Tunnel

Er stond een spiksplinternieuwe dag voor de deur. Het had zijn licht nog aan… was net door de tunnel van de slaap gereden, die lange zwarte tunnel dwars door het hooggebergte van de nacht. De aanleg ervan had lang geduurd…jaren lang boren om de lichtdagen met elkaar te verbinden. Nu was het klaar, één rondlopend traject. Men kon nu door driehonderdvierenzestig tunnels het hele jaar rondrijden. Dat had de mens toch maar mooi geflikt.
Er was geen chauffeur die zei dat je moest instappen. Je dacht nog even: kan die dag niet zonder mij vertrekken? Voor je het wist zat je in de dag en was je onderweg. Je keek je ogen uit, wat een uitzicht rondom, wat een reis. En iedereen ging mee, zelfs alle doden, waar je ook keek daar zag je ze…ieder één, wat een onderneming. Het leek wel vakantie. Je las op een muur het gedicht, op weg naar de volgende slaaptunnel, het gedicht van nachtburgemeester J. Deelder…

’Het Heelal’

Hoe verder
je keek

hoe groter
het leek

Troglodieten

De klaproos koestert geen ideologie, ze postuleert geen hypothesen. Een korstmos heeft geen filosofie, geen aannames. De plataan leest nooit een boek of handleiding. Het schaapwolkje gelooft moeiteloos nergens in. De wolf schrijft geen gedichten, geen grafschriften. De krekel speelt geen viool, heeft geen advocaat. Gras verlangt geen architectuur, geen planoloog. De oceaan ambieert geen scheepvaart, geen dijken. Natuur heeft geen theorie, geen diploma, ze is een en al praktijk. De mensengeest begon als een kale grotwand, het eerste scherm dat prehistorisch werd betekend, als tegenwicht tegenover die verpletterende overdonderende natuur, de grot bood bescherming. De verbeelding werd geboren op de wand, verbeeld-dingen. Spoken op het behang. Ondertiteld door verwoording werd het denkbeeldige een tegenwichtwereld, schijnbaar veilig en beheersbaar. De bovenkamer werd gaandeweg een surrogaatgrot. De moderne troglodiet echter woont in zijn scherm, mobiel en houdt altijd alles en iedereen in de hand. Holbewoning in de open lucht.

Konijn

In de wachtkamer van de huisarts hangt een postergedicht van Kees Stip.
Het schetst de mensheid als patiënt die in de wachtkamer zit tot de dokter tijd heeft om te genezen. Patiënt betekent geduld, de wachtkamer is om geduld te oefenen.
De dichter wrijft het in tot je een ons weegt. De zalf van het geduld zal de pijn verzachten.

De mensheid heeft mijn hart
ze vergt mijn volle krachten
er zijn er nu al vijf miljard
dus jij moet even wachten

Zo dichtte dokter Stip ooit.

Inmiddels zijn er al meer
dan acht miljard bespeurd
de mens gaat als konijn tekeer
je komt nooit aan de beurt

Als wachten veel erger is
dan klagen over de kwaal
bespaar dan op ergernis
en verlaat het wachtlokaal

Uil

Het is gewoon een Openbaar Geheim, zo begon Uil ongevraagd uit te leggen.

Wat is operaar geim? vroeg Poeh.

Dat is iets… ,zei Uil gewichtig, zo dichtbij, dat je het niet ziet.

Oh, iets, dat dacht ik al…ik dacht even dat je: een hoop rare gein zei of zo iets dergelijks.

Nee Poeh, niks dergelijks of zoiets…ik sprak heel bedachtzaam Openbaar Geheim uit.

Oh, zei Poeh, ik zie niks dergelijks ook niet… zou dat dan ook open waar geim zijn?

Geheim! verbeterde Uil, nu je het zegt Poeh, niks dergelijks zie ik hier ook nergens.

Zo zie je maar, zei Poeh voorzichtig, misschien Uil…is openbaar wel nergens niet.

Zou best kunnen of iets dergelijks, murmelde Uil.

(Vrij naar Poeh, illustratie EH Shepard)

Poeh

Wat is de zin van het bestaan? vroeg ik aan Poeh die net een honingpotje opende.
Wat voor zin zeg je me nou? vroeg hij met zijn mondvol.
Nou, de zin van het bestaan! legde ik uit.
Wat je zegt is toch al een zin, mompelde Poeh verwonderd.
Nee, ik bedoel juist het bestaan en daar dan de zin van…
Ah, juist…je bedoelt dat die zin bestaat, mooi gezegd hoor!
Wat je zegt Poeh, ik vind het ook wel een mooie zin, piepte Knorretje.
Iejoor die in een hoekje wat flarden van het gesprek had opgevangen zei opeens:
Wat praat iedereen toch over de Zijn van het bestaan…dat is toch zeker hetzelfde.
Stel je voor, verzuchtte hij, de Zijn van niet-bestaan!…daar moet je toch niet aan denken.
Knorretje kreeg helemaal de rillingen en kroop dicht tegen Poeh aan.

(Vrij naar Poeh, illustratie EH Shepard)

Estafette

We kregen een kerstkadobon voor kunst. Op de website konden we het uitzoeken.
Kunstbloemen van echte natuurzijde. Zo natuurgetrouw, niet van nep te onderscheiden. Het kostte wat moeite om de weerzin tegen eeuwig verse bloemen te overwinnen. We zouden ons toekomstige boeket toch ook kunnen doorgeven als ons enthousiasme uitgebloeid was. Het boeket zou zelfs een doorgeefboeket kunnen worden dat vrij door de wereld trok van vaas naar vaas. Een estafette, waarom niet.
We kozen gratis takje voor takje onze favoriete bloemen uit. Dure exemplaren die nooit zouden verwelken. Het maakte weer eens duidelijk dat waarde, zin en betekenis juist gevoed wordt door vergankelijkheid, vermogen om te verwelken, de gave om tot compost te vergaan. En dan liefst niet in een vaas.

Lafaardig

Je had het goed verknoeid bij de buurman. Verweesd draalde hij bij het afvalpunt verzadigd door drank. Alsof je zijn laatste strohalm was, zo klampte hij zich aan je vast. Met een verwarde monoloog hengelde hij je binnen met aas van gerafelde taal. Voor je het wist zat je gevangen in zijn leefnet. Je moest erg je best doen om zijn gewauwel te ondertitelen. Regelmatig sperde hij zijn pupillen wijd open als hem een woord ontbrak. Ogen die leken te smeken…vul het ontbrekende woord even in of veins op z’n minst begrip. Even probeerde je een lichtere invalshoek, maar hij onderbrak je.
‘Nee, dat moe je nie doen!’ ,sprak hij je onverwacht heftig toe.
‘Jij moet geen u zeggen!’ Opeens kon hij wel ar-ti-ku-le-ren.
Je was je van geen kwaad bewust. ‘Heb ik u gezegd, weet je het zeker?, vroeg je nog.
‘Jazeker’, peperde hij in. ‘Jij heb u gezegd…en damoeje nie doen!’.
De winkel aan de overkant hunkerde naar sluitingstijd. ‘Nog even iets te eten halen’, zo dacht je te ontsnappen, maar hij ging mee, moest toevallig ook die kant op. ‘Nog iets te drinken…..’ lichtte hij toe terwijl zijn ogen naar boven toe wegdraaiden.
Je beloofde beterschap. Wat was je toch een schoft om je bloedeigen buurman met ‘U’ aan te spreken. Je was een lafaard, een lafaard om u tegen te zeggen.

Xnappernix

Je droomde dat je in een stripverhaal verzeild raakte. Je werd er helemaal Gallisch van.
Ze noemden jou daar Xnappernix. Alles ging z’n normale gangetje in het dorpje. Jij was de enige die het niet begreep…de gang van zaken. Je voelde je zo’n plat figuurtje, wel netjes ingekleurd dat wel….maar je tekstballonnetjes bleven leeg. Je wilde Panoramix raadplegen voor een wonderdrankje maar die stond hoog in de boom maretak te snijden. Eerst wachtte je nog onder aan de ladder, maar tijdens de hele strip bleef de hoogbejaarde druïde boven. Je probeerde dorpsgenoten aan te spreken maar jij bleek daar de enige die Gallisch sprak. De anderen spraken een slecht vertaald taaltje. Je dacht nog: ik ben in het verkeerde album getekend….Gelukkig werd je wakker in die zogeheten ‘echte’ wereld waar je minstens zo weinig begreep als de figuur in de strip. In deze multidimensionale strip kun je alles zelf betekenen en inkleuren, en een verhaal ervan maken. Maar waarom zou je? En trouwens: waarom zou je ook eigenlijk niet?

Cel

Evolutie is een speels wezen, ze zit in de cel en speelt met ons leven. Haar experimenteerdrift is onvermoeibaar. Zelfs als ze slaapt is ze nog cellen aan het delen. Bovendien speelt ze niet met één verschijningsvorm van leven maar ze speelt simultaan met alle levende wezens tegelijk. Elke vorm is een thema met talloze variaties. Duizenden kevertjes, ondersoorten, wondervormen. Waarom steeds weer anders? Omdat het kan? Nee gekko, omdat het leuk is om te spelen, om je te verwonderen. Of je het leuk vindt om het spel mee te spelen of niet, ook aan ons wordt op dit moment geknutseld. Evolutie doet maar wat zich niet laten kan…en dat zonder een gedegen opleiding kunstacademie, zonder design-diploma. Zelfs zonder handen. Dat is wel het meest wonderlijke…ze werkt altijd van binnenuit naar elke  manifestatie toe. Een echte happening.