RIOG


Het tijdperk van de binaire logica loopt ten einde,
al lijkt het meer op strompelend  voorover vallen,
een permanente val van de ene verbazing in de andere…

Het was ooit: het een of het ander…
Het ene been of het andere been,
nooit geen van beiden of allebei wel…
of een half been van beide of…etcetera.
Gaandeweg raken we verzeild in 
de zee van mogelijkheden,
waarin 
alles naast elkaar bestaat, langs elkaar heen leeft,
door elkaar heen zwemt.

Het tijdloze tijdperk van RIOG heeft ongemerkt haar intrede gedaan.
Het tijdperk van: Reken-Ik-Ook-Goed.
Waarom tijdloos?
Omdat niets zo relatief is als tijd.
Dus komt iemand te vroeg of te laat, of niet….nooit, of op tijd?
Zoek daar dan niets achter en denk: RIOG!
Dit principe zal zich in elk domein van het bestaan manifesteren, let maar eens op.
Zeg maar eens dat iets niet kan en de volgende dag zal iets of iemand dat logenstraffen met zichzelf als levend bewijs. Besluit maar dat iets onmogelijk is en het blijkt toch te kunnen. RIOG is feitelijk niets anders dan de schoorvoetende erkenning van de oneindige rijkdom van het bestaan. Wat eerst eenduidig leek blijkt nu voor vele interpretaties vatbaar. Definities liggen niet meer vast. Betekenissen zijn fluïde geworden.
Zou het door de druk komen dat alles vloeibaar wordt?
We kunnen niets meer uitsluiten.

Elk willekeurig horloge dat al jaren stil staat geeft twee keer per dag de juiste
lokale tijd en ook nog vele juiste tijden op andere aardse lokaties.
Dan weet je wel hoe laat het is: de hoogste tijd voor RIOG.

Ontbijt

Het was de eerste keer dat ik met Virio mee naar huis werd genomen. Ze woonden op de bodem. In de kraamkamer van het leven stelde hij mij voor aan zijn hele familie die zojuist aan de onderwater tafel plaats namen voor het ontbijt.‘Kijk’, zei Virio: Dit is nu Zoö, en die daar is Fyto, daarnaast onze onvermoeibare Holo, en hier…Myco met Bacterio en Virio…c’est moi! ”

De familie Plankton was fysiek de kleinste familie van de oceanen, maar door hun zwermsamenleving wel tegelijk het grootste in aantal.
Fyto was zo aardig als een plant en zorgde voor zuurstof.
Zoö was zo dierbaar als een het kleinste beestje.
Myco was een deler, die woekerde met talenten door dna met alles en iedereen te wisselen, overal liet Myco zijn sporen na, die hij niet had verdiend, die kreeg hij gratis door uitwisseling. Holo liet zich willoos zweven door de toevallige zeestromingen.
Bacterio had smetvrees en was vooral op hygiëne gericht, een buiten gewoon schoon wezen.
Virio maakte iedereen weerbaar en krachtig, zat eigenlijk permanent in de puberteit.
Hij riep nogal wat weerstand op, hetgeen iedereen een sterk incasseringsvermogen gaf.
In de hoek van de waterkamer zat Tante Diatomee die met haar uitwendige skelet synthesefoto’s maakte en Opa Dinoflagelaat die liever in het midden liet of hij een plant ofwel een dier was. Opa rekende ze allebei goed.
Vader Plankton, die wonderlijk genoeg integraal uit alle familieleden bestond was ook tegelijkertijd moeder. De kinderen vonden hem daarom wel wat tweeslachtig, maar dat had eigenlijk alleen maar praktische voordelen.
Toen iedereen klaar zat voor het ontbijt vroeg ik met mijn domme hoofd of ik bij het ontbijt iets te drinken mocht hebben. Een collectieve hoge bulderlach liet alle Planktonezen tot tranen toe schuddebuiken. De stranden overstroomden met hun waterlanders.

Nasalisme

Onze buurman ontmoet ik sporadisch bij de brievenbus. Hij lijdt aan een chronisch verstopte neus. Op nasale toon vertelt hij mij ongevraagd welke neusontstopper hij nu weer, twee maanden later, gebruikt. Gisteren propageerde hij het middel Nizogeen wat behalve ontstopt ook het niezen tegengaat, beter dan Nasifam…wat een rare steriele geur achterlaat in de neusholte. Daarvoor slikte hij Neuzofine in tabletvorm… hielp ook prima, maar hij rook subiet niks meer, dan kon je net zo goed geen neus nemen, vond hij. Mijn geestesoog stelde zich meteen buurmans gezicht zonder neus voor… en zag meteen buitenaards leven voor mij.
Nee, nu zwoer hij bij Nizogeen. Nadat hij afgelopen jaren van alles had gesnoven: Nozofam, Neusopax…
Heb je dan nooit Nuzudex of Nazargol geprobeerd?…of Nauzopon, Neezogeen, vroeg ik voor de grap.
Nee dus, want dat waren volgens hem vast homeopathische middelen, kwakzalverij. Hij kende mij langer dan vandaag.
Maar die hebben wel…geen enkele bijwerking, bracht ik nog in.
Kwakzalf is hetzelfde als een Placebo, schamperde hij met handen in z’n zij.
Maar Placebo scoort wel significant in onderzoeken…en trouwens, ook bij reguliere medicijnen is er ook altijd een placebo-effect, zelfs volgens de meest fanate sceptici.
Ik zag hem afhaken met een moedeloos handgebaar.
Hij haalde vermoeid snuivend zijn neus op en zijn brievenbus leeg
Sinds onze laatste medicinale woordenwisseling ontloopt hij mij.

Meest geestig

De meest geestige definitie van het ongekende is uiteraard, de UFO.  UFO is inmiddels een oude bekende onder de begrippen.  Het is geestig omdat deze definitie ‘iets’ definieert door te bepalen wat het niet is…maar het vliegt wel.
Het is een ongeïdentificeerde waarneming die verondersteld wordt te vliegen… ofwel zeer vluchtig is.
De UFO-definitie suggereert ook impliciet dat we alle andere ‘objecten’ die geen UFO zijn wel begrijpen en kunnen beheersen omdat we ze een naam hebben gegeven….
De dingen zijn zogenaamd, maar is het niet gewoon als graaien naar een wolk?
De UFO-definitie is eigenlijk een dure manier om te zeggen:
‘Wij begrijpen hier niks van! , maar we hebben het onder controle…denken we…’

Het begrip UFO lijkt verdacht veel op een gedachte, namelijk ondefinieerbaar en uitermate vluchtig. Iedereen kent het verschijnsel ‘gedachten’ of denkt ze te kennen. Maar we kunnen gerust stellen dat nog nooit iemand een gedachte heeft gezien.
Domweg om het feit dat welk ‘iemand’ dan ook, zelf een gedachte is. Een gedachte is onvoorstelbaar vluchtig en kan alleen de suggestie van duurzaamheid krijgen als deze gedachte steeds maar weer herhaald wordt. Wat aan de virtuele aard natuurlijk niets veranderd. Niemand wat een gedachte is.

Definiëren is naamgeving en toeschrijven van eigenschappen aan…
Hoe geestig is het om dan vervolgens te denken dat je weet wat iets is. Je weet alleen dat je ‘het’ die naam hebt gegeven. Maar er wordt niets begrepen.
Er wordt ook niets begrepen van de veronderstelde ‘iemand’ die alle definities denkt te denken en denkt te begrijpen.

Dit is wellicht het meest geestige van dit hele bestaan, omdat bestaan fundamenteel geestig van aard is. Wat dit geestige wezenlijk is weet niemand. Dat het wezenlijk is kan iedereen weten en bij zichzelf nagaan. Wat je ook denkt, voelt, of ervaart aan zintuigen
het is in essentie een verschijnsel in de geest.

Criteria

Kunst blijkt voornamelijk een ambitieuze en succesvolle sloperij van haar eigen criteria.
Elk van haar definities wordt eerder vroeg dan laat ontmanteld door een uiting die zich buiten de orde waagt.
Als een ontembaar monster breekt kunst steeds los uit iedere kooi.
Kunst is feitelijk niets meer of minder dan een taaldingetje dat naar zichzelf verwijst.
Ontmanteling van de taal legt een essentie bloot die alle kunst verre overstijgt en er aan vooraf gaat.

Hoe kun je dit zou boud vaststellen?
Door totale ontmanteling?

Maar wat houden we dan over?
Dat we ervan kunnen houden…

Houden van wat, van kunst of ontmanteling?

Buitenlands

Opeens drong het besef zich naar binnen dat we waren omvat door grenzen, Buitenlandse grenzen. Het leek vrij en veilig binnen de grenzen, maar het angstige idee te worden ingesloten gaf een bedreigend gevoel. Begrenzing leek vrijheid te beknellen.
Om daar het fijne van te weten moest ik zelf de grens over. Ze kwamen niet vanzelf naar mij toe. Je moest ze kennelijk uitnodigen om de grens over te gaan?
Er waren vreemde verhalen over Buitenland…dat het daar zo anders was. Men zou daar over grenzen heen gaan. Het zouden grensoverschrijders zijn.
Trouwens, van wie waren de grenzen? Waren het nu onze grenzen of hun grenzen?
Wie had deze grens bepaald?
Ik besloot om naar Buitenland te gaan.
Aangekomen in de hoofdstad wemelde het van de buitenlanders. Ze zagen er inderdaad allemaal anders uit…net als thuis. Ze spraken perfect en moeilijk verstaanbaar Buitenlands, wat lastig was in het contact. Elke kennismaking verliep nogal stroef dankzij mijn zeer gebrekkige beheersing van de Buitenlandse taal.
Omdat ik nooit zoveel Buitenlanders bij elkaar had gezien ging ik mij heel alleen en anders voelen…ik had, eerlijk gezegd ook niet veel anders te doen.
Ik keek naar ze alsof het bezienswaardigheden waren, exotische vreemden… Of keek ik hier heel anders dan thuis…of had ik soms vreemde ogen?
Andersom leken ze mij helemaal niet op te merken. Niemand hier lette op mij. Om niet in de gaten gehouden te worden voelde eigenlijk wel heel bijzonder…alsof jou een bijzonder privilege ten deel was gevallen.
De echte bezienswaardigheden waren de befaamde platgelopen parken, roemruchte musea en de met geschiedenis beladen oude gebouwen…en uiteraard de restaurants waar louter buitenlandse gerechten op het menu stonden.
Ik sprak in mijn pover en onbeholpen Buitenlands een Buitenlander aan. Hij bleek uit de binnenlanden te komen en bleek niets te weten van grenzen…Waar had ik het over?
Hij constateerde dat ik niet van hier was, maar dat feit vond hij een te verwaarlozen bijkomstigheid. Ik vroeg hem of hij nooit een grenservaring had gehad.
Hij keek mij aan alsof ik van een andere planeet kwam en vervolgde hoofdschuddend zijn weg. Sinds ik weer thuis ben voel ik mij een Buitenlander in eigen land. Soms weet ik niet of ik heimwee heb naar dat legendarische Buitenland of dat ik vervreemd ben van mijn eigen begrenzingen? Ik ben mijzelf niet meer. Wellicht ben ik ieder ander en niemand tegelijk?

Kolonisatie

Als kind verzamel je wonderlijke vondsten. Alles is nog betoverd en betoverend als je nog niet door het ‘gewone’ bent gekoloniseerd. Stenen, door rivieren eivormig geslepen waar je ongeboren dino’s in vermoedde… onder je hoofdkussen broedde je ze uit.
Zelfs geurmonsters probeerde je te conserveren, bloesems, kruidachtige blaadjes…om later nog eens aan te ruiken. Vaak stonken ze dan muf en schimmelig. Conserveren bleek een moeilijk vak. Je bewaarde al je bevindingen in doosjes. In de lade van een oude kast op je kamer.
Op een nacht werd je wakker van indringend, knerpend geluid, alsof iemand met zijn nagels over hout schraapte, onheilspellend… beklemmend. Je hart klopte in je keel
in onzekere afwachting of het geluid nog eens zou weerklinken of niet, het klonk griezelig dichtbij, vanuit de kast leek het te komen.
Verstijfd lag je te huiveren tot je zonder besluit opstond om te kijken. Het licht ging aan en traag opende muisstil de lade die vol doosjes lag. In plaats van ze te openen wachtte je tot het geluid weerklonk. Het kwam uit een van lucifersdoosjes die toen nog van dun hout waren. Je herinnerde je niet meer wat erin verstopt zat… het doosje schoof open…
Je zag de Atalantavlinder die je voor dood had gevonden. Nog helemaal gaaf klapwiekte ze nu het weer kon.
Ze krabte aan haar doodskistje, als levend begraven. Je liet haar meteen vrij op het nachtelijk balkon. Je besloot geschokt om geen doosjes meer te vullen. Achteraf kon je er niet over uit dat zo’n fragiel wezen zo’n kabaal kon veroorzaken. De klankkast van het luciferdoosje in de klankkast van de lade. De hele kast werkte als versterker om de vlinder te bevrijden. Nu begrijp je pas dat jij toen die vlinder was.
De kolonisten van de onttovering hebben nooit grip op jou gekregen.

Interval

Wassily Odnoposov, gevluchte wit-Rus, was zonder bijzondere inspanning 85 jaar geworden. Nooit een dokter of een ziekenhuis bezocht, nimmer een tandarts zijn tanden laten zien, geen enkele sport beoefend. Het domme geluk van goede genen in combinatie met het zondagskindcomplex, kortom een gelukkige gokker. Ze waren nooit getrouwd, maar inmiddels ruim zestig jaar samen in balans. Zijn oude ‘vriendin’ Valerie Basinsky bezat een natuurlijke opgewektheid van het onverwoestbare soort. Toen…hik…de jarige Wassily de hik kreeg, die nu al twee weken…hik…bleef aanhouden begon Valerie zich zorgen te maken…hik…De interval van de hik volgde…hik…exact de secondewijzer van de pendule op de schoorsteenmantel, om de vijf seconden…hik…
Valerie besloot om de pendule…hik…stil te zetten. Wassily hikte echter in dezelfde frequentie..hik..door.
Voorzichtig begon ze te polsen of hij…hik…toch niet eens naar de huisarts zou gaan. Koppig…hik…bleef Wassily zich vastklampen aan zijn…hik…verdienste dat hij nog nooit een arts had bezocht en wilde dat …hik..graag zo wilde houden.
Pas toen hij na een…hik…maand geen oog meer dicht deed en vermoeid raakte kon zijn …hik…dochter hem overhalen om naar de dokter te gaan.
Het koude zweet brak hem…hik…uit toen Wassily in de wachtkamer zat. Was het niet …hik…doodgewone levenslange doodsangst geweest die hem bij de doktoren had…hik… weggehouden? In de behandelkamer kreeg hij…hik…een warme handdoek van de arts om zich…hik…te drogen. Nadat hij op vriendelijk verzoek zijn overhemd had uitgedaan…hik…plaatste de dokter rustig zijn stethoscoop op de borst van de chronische zorgmijder. Langdurig beluisterde de arts de borstholte van Wassily die met grote verbaasde ogen op de kruk zat te kijken naar zijn dochter die zachtjes vroeg:
“Waar blijft die nou?”
De arts beklopte uitgebreid zijn rug, wat de patiënt duidelijk niet onprettig vond, maar de arts kon helemaal niets ontdekken.
“De snelste genezing ooit” ,concludeerde hij lachend, “Verder geen klachten?”
Wassily kon niets anders dan tot tranen toe gapen van ontspanning.

Magawa


Magawa de hamsterrat is overleden, geboren in Tanzania is, te werk gesteld in Cambodja. Deze ‘vuile’ rat spoorde landmijnen op en maakte zo grote delen van Cambodja weer veilig. Deze rat, die met een medaille onderscheiden is, heeft meer betekend voor de mensheid dan menig mens. Zeker meer dan de mensen die mijnen plaatsen om medemensen op te blazen. Al moeten we de nalatigheid van medemensen die geen landmijnen plaatsen ook niet onderschatten. Nalatigheid is in dit licht misschien wel de meest onderschatte eigenschap. Magawa bleef speels toen hij met pensioen was gegaan. Het mijnen detecteren was voor deze rat een zorgeloos spelletje.
Waarschijnlijk is Magawa nooit geïnterviewd, maar zijn advies zou vast zijn: ‘Wees nalatig en speel, ondermijn zo de blinde ambitie waar de wereld aan ten gronde gaat’

Appartement

Het Ding was nieuw hier en kwam bij toeval op bezoek bij de familie Zintuig.
De familie Zintuig woonde in een riant warmbloedig mobiel appartement van vlees.
Het Ding was feitelijk verdwaald, zoals alle dingen eigenlijk altijd zomaar dakloos rondzwerven…dwars door de talloze belevingswerelden.
Het Ding stond daar buiten gewoon kaal en ongenaakbaar Ding te zijn.
Vader Zien had het Ding zien staan vlakbij de visuele ingang en deed open. Hij keek het Ding indringend aan…en daarna vragend. Maar het Ding gaf geen krimp en bleef stil en was blijkbaar afwachtend van aard…het voelde zich bekeken, onbewogen en niet licht genoeg bevonden. Vader wilde alleen de lichtste dingen zien. Gelukkig kwam moeder Voel zich er mee bemoeien, zij nodigde het Ding uit om zich te laten betasten. “Ach, wat ben je toch een lekker Ding” , zei ze steeds als ze het ding geruststellend over de rug streelde. Zus Geur en broer Smaak vonden het ding meteen ook heerlijk…vooral omdat ze zo nieuw was. Ding rook zo lekker vers. Of stond er iets in de oven?
Alleen oom Oor vond dat het ding nergens naar klonk. Hij beklopte het ding overal, beluisterde het, blies erop maar het maakte geen enkel geluid.
“Het ding is waarschijnlijk doofstom”, schatte oom Oor in.
Ze besloten het Ding aan te kleden met hun gezamenlijke zintuiglijke garderobe.
En het grappige was, het paste allemaal precies. Het Ding kwam er heel voordelig in uit, niet te dik niet te dun. Het leek wel een gewaad geweven van directe zintuiglijke ervaring.
Het Ding begon zich er zo te zien al in thuis te voelen. Wat begon als beproeving leek nu een warm bad. Tot er opeens weer werd aangebeld. Oom Oor deed open.
“Wie is daar?”, vroeg vader Zien.
“Hij zegt dat hij van ‘de Stellige Overtuiging’ is!”, riep oom Oor.
“Niet binnenlaten oom Oor”, riep vader streng, “aan de deur wordt niet gekocht”
Zus Geur riep opeens: “Wat een stank hier! , er brandt vast iets aan!”.
En inderdaad, moeder Voel had een donkerbruin vermoeden in de oven staan.
Door het plotseling bezoek van het Ding was ze het helemaal vergeten.
“Het is allemaal de schuld van dat Ding!” , riep ze wanhopig.
De geur van dat zwartgeblakerde vermoeden bleef nog jaren lang in het appartement hangen, waardoor het Ding onvergetelijk werd.