Genen 11 (Mammoet)

‘Waar is mijn flacon’ ,vroeg vader enigszins paniekerig zoekend in zijn posttas,
‘heb jij hem ergens gezien?’
‘Hoezo?’ ,vroeg ik zo achteloos mogelijk, ‘waarom zou ik nou…!’
‘Hij mag niet in verkeerde handen vallen’ ,zei vader indringend.
‘Hij?…wie is hij?’
‘Ja, die flacon!…ik moet hem vinden, hij zit vol met slaapmiddel…
levensgevaarlijk bij een iets te grote dosis!…je kunt er een mammoet mee omleggen!’

‘Ik dacht dat u er schervenwater in bewaarde als hartversterking voor onderweg!’ Het zweet brak mij uit als ik dacht aan Barvo die nu al tien uur achtereen in de cellokoffer lag te ronken..zou hij er ooit nog levend uitkomen?…hoeveel van dat spul had hij opgeslokt?…het zou toch niet zijn doodskist worden die cellokoffer?

‘Waar gebruikte u die flacon dan voor?’ ,vroeg ik aan mijn vader.
‘Om aan dat uitreisvisum te komen natuurlijk, als je die ambassadelarven niet kan omkopen moet je ze verdoven of in het uiterste geval vergiftigen…het is mij nu gelukkig wel gelukt, ik heb de officiële formulieren bemachtigd…ze zijn alleen nog niet ingevuld en ondertekend, maar dat kunnen we zelf wel. Ze worden hier in de stad met de dag gekker, we moeten snel vertrekken…wist je dat ze de boeken van die Vorelsmani van jou op het plein hebben verbrand?’

‘Wat, Parkietenvlees…dat prachtboek?’
‘Ja precies, de hele tweede oplage is is in rook opgegaan…hij zou een vijand van het volk zijn…ze zoeken hem!’ Tranen schoten bijna in mijn ogen, ik moest ten koste van alles Barvo redden, al was het maar om het boek voor de mensheid te behouden… dat lag veilig in zijn geest opgeslagen.
‘Wanneer kunnen we dan vertrekken en wat kunnen we meenemen?’ ,vroeg ik daadkrachtig.
‘Als het lukt reizen we morgenavond per trein vanuit station Warbovald. Moeder Wami komt later, ze heeft nog een stuitbevalling…we kunnen niet veel meenemen…amper het hoognodige…ik heb buur Momzi gevraagd om ons huis te beheren tijdens onze afwezigheid, je moest nog de groeten hebben van Belko!’
‘Ik wil alleen maar de cellokoffer meenemen’ ,zei ik vastberaden denkend aan arme Barvo.
‘Cello? Waarom die cello, je hebt nooit meer op de cel van opa Darpo gespeeld.’
‘Weet ik, maar ik moet toch iets te doen hebben, als ik nooit meer mag schrijven.’
‘Vergeet de literatuur toch jongen, ga liever brieven lezen zoals je vader…dan is de wereld een eindeloos feuilleton…en vergis je niet jongen, rendieren hoeden is hard werken, vergeleken daarmee is postbezorgen als bloemetjes plukken in een lentewei…maar goed als jij die kist zelf draagt vind ik het best!’ Vader klonk een beetje in de war voor een postbode die het toch van orde, stiptheid en regelmaat moet hebben. Opeens vroeg ik mij af: als Barvo in die koffer ligt, waar is dan die cello gebleven?

Genen 10 (Intenties)

Vorelsmani dicteerde zijn nieuwste hoofdstuk met wild knipperende ogen, alsof hij een spreekbuis van een andere wereld was. Ik hield zijn orakelende stem nauwelijks bij als ik het verhaal probeerde te volgen. Ik besloot mij alleen op het notuleren te richten net als opa Darpo ooit. Die inhoud zou ik later wel eens zorgvuldig nalezen.
Het voelde als een grote eer dat ik uitverkoren was om eerste deelgenoot te mogen zijn van dit nieuwe meesterwerk.
Toen hij zich na een uur leeggekletst had , wilde hij wel iets te drinken…om het te vieren. Ik haalde wat schervensap, mijn vaders zakflacon die hij onder het postbezorgen gebruikte om bij te tanken. Onderweg flitste de gedachte door mij heen dat Barvo misschien wel aartslui was, een Oblomov in het kwadraat, een lui varken dat mij misbruikte…was schrijven zo moeilijk dat hij, de grote literator, het niet zelf kon?
Ik schaamde mij onmiddellijk voor deze schandelijke gedachte.
Maar het maakte mij wel nieuwsgierig.
‘Hoe ben je trouwens analfabeet geworden Barvo?’ ,vroeg ik terwijl hij de flacon aan zijn omstoppelde mond zette.
‘Geworden…?’ ,riep hij verwonderd, ‘zo ben ik geboren!’
‘Ja dat snap ik, maar waarom heb je het niet geleerd…je kunt het nu nog leren!?’

Hij keek schichtig weg alsof hij een erg vieze smaak in zijn mond had en zei:
‘Ik had als kind al slechte ogen, maar dankzij dat heb ik iets ontwikkeld iets wat bijna niemand meer kan, voelen en luisteren! Ik heb van jongsaf aan geluisterd en alles opgeslagen. Ik heb mijn oren te luisteren gelegd, overal…onder tafels, bedden, in café’s, collegezalen, bordelen…waar niet? …dat is mijn geheime scholing geweest, luisteren en de verborgen intenties van dat gebazel aanvoelen…’

‘Wat bijzonder dat ik nooit heb gezien dat je slechte ogen had Barvo!’
‘Nee, dat zie je niet van buitenaf Beus…en ik kan je helaas niet in mijn bovenkamer ontvangen….maar ik kan je verzekeren, met mijn geestesoog is niets mis!’
‘Kon je niet naar de School voor Blinden en Slechtzienden?’
‘Natuurlijk had ik braille kunnen leren, maar notuleren kan iedereen aanleren, maar wat ik nu kan is een gave…en ik geef toe, dat ik bang was om die gave te verliezen’
Vorelsmani staarde roerloos voor zich uit na zijn ontroerende getuigenis.
Uit het niets vloog een mot voor hem langs die hij in een flits uit de lucht plukte.
‘Hoe kan dat als je zo slechtziend bent, Barvo!’ ,riep ik verontwaardigd.
‘Echolocatie!’ ,zei hij broodnuchter, ‘heb trouwens nog meer van dat spul?…zo’n flaconnetje heeft wel een erg magere inhoud!’
‘Echolocatie….echolocatie…ecolocatie…denderde het na in mijn door Barvo begoochelde brein…of was het betoverd?’

Genen9 (Kist)

Ik had net Barvo in de cellokist weggemoffeld toen moeder Wami mijn schuilplaats binnendrong.
‘Heb jij die kamferstank op je geweten?’ ,vroeg ze mij terwijl ze met geloken oogleden de stilstaande lucht opsnoof. ‘En ik ruik er nog iets anders doorheen, wat is dat voor vreemd aroma?’
Ik verklaarde koeltjes dat het tegen de motten was die het behang wegknaagden…en die vreemde geur, ‘Komt die damp niet uit de oude koffer van opa Darpo?’ , vroeg ze.
‘Daar ligt toch zijn cello in!’ ,
Wami moest nodig op pad voor een bevalling, dan haalde ze meteen een frisse neus.
Wat moest ik nu? De muren van mijn bovenkamer doorbreken, mijn vloer slopen om de diepte in te gaan? Moesten er eerst ruimtes doorgebroken worden voor je aan echt schrijven toe kon komen?
Ik keek naar de cellokist waar Vorelsmani in lag. Was hij wellicht een gevaarlijke gek of toch een geniaal schrijfbeest, met een legendarisch geheugen? Ik wist het oprecht niet meer. En waarom zou hij niet beiden kunnen zijn, tegelijkertijd?
Parkietenvlees was het meest meeslepende wat ik ooit gelezen had.
Overdonderend wat die hoofdpersoon allemaal niet mee had gemaakt. Hoe zou ik ooit zoiets kunnen evenaren als ik zelf nooit iets meemaakte hier achter het behang? Ik, man zonder geschiedenis, welbeschouwd had ik nog niets om over te schrijven.
Behalve dat ik tussen mijn schrijfobsessie heimelijk droomde van juffrouw Wasselgenk,
Zou zij mij niet van ervaringsfeiten kunnen voorzien, belevenissen, gebeurtenissen?
Natuurlijk zou ze dat kunnen, maar wat had ik haar te bieden, hooguit een toekomstige vereeuwiging in mijn epos. Hoe zou ik dat voor haar aannemelijk kunnen maken, verleiding, gouden bergen? Hoe dan ook, een overmatige hoeveelheid bluf zou ik moeten inzetten om haar te kunnen winnen. Onwillekeurig werd ik herinnerd aan de eerste literaire wet van Vorelsmani: “Wat je ook verzint, fabuleert, je zult er eerst zelf heilig in moeten geloven, alsof je het zeker weet, dat is de kerosine van de overtuigingskracht, verbluffend, het geeft je verbeelding vleugels. En degenen die je ermee weet aan te steken ziet ze eveneens vliegen”
Er werd zachtjes aangeklopt, ik liep naar de verborgen deur, gluurde door een kier.
Er was niemand. Weer werd er geklopt, nu dringender. Het kwam uit de kist. Barvo wilde er uit. Hij keek mij bezeten en dwingend in de ogen , ‘Je moet mij helpen, ik heb zojuist in de kist een nieuw hoofdstuk geschreven…als je een schrijfmachine hebt citeer ik het!’
‘Ik heb hier alleen maar een potlood en oude partijnotulen’ ,zei ik verontschuldigend.
‘Ook goed… hier komt de openingszin!’

Genen8 (Eland)

Achter het behang kwam ik er maar niet uit hoe ik het panorama van mijn bovenkamer kon vergroten. Wie moest ik raadplegen. Waar hadden mijn schuchtere pogingen om te gaan schrijven nu al niet toe geleid…huisarrest, nog geen schrijver en dan al in ballingschap. De enige die mij kon helpen was Barvo, maar hoe kon ik mijn literair mentor bereiken. Ik besloot onze dienstbode Wasil om te kopen om bij de Fourai-kiosk nabij de Vezilsbrug navraag te doen naar Vorelsmani. Wat wist ik eigenlijk van Barvo? Ik wist niet eens waar hij woonde. Vaak had ik hem uitgenodigd bij ons thuis, maar dat kwam er nooit van. Graag had ik hem destijds aan mijn ouders voorgesteld zo had hij mij begeesterd. Wasil was echter totaal overstuur terug gekomen. De revolutionaire garde zat achter Vorelsmani aan. Ze hadden Wasil bruut ondervraagd toen hij bij de Fourai-kiosk terloops informeerde naar de beroemde schrijver van de opruiende roman. Het aanvankelijke meesterwerk was plots in ongenade gevallen. Het volk zat niet op ‘Parkietenvlees’ te wachten. De garde wist veel beter wat het volk nodig had.
De volgende nacht, ik had daar achter het behang geen besef meer van dag en nacht,
werd er gebeld. Mijn ouders sliepen door het gebel heen, maar Wasil had voorzichtig door de brievenbusgleuf gekeken en slaperig gevraagd naar wie daar belde.
‘Ik ben een vriend van de jonge Beusgard’ ,had een uitgeputte stem gefluisterd.
Toen Wasil de deur opende zag hij de gedaante van een oud vrouwtje, slecht geschoren. Had Barvo mijn lokroep telepathisch ontvangen?
Ik herkende hem bijna niet terug, zijn sik en gedistingeerde puntsnor, resultaat van jarenlange koestering waren van zijn gezicht verdwenen. Zijn haar zat in een knotje samengebald. Vrouwenkleren hadden hem uit handen van de garde gered.
Of hij zolang de revolutie duurde even bij mij kon onderduiken? Natuurlijk zei ik meteen
ruimhartig ja op zijn verzoek, zo blij was ik om hem weer te zien. Niet wetend wat de consequenties zouden zijn. Hoe verborg ik hem voor de scherpe blik en vooral neus van moeder Wami. Barvo stonk immers als een bronstige eland in de rui.
In de voorraadkast vond ik kamferolie en vroeg Barvo om zich hiermee in te smeren om de ergste stank te overstemmen. Hij kon slapen in een lege cellokoffer achterin de behanggang waar niemand ooit kwam. In de koffer viel hij subiet in slaap, uitgeput.
De volgende ochtend was hij goed te spreken en dankbaar voor het onderdak.
‘Kan ik je nog ergens mee helpen om je schrijfaspiraties te verwezenlijken’? , bood hij fideel aan. Ik legde hem mijn probleem van het ontbrekende raamwerk voor.
Vorelsmani barstte in een hoofdschuddend uit in gelach.
‘Hoezo een raam, je rost elke muur eruit waar je tegen aan loopt… dan krijg je pas uitzicht, wat dacht je nou?….alle denkbare muren van je bovenkamer moeten
tegen de vlakte Beusgard…alleen dan kan het dak eraf, snap je?’
‘Maar Barvo!’ , verweerde ik mij ‘…en de vloer dan?’
‘Vloer?…welke vloer, welke schrijver heeft er nu een vloer in zijn bovenkamer?…je moet toch ten alle tijde overal meteen de diepte in kunnen…noem ze mij, die schrijvers die hun bovenkamer ommuren en er vloeren in storten… slaapverwekkende boeken schrijven ze….nooit gaat het dak eraf!’
Barvo was uitgetierd. Ik zat bij te komen van zijn college en probeerde het vergeefs op een rijtje te krijgen. In de kamer hoorde ik moeder Wami roepen: ‘Waarom stinkt het hier zo naar kamfer?’

Genen7 (Sleutelgaatje)

Onthouden, hoe deed je dat? Vorelsmani had beweerd dat hij zijn gehele roman ‘Parkietenvlees’ had gememoriseerd en gedicteerd aan zijn notulist. Geen geringe prestatie voor een drankzuchtig brein. Hoe deed hij dat dan? Bezat Barvo een fotografisch geheugen?
‘Welnee kameraad Beusgard’, had hij nuchter gereageerd, ‘onthouden werkt veel basaler dan een foto…je moet louter en alleen het onvergetelijke schrijven…zodra je iets vergeet is het evident dat het niet de moeite waard is om op te slaan…begrijp je?…kun je dat onthouden is de verkeerde vraag…kun je het niet meer vergeten? ,daar gaat het om!’
Ik moest erkennen, ik had dit niet kunnen vergeten zo helder stond het mij nog voor de geest.
‘Kijk je brein heeft een ingebouwde redactie, ze redigeert en schrapt spontaan al het overbodige en het onvergetelijke wordt in marmer geciseleerd als in een grafsteen’
‘Heb je dan nooit iets opgeschreven?’ ,riep ik verbijsterd uit.
De parkietenauteur bleef raadselachtig stil, Barvo tuurde na deze vraag over de meanderende rivier waar het laatste zonlicht op was gaan rusten. De rivier stroomde uit naar de nacht, als een feestelijke wapperend lint in de wind.
‘Onvergetelijk!’, verzuchtte de schrijver…’
‘Hoe heb je dat dan geleerd?’ ,drong ik verder aan.
‘Ik vertel je dit in vertrouwen als vakbroeder…vertel dit nooit verder… ik moest wel, ik ben analfabeet…waarom zou ik leren schrijven…? Als je zelf muziek ter plekke kunt uitvinden, waarom zou je dat dan noteren…het zou een schending zijn van de derde literaire wet, die van het eenmalige!’
Deze ontboezeming stond inderdaad in mijn gemarmerde herinnering gebeiteld.
Ik was geschokt in eerste instantie, maar mijn bewondering voor Barvo steeg naar een onpeilbaar niveau.
Hoe kon je weer analfabeet worden? Was er nog wel een weg terug? Waar leerde je dat? Of beter gesteld waar leerde je af? Dit alles vroeg ik mij af hier achter het behang.
Maar hoe zat het met het raam in mijn bovenkamer? Ruim uitzicht, de vijfde wet, was van groot belang voor een schrijver, overzicht en inzicht. Waar moest ik over schrijven zonder raam. Het was nu alsof ik vanuit mijn bovenkamer door een sleutelgaatje naar de buitenwereld tuurde, het perspectief van een muis, terwijl ik de blik van een arend nodig had om tot een epos te komen. Om het grote geheel te kunnen observeren was een groot raamwerk onontbeerlijk. Ik moest zomaar aan buurman Momzi denken die altijd in de bouw had geklust, maar dat kan zijn omdat ik Belko dwars door het behang hoorde blaffen.

Genen6 (Behang)

Mijn vege lijf was voorlopig aan huis gekluisterd. Wami had mij veilig opgeborgen in de geheime ruimte achter het behang. Het stond vast dat we zouden remigreren naar Zweeds Lapland. Vader was de nodige reisbescheiden aan het verzamelen, wat in deze chaotische overgangsperiode richting het arbeidersparadijs niet simpel was. Hij zette heel onze voorraadkamer en huisraad in om de juiste papieren op te kopen.
Wat kon ik hier anders doen dan dromen van mijn schrijverstoekomst. Het praktiseren ervan had moeder mij verboden. Barvo Vorelsmani had echter een onuitwisbare indruk achtergelaten in het moeras van mijn jongensziel, als een versleten kozakkenlaars in de modder. Die afdruk stond vol water wat mij tot bespiegeling aanzette.
‘Verveling is voor een schrijver een uitgelezen luxe’ ,hoorde ik Vorelsmani in mijn bovenkamer op bezwerende toon prevelen, ‘uit die luxe wordt alle echte literatuur geboren…niet uit noodzaak geboren, maar juist uit goddelijke verveling…’
Verveling was dus een muze…en deze luxe muze werd mij letterlijk in de schoot geworpen. Had de schepper zich ook niet stierlijk verveeld voordat de mens in het leven werd geroepen? Wat hadden dieren of planten voor verhaal? Geen, die wezens leefden in vrede, tevreden zonder verhaal. Vol overgave eten of gegeten worden en vredig vegeteren. Maar mensen leefden hun eigen verhaal alsof het alleen dan echt was, liefst met zichzelf als hoofdpersoon, als held. Geen dier of plant lag wakker van heldendom.
De wijze woorden van Barvo indachtig besloot ik op dit lucide lege moment mijn bovenkamer in te richten als schrijftatelier. Niemand zou mij hier boven kunnen betrappen op het beoefenen van letterkunde. Hier zou ik voortaan gaan schrijven, in deze sereen ongemeubileerde ruimte. Mijn blanco geheugenvellen zouden als pagina’s dienen. Geen inkt, maar met puur licht zou ik schrijven, zonder pen ,of te wel met geen andere pen dan die van het eenpuntige bewustzijn. Aan publicatie moest ik voorlopig niet denken. Een schuilnaam zou tegen die tijd wel een vereiste zijn, zolang moeder Wami er maar geen lucht van kreeg. Zij had mij niet voor niets gratis gebaard. In sierlijk letters kalligrafeerde ik virtuele letters met eenpuntig bewustzijn gedoopt in licht:
“Gratis gebaard” hoofdstuk 1 , de kop was er af, maar waar was het raam in mijn bovenkamer? En hoe ging dat geheugen dat alles onthouden?

Genen5 (Postbode)

‘Schrijvers zijn allemaal zuiplappen en fantasten’, fulmineerde moeder Wami, ‘en Russische schrijvers worden zelfs dronken geboren… ik heb er heel wat ter wereld gebracht!’ Ze had net de recrutenjagers van de revolutionairen omgekocht met Opa’s geheime inktflessen.
‘Je moet meteen onderduiken tot die gewelddadige gekte voorbij is…ik heb je gratis gebaard, misschien moeten we maar terug naar Lapland, in Kiruna daar gaat de zon in de zomer niet onder en in de winter niet op, een perfecte schuilplaats’ ,verzuchtte ze.
Moeder Wami kwam uit een hechte Samiherdersfamilie, nomaden die met rendierkuddes rondtrokken in Russisch Lapland, Karelië. Tot op een dag die postbode uit Stockholm zijn eigen liefdesbrief bij haar kwam bezorgen. Die postbode was mijn vader Beusgard. Ze viel meteen voor hem, hij was zo ontwapenend onhandig. Hoe was hij haar op het spoor gekomen dat wilde ze weten. Ze hadden elkaar immers nog nooit ontmoet. De verlegen jonge postbezorger vertelde haar eerlijk hoe zijn vriend Ole deze liefdesbrief voor hem had geschreven als voorbeeld hoe je een vrouw kon betoveren. Daarna had hij die brief gekoesterd en alleen nog van zijn toekomstige vrouw gedroomd. In Jokkmok waar hij toevallig een brief moest afleveren had hij haar zien lopen en wist hij het…dat was ze, precies als in zijn droom. Zoals bekend hebben de Sami als nomaden geen brievenbus, dus moest hij de brief wel persoonlijk overhandigen.
Omdat Wami geen Zweeds las, droeg hij het voor. De betovering werkte, Wami smolt.
De jonge Beusgard volgde zijn hart en raakte verzeild in Karelië, Russisch Lapland. De herdersfamilie van Wami had Beusgard verwelkomd alsof hij één van hun kudde was. Net als postbodes trokken de nomaden rond, alleen Beusgard hoedde zijn kudde van brieven een voor een naar hun bestemming. Zorgvuldig was hij wel, hij las elke brief, uit oprecht medeleven.

Genen4 (Zeppelin)

Wat ik al ijlend in dat delirium allemaal meemaakte viel met geen pen te beschrijven…hele werelden werden achteloos uit mijn bestaansgrond opgetrommeld en even later terloops weer vernietigd. Waar zich ooit mijn hoofd bevond voelde als een lekke Zeppelin die ieder moment kon vlamvatten, vol explosieve waanbeelden. Het lijf hing als nat wasgoed aan de waslijn in de najaarswind. Het rilde heftig toen ik mij zelf in een herinnering hervond, liggend in het door mijn opa gefiguurzaagde kinderwiegje luisterend naar de warme stem van moeder Wami die mij een Zweeds slaapliedje toezong.
Toen ik bijkwam uit die hallucinatie lag ik in een gammel veldhospitaalbed. Buiten de tent hoorde ik bevelen schreeuwen, die duidelijk niet werden opgevolgd. Hadden de recrutenjagers mij dan toch te pakken, lag ik hier als ingelijfde van het rode leger? Aan mijn kin betastte ik een vlasbaardje dat ik daarvoor nog nooit gevoeld had. Hoe kwam dat daar. Mijn moeder verbood mij om er als een bebaarde kozak bij te lopen.
Ik had hier kennelijk dagen lang ijldromend gelegen zodat deze geitensik van nesthaar kon ontstaan. Ik hield mij stevig vast aan de sik om mij enige bestaanszekerheid te verschaffen. Het besef drong zich op dat mij nog maar één ding te doen stond in dit ondermaanse: het zwart op wit krijgen van dat wat met geen pen te beschrijven viel, alsof ik voor het onmogelijke in de wieg gelegd was…een uitverkorene. Deze overtuiging zette zich nog obsessiever in mij vast dan voorheen door die sik. Onze dienstbode Wasiljewitsj had mij gevonden, lam onder het bureau van Opa Darpo. Opa’s ‘inkt’ was pure methylalcohol geweest. Ik mocht blij zijn dat ik het overleefd had, zuiver gif was het. Ze verbood mij om ooit nog een letter op papier te schrijven en om onmiddellijk die sik af te scheren, hetgeen ik overmoedig weigerde. Literatuur was niet voor ons soort mensen weggelegd en voor het leger nog minder, zo las mama Wami mij de les,  wij zijn Zweden, neutraal door dik en dun. Die Rus Barvo was dus geen goed gezelschap voor mij. Nadat ze zijn roman ‘Parkietenvlees’ had gelezen mocht ik geen contact meer hebben met dat verdorven literaire beest. De zwaarbesnorde recrutenjager zei dat het bezoekuur voorbij was. Moeder Wami liet mij achter, zogenaamd jammerend gaf zij mij een vette knipoog. Dat ze mij zou verlossen stond vast, ze was niet voor niets vroedvrouw.

Genen3 (Opa Darpo)

Buurman Momzi had zijn gebit ‘afbetaald’, in natura, dat wil zeggen dat de gevel van de tandarts er weer mooi witgekalkt bij stond. Nu hoefde ik Belko niet meer uit te laten. Inmiddels had ik wel de hand kunnen leggen op papier, oude partijnotulen van Opa die voor het toiletgebruik werden verstrekt. Vader had ze op zolder gevonden en ze weggeborgen in zijn geheime afsluitbare Wedelbeier-kast, alsof het waardepapieren betrof. Per wc-bezoek konden we één zuinig velletje van hem krijgen. Ik gebruikte ze niet, maar verzamelde de lege achterkantjes voor mijn ‘Magnus Opus’, mijn literaire meesterproef. Inkt had ik genoeg, flessen vol van grootvader. Het was nu rustig afwachten geblazen voor het juiste moment. Intussen broedde ik op een pakkende titel, alsof de juiste titel het zaadje was waaruit het boek zou ontkiemen. Over het verhaal maakte ik mij geen zorgen dat lag al helemaal besloten in die perfecte beginzin: ‘Ik heb je gratis gebaard!’ Dag na dag mijmerde ik al lanterfantend over de definitieve titel.
‘Trechterziel’ viel af, ‘Woestijnhaar’ was te enigmatisch, ‘Vlooienmacht’ verklapte weer teveel. ‘Mensensafari’ leek tot nog toe de beste. Hele hoofdstukken had ik kunnen schrijven terwijl dure tijd gestaag verdampte door zinloos gezoek, laf uitstelgedrag.
Ik dorst mij niet meer bij kiosk Fourai te vertonen uit angst om de gevierde auteur van ‘Parkietenvlees’ tegen het lijf te lopen. Barvo Vorelsmani zou mij meedogenloos de les lezen, uitfoeteren dat ik nog niet begonnen was met blinde daadkracht. Zijn ogen schoten verzengend vuur in mijn verbeelding, er bleef slechts een hoopje as van mij over. Hoe kon ik hier ooit uit herrijzen als een Feniks, hoewel herrijzen?… ik was nog niet eens uit het ei!
“Gewoon beginnen….gaan, metéén!….op mensensafari!” ,dreunde het door in mijn bovenkamer waarvan ik zojuist de huur had opgezegd….het nu werd ijzingwekkend stil…mijn lichaam begaf zich als een automaat achter het bureau…gestuurd door een buitenaardse macht? Ik werd een getuige…dat mijn hand begon te schrijven. Als betoverd las ik elke letter mee van de schrijvende hand. De ene volzin na de andere vloeide uit mijn vulpen tot die zich leegschreef…..geen probleem, inkt zat.
Grootvaders flessen walnoteninkt stonden binnen handbereik. Met moeite ontkurkte ik de zware zwarte flessen met dat prachtige etiket. Een vreemde en toch bekende geur steeg op uit de dikke flessenhals. Doorzichtige inkt? Had opa Darpo voor de geheime dienst gewerkt…onzichtbare inkt? Welnee, ik rook het al…honderd procent huisgestookte jenever, ingedikt ‘Schervenwater’. Die oude notulist had zich zelf natuurlijk moed ingedronken om al die partijwaanzin op te kunnen schrijven. De geheime inktdrinker. Ik besloot er een te nemen als nagedachtenis aan mijn schrijvende voorzaat. Sterk spul, maar het dronk te lekker weg…alles verzonk in een waas…het begin was er. Het begin van een monumentaal delirium.

Genen 2 (Gratis)

Nog immer had ik geen enkele letter op papier. Tijdens het uitlaten van Belko kostte het mij moeite om uit handen van de recrutenjagers te blijven. Ik had de riem losgelaten en rende schreeuwend voor mijn leven achter de roodharige Wolfshond aan. ‘Mijn hond gaat er vandoor!’ Uitgeput kwam ik via een omweg thuis. Het moederland moest weer eens worden verdedigd door moedig in de aanval te gaan. De kameraden waren weer fanatiek aan het werven voor dat groen geüniformeerde monster dat louter prooien doodt zonder ze daarna netjes op te eten.
‘Zinloos sterven is niets voor een ware Beusgard’ ,peperde moeder mij in.
‘Je kunt beter zinloos leven, ik heb je niet voor niets gebaard!’
‘Nou, dus eigenlijk wel voor niets!’ ,verbeterde ik haar.
‘Goed dan…ik heb je gratis gebaard, laat ik het dan zo zeggen’ ,verbeterde ze zichzelf.
Meteen zag ik mij zelf deze zin opschrijven. Deze beginzin bevatte een hele roman
op zich. Overal had ik vergeefs gezocht naar een stukje papier tot ik het bij gebrek aan beter in mijn handpalm krabbelde om nooit meer te vergeten. Moeder Wami was de enige vroedvrouw voor het gehele oude stadsdeel in Warbovald, in het nieuwe weigerde ze een stap te zetten. Principieel was ze tot op het bot. Zo weigerde ze pertinent om zich in geld te laten uitbetalen, alleen in natura. Dan wist je tenminste wat je in huis had. De duurzame geldinflatie had haar gehard in deze overtuiging, waardoor we inderdaad nogal wat in huis hadden. Onze woning was een soort van spullenmagazijn van overbodige voorwerpen en levensmiddelen, analfabetisch gerangschikt. Moeder wist ongeveer precies waar haar ruilwaren tussen of onder lagen, meestal eronder. Dingen waar niemand op zat te wachten, tot je ze opeens hoogstnodig had. Ons adres werd door de jaren heen een plek van openbare ruilhandel
zonder sluitingstijden. Midden in de nacht kon er iemand aanbellen om het overbodige te ruilen voor een eerste levensbehoefte. Uiteindelijk wilde moeder alleen nog maar conservenblikken incasseren, corsetten had ze inmiddels genoeg. Droge worst wilde ook ze niet meer sinds Belko daar lucht van had gekregen en de voorraadkamer had geplunderd. Toiletpapier was er al jaren niet meer te krijgen nadat de fabriek was afgebrand. Langzaam begon ik te begrijpen waarom mijn schrijverschap maar niet wilde vlotten. Elk snippertje papier werd voor andere, nog dringender behoeftes benut.