben we van de plantresten een frisse salade gemaakt. Mijn vader bracht een dronk uit op de goede afloop: ‘Misschien hadden we toch beter een zangvogel of een tweedehands radio op de kop kunnen tikken, voortaan zullen we bergen planten’ ,sprak hij gedragen tijdens zijn herdenkingsrede. Beo de W. reageerde niet goed op zijn plotselinge ontslag. Hij weigerde op hoge toon te vertrekken. Nu slaapt hij tussen mijn oude voorouders in, als een plant.
In zijn slaap droomt hij dat hij wakker is en vertelt dan dit soort verhalen
in de donkere holte van de nacht, die een bergplaats is voor bergen.

De Praagse Kanarie

Vaclav Zandarek was die legendarische zanger uit begin vorige eeuw. Een Praags natuurtalent zonder weerga, met een onwaarschijnlijk groot bereik. Er zijn zelfs coloratuuropnames van deze ‘Praagse Kanarie’. Zo makkelijk als Zandarek zong is vastgelegd op enkele zeldzame wasrollen en schellak-grammophoon platen. Het is een jammerlijk wonder dat er niet veel meer opnames gemaakt zijn. Zandarek ging destijds op tournee door geheel Europa. Hij zong in alle talen…zo werd hij tijdens zijn triomftocht in programma-boekjes aangeprezen.
In werkelijkheid sprak hij alleen maar Tsjechisch en zong hij fonetisch en begreep dus totaal niet wat hij zong. Des te opmerkelijker dat zijn tekstbehandeling geroemd werd en het publiek tot tranen toe kon ontroeren. Dit moet dus puur aan zijn stem hebben gelegen. Nu is het zeer moeilijk om fonetische teksten te onthouden. Geleidelijk aan begon Vaclav steeds vaker zelf lukrake fonetische klanken te fantaseren waarbij het sonore timbre van zijn gouden strot optimaal tot zijn recht kwam. Het publiek raakte alleen maar nog meer ontroerd.
Deze geschiedenis toont aan dat tekst blijkbaar totaal ondergeschikt is aan de klank, het is de klank die bezielt en niet de betekenis.
De platenmaatschappijen wilden met hem echter geen opnames meer maken met onzinteksten. Dit valt allemaal na te lezen in zijn biografie ‘The Phonetic Years’ ; voor wie het Tsjechisch niet beheerst is er nu de Engelse vertaling.

Tastzin

Mensen klagen wel eens over fantoompijn.
Een verdwenen ledemaat dat jaren later nog van zich laat voelen, alsof het er nog altijd is…als levend gemis. Sommigen gebruiken het begrip ook voor een overleden huisdier of medemens.
Ook voor het ballingschap waarbij men zich geamputeerd voelt van zijn vaderland, afgesneden van zijn moedertaal hoorde ik al mensen klagen over fantoompijn. Het begrip verruimt zich.
Het wonder van haptonomie is het zich voelend verbinden en het zich uitbreiden in een ander lichaam of in een ‘dood’ object. Denk aan de kapitein die zich in zijn schip uitbreidt of de musicus die zich in zijn instrument verlengt. Het is de sensatie van eenwording en bezieling die je met recht fantoomgeluk zou kunnen noemen. Lichaam en geest breiden zich uit zodra het zich met hart en ziel uitbreidt in iets ‘schijnbaar‘ anders.
Bewonderen brengt dezelfde kwaliteit van verbinding en uitbreiding met zich mee. Men voelt zich groter, ruimer, vrijer. Met begrijpen heeft dit niets te maken. Je kunt immers heel goed iets bewonderen juist als je er niets van begrijpt. En als je kunt erkennen dat je zelfs van jezelf niets begrijpt en kunt verwonderen en bewonderen blijkt fantoomgeluk je eerste natuur. Een spookachtige kwaliteit, geestige essentie.

Bananendoos

De man in de straat begon mij steeds meer op te vallen. Zijn vertraagde behoedzame gang trok aandacht. Op zekere dag trof ik hem buiten in stilstand naast het hondenplantsoen. Ik liep bij gebrek aan mijn voormalige hond zomaar weer eens buiten. Hij leek verstard en keek met toegeknepen ogen naar de hemel. Ik posteerde mij naast hem waar hij mij even later verbaasd ontdekte.
‘Ziet u iets daarboven’ , vroeg ik hem.
‘Nou, ik meende iets te horen…de eerste zwaluw…ik zie steeds slechter’, vertrouwde hij mij toe…ik moet steeds meer op mijn oren afgaan’.
‘Zou een bril niet helpen?’, probeerde ik.
‘Nee, ik zal langzaam aan blind worden, dat is de prognose…’, zei hij gelaten.    
Ik zonk even mee in zijn gelatenheid en betreurde mijn ongepaste advies.  Voor de spanning snijdbaar werd vroeg hij: ‘Houdt u soms van lezen?’  
Hij bleek als een bezetene te lezen, las alles wat hij kon voor dat het te laat was.    
Elk gelezen boek was een overwinning op zijn dreigende blindheid.    
Of ik zijn uitgelezen boeken misschien wilde hebben.
‘Kom maar langs als je wilt, je weet waar ik woon’.  
Omdat hij vriendelijk bleef aandringen maakten we een afspraak.
Ik belde aan. Hij deed, gehuld in een Japanse Kimono open.    
Ongezien wenkte hij mij naar binnen.    
‘’Kom ik eigenlijk wel gelegen’ ,vroeg ik opgelaten.
‘Nee kom, ik loop er thuis altijd zo bij…niemand die me ziet’ ,zei hij geeuwend.
Zijn huis bleek vrijwel leeg. Er stonden twee stoelen en een tafel.
Geen schilderij aan de muur, waarom zou je ook je muur versieren met iets wat je toch niet kon zien? Alle overbodige huisraad verwijderde hij consequent, daar kon je je alleen maar aan stoten of over struikelen.    
Het licht deed hij ook steeds minder vaak aan om zich alvast op een tastend bestaan voor te bereiden. Zijn boeken las hij aan tafel onder een leeslamp met een sterk vergrootglas.    
Hij leidde mij naar een zijkamertje dat vol stond met manshoge stapels bananendozen gevuld met boeken.    
‘Zoek maar wat uit en neem mee alsjeblieft, anders het groeit hier nog dicht!’
Toen ik met een doos boeken vertrok brandde er nog één vraag in mij;
‘Wat als u niet meer kunt lezen?’ De vraag kwam niet over mijn lippen.
Ik vreesde zijn kale antwoord.