Genen7 (Sleutelgaatje)

Onthouden, hoe deed je dat? Vorelsmani had beweerd dat hij zijn gehele roman ‘Parkietenvlees’ had gememoriseerd en gedicteerd aan zijn notulist. Geen geringe prestatie voor een drankzuchtig brein. Hoe deed hij dat dan? Bezat Barvo een fotografisch geheugen?
‘Welnee kameraad Beusgard’, had hij nuchter gereageerd, ‘onthouden werkt veel basaler dan een foto…je moet louter en alleen het onvergetelijke schrijven…zodra je iets vergeet is het evident dat het niet de moeite waard is om op te slaan…begrijp je?…kun je dat onthouden is de verkeerde vraag…kun je het niet meer vergeten? ,daar gaat het om!’
Ik moest erkennen, ik had dit niet kunnen vergeten zo helder stond het mij nog voor de geest.
‘Kijk je brein heeft een ingebouwde redactie, ze redigeert en schrapt spontaan al het overbodige en het onvergetelijke wordt in marmer geciseleerd als in een grafsteen’
‘Heb je dan nooit iets opgeschreven?’ ,riep ik verbijsterd uit.
De parkietenauteur bleef raadselachtig stil, Barvo tuurde na deze vraag over de meanderende rivier waar het laatste zonlicht op was gaan rusten. De rivier stroomde uit naar de nacht, als een feestelijke wapperend lint in de wind.
‘Onvergetelijk!’, verzuchtte de schrijver…’
‘Hoe heb je dat dan geleerd?’ ,drong ik verder aan.
‘Ik vertel je dit in vertrouwen als vakbroeder…vertel dit nooit verder… ik moest wel, ik ben analfabeet…waarom zou ik leren schrijven…? Als je zelf muziek ter plekke kunt uitvinden, waarom zou je dat dan noteren…het zou een schending zijn van de derde literaire wet, die van het eenmalige!’
Deze ontboezeming stond inderdaad in mijn gemarmerde herinnering gebeiteld.
Ik was geschokt in eerste instantie, maar mijn bewondering voor Barvo steeg naar een onpeilbaar niveau.
Hoe kon je weer analfabeet worden? Was er nog wel een weg terug? Waar leerde je dat? Of beter gesteld waar leerde je af? Dit alles vroeg ik mij af hier achter het behang.
Maar hoe zat het met het raam in mijn bovenkamer? Ruim uitzicht, de vijfde wet, was van groot belang voor een schrijver, overzicht en inzicht. Waar moest ik over schrijven zonder raam. Het was nu alsof ik vanuit mijn bovenkamer door een sleutelgaatje naar de buitenwereld tuurde, het perspectief van een muis, terwijl ik de blik van een arend nodig had om tot een epos te komen. Om het grote geheel te kunnen observeren was een groot raamwerk onontbeerlijk. Ik moest zomaar aan buurman Momzi denken die altijd in de bouw had geklust, maar dat kan zijn omdat ik Belko dwars door het behang hoorde blaffen.

Genen6 (Behang)

Mijn vege lijf was voorlopig aan huis gekluisterd. Wami had mij veilig opgeborgen in de geheime ruimte achter het behang. Het stond vast dat we zouden remigreren naar Zweeds Lapland. Vader was de nodige reisbescheiden aan het verzamelen, wat in deze chaotische overgangsperiode richting het arbeidersparadijs niet simpel was. Hij zette heel onze voorraadkamer en huisraad in om de juiste papieren op te kopen.
Wat kon ik hier anders doen dan dromen van mijn schrijverstoekomst. Het praktiseren ervan had moeder mij verboden. Barvo Vorelsmani had echter een onuitwisbare indruk achtergelaten in het moeras van mijn jongensziel, als een versleten kozakkenlaars in de modder. Die afdruk stond vol water wat mij tot bespiegeling aanzette.
‘Verveling is voor een schrijver een uitgelezen luxe’ ,hoorde ik Vorelsmani in mijn bovenkamer op bezwerende toon prevelen, ‘uit die luxe wordt alle echte literatuur geboren…niet uit noodzaak geboren, maar juist uit goddelijke verveling…’
Verveling was dus een muze…en deze luxe muze werd mij letterlijk in de schoot geworpen. Had de schepper zich ook niet stierlijk verveeld voordat de mens in het leven werd geroepen? Wat hadden dieren of planten voor verhaal? Geen, die wezens leefden in vrede, tevreden zonder verhaal. Vol overgave eten of gegeten worden en vredig vegeteren. Maar mensen leefden hun eigen verhaal alsof het alleen dan echt was, liefst met zichzelf als hoofdpersoon, als held. Geen dier of plant lag wakker van heldendom.
De wijze woorden van Barvo indachtig besloot ik op dit lucide lege moment mijn bovenkamer in te richten als schrijftatelier. Niemand zou mij hier boven kunnen betrappen op het beoefenen van letterkunde. Hier zou ik voortaan gaan schrijven, in deze sereen ongemeubileerde ruimte. Mijn blanco geheugenvellen zouden als pagina’s dienen. Geen inkt, maar met puur licht zou ik schrijven, zonder pen ,of te wel met geen andere pen dan die van het eenpuntige bewustzijn. Aan publicatie moest ik voorlopig niet denken. Een schuilnaam zou tegen die tijd wel een vereiste zijn, zolang moeder Wami er maar geen lucht van kreeg. Zij had mij niet voor niets gratis gebaard. In sierlijk letters kalligrafeerde ik virtuele letters met eenpuntig bewustzijn gedoopt in licht:
“Gratis gebaard” hoofdstuk 1 , de kop was er af, maar waar was het raam in mijn bovenkamer? En hoe ging dat geheugen dat alles onthouden?

Genen5 (Postbode)

‘Schrijvers zijn allemaal zuiplappen en fantasten’, fulmineerde moeder Wami, ‘en Russische schrijvers worden zelfs dronken geboren… ik heb er heel wat ter wereld gebracht!’ Ze had net de recrutenjagers van de revolutionairen omgekocht met Opa’s geheime inktflessen.
‘Je moet meteen onderduiken tot die gewelddadige gekte voorbij is…ik heb je gratis gebaard, misschien moeten we maar terug naar Lapland, in Kiruna daar gaat de zon in de zomer niet onder en in de winter niet op, een perfecte schuilplaats’ ,verzuchtte ze.
Moeder Wami kwam uit een hechte Samiherdersfamilie, nomaden die met rendierkuddes rondtrokken in Russisch Lapland, Karelië. Tot op een dag die postbode uit Stockholm zijn eigen liefdesbrief bij haar kwam bezorgen. Die postbode was mijn vader Beusgard. Ze viel meteen voor hem, hij was zo ontwapenend onhandig. Hoe was hij haar op het spoor gekomen dat wilde ze weten. Ze hadden elkaar immers nog nooit ontmoet. De verlegen jonge postbezorger vertelde haar eerlijk hoe zijn vriend Ole deze liefdesbrief voor hem had geschreven als voorbeeld hoe je een vrouw kon betoveren. Daarna had hij die brief gekoesterd en alleen nog van zijn toekomstige vrouw gedroomd. In Jokkmok waar hij toevallig een brief moest afleveren had hij haar zien lopen en wist hij het…dat was ze, precies als in zijn droom. Zoals bekend hebben de Sami als nomaden geen brievenbus, dus moest hij de brief wel persoonlijk overhandigen.
Omdat Wami geen Zweeds las, droeg hij het voor. De betovering werkte, Wami smolt.
De jonge Beusgard volgde zijn hart en raakte verzeild in Karelië, Russisch Lapland. De herdersfamilie van Wami had Beusgard verwelkomd alsof hij één van hun kudde was. Net als postbodes trokken de nomaden rond, alleen Beusgard hoedde zijn kudde van brieven een voor een naar hun bestemming. Zorgvuldig was hij wel, hij las elke brief, uit oprecht medeleven.

Genen4 (Zeppelin)

Wat ik al ijlend in dat delirium allemaal meemaakte viel met geen pen te beschrijven…hele werelden werden achteloos uit mijn bestaansgrond opgetrommeld en even later terloops weer vernietigd. Waar zich ooit mijn hoofd bevond voelde als een lekke Zeppelin die ieder moment kon vlamvatten, vol explosieve waanbeelden. Het lijf hing als nat wasgoed aan de waslijn in de najaarswind. Het rilde heftig toen ik mij zelf in een herinnering hervond, liggend in het door mijn opa gefiguurzaagde kinderwiegje luisterend naar de warme stem van moeder Wami die mij een Zweeds slaapliedje toezong.
Toen ik bijkwam uit die hallucinatie lag ik in een gammel veldhospitaalbed. Buiten de tent hoorde ik bevelen schreeuwen, die duidelijk niet werden opgevolgd. Hadden de recrutenjagers mij dan toch te pakken, lag ik hier als ingelijfde van het rode leger? Aan mijn kin betastte ik een vlasbaardje dat ik daarvoor nog nooit gevoeld had. Hoe kwam dat daar. Mijn moeder verbood mij om er als een bebaarde kozak bij te lopen.
Ik had hier kennelijk dagen lang ijldromend gelegen zodat deze geitensik van nesthaar kon ontstaan. Ik hield mij stevig vast aan de sik om mij enige bestaanszekerheid te verschaffen. Het besef drong zich op dat mij nog maar één ding te doen stond in dit ondermaanse: het zwart op wit krijgen van dat wat met geen pen te beschrijven viel, alsof ik voor het onmogelijke in de wieg gelegd was…een uitverkorene. Deze overtuiging zette zich nog obsessiever in mij vast dan voorheen door die sik. Onze dienstbode Wasiljewitsj had mij gevonden, lam onder het bureau van Opa Darpo. Opa’s ‘inkt’ was pure methylalcohol geweest. Ik mocht blij zijn dat ik het overleefd had, zuiver gif was het. Ze verbood mij om ooit nog een letter op papier te schrijven en om onmiddellijk die sik af te scheren, hetgeen ik overmoedig weigerde. Literatuur was niet voor ons soort mensen weggelegd en voor het leger nog minder, zo las mama Wami mij de les,  wij zijn Zweden, neutraal door dik en dun. Die Rus Barvo was dus geen goed gezelschap voor mij. Nadat ze zijn roman ‘Parkietenvlees’ had gelezen mocht ik geen contact meer hebben met dat verdorven literaire beest. De zwaarbesnorde recrutenjager zei dat het bezoekuur voorbij was. Moeder Wami liet mij achter, zogenaamd jammerend gaf zij mij een vette knipoog. Dat ze mij zou verlossen stond vast, ze was niet voor niets vroedvrouw.

Genen3 (Opa Darpo)

Buurman Momzi had zijn gebit ‘afbetaald’, in natura, dat wil zeggen dat de gevel van de tandarts er weer mooi witgekalkt bij stond. Nu hoefde ik Belko niet meer uit te laten. Inmiddels had ik wel de hand kunnen leggen op papier, oude partijnotulen van Opa die voor het toiletgebruik werden verstrekt. Vader had ze op zolder gevonden en ze weggeborgen in zijn geheime afsluitbare Wedelbeier-kast, alsof het waardepapieren betrof. Per wc-bezoek konden we één zuinig velletje van hem krijgen. Ik gebruikte ze niet, maar verzamelde de lege achterkantjes voor mijn ‘Magnus Opus’, mijn literaire meesterproef. Inkt had ik genoeg, flessen vol van grootvader. Het was nu rustig afwachten geblazen voor het juiste moment. Intussen broedde ik op een pakkende titel, alsof de juiste titel het zaadje was waaruit het boek zou ontkiemen. Over het verhaal maakte ik mij geen zorgen dat lag al helemaal besloten in die perfecte beginzin: ‘Ik heb je gratis gebaard!’ Dag na dag mijmerde ik al lanterfantend over de definitieve titel.
‘Trechterziel’ viel af, ‘Woestijnhaar’ was te enigmatisch, ‘Vlooienmacht’ verklapte weer teveel. ‘Mensensafari’ leek tot nog toe de beste. Hele hoofdstukken had ik kunnen schrijven terwijl dure tijd gestaag verdampte door zinloos gezoek, laf uitstelgedrag.
Ik dorst mij niet meer bij kiosk Fourai te vertonen uit angst om de gevierde auteur van ‘Parkietenvlees’ tegen het lijf te lopen. Barvo Vorelsmani zou mij meedogenloos de les lezen, uitfoeteren dat ik nog niet begonnen was met blinde daadkracht. Zijn ogen schoten verzengend vuur in mijn verbeelding, er bleef slechts een hoopje as van mij over. Hoe kon ik hier ooit uit herrijzen als een Feniks, hoewel herrijzen?… ik was nog niet eens uit het ei!
“Gewoon beginnen….gaan, metéén!….op mensensafari!” ,dreunde het door in mijn bovenkamer waarvan ik zojuist de huur had opgezegd….het nu werd ijzingwekkend stil…mijn lichaam begaf zich als een automaat achter het bureau…gestuurd door een buitenaardse macht? Ik werd een getuige…dat mijn hand begon te schrijven. Als betoverd las ik elke letter mee van de schrijvende hand. De ene volzin na de andere vloeide uit mijn vulpen tot die zich leegschreef…..geen probleem, inkt zat.
Grootvaders flessen walnoteninkt stonden binnen handbereik. Met moeite ontkurkte ik de zware zwarte flessen met dat prachtige etiket. Een vreemde en toch bekende geur steeg op uit de dikke flessenhals. Doorzichtige inkt? Had opa Darpo voor de geheime dienst gewerkt…onzichtbare inkt? Welnee, ik rook het al…honderd procent huisgestookte jenever, ingedikt ‘Schervenwater’. Die oude notulist had zich zelf natuurlijk moed ingedronken om al die partijwaanzin op te kunnen schrijven. De geheime inktdrinker. Ik besloot er een te nemen als nagedachtenis aan mijn schrijvende voorzaat. Sterk spul, maar het dronk te lekker weg…alles verzonk in een waas…het begin was er. Het begin van een monumentaal delirium.

Genen 2 (Gratis)

Nog immer had ik geen enkele letter op papier. Tijdens het uitlaten van Belko kostte het mij moeite om uit handen van de recrutenjagers te blijven. Ik had de riem losgelaten en rende schreeuwend voor mijn leven achter de roodharige Wolfshond aan. ‘Mijn hond gaat er vandoor!’ Uitgeput kwam ik via een omweg thuis. Het moederland moest weer eens worden verdedigd door moedig in de aanval te gaan. De kameraden waren weer fanatiek aan het werven voor dat groen geüniformeerde monster dat louter prooien doodt zonder ze daarna netjes op te eten.
‘Zinloos sterven is niets voor een ware Beusgard’ ,peperde moeder mij in.
‘Je kunt beter zinloos leven, ik heb je niet voor niets gebaard!’
‘Nou, dus eigenlijk wel voor niets!’ ,verbeterde ik haar.
‘Goed dan…ik heb je gratis gebaard, laat ik het dan zo zeggen’ ,verbeterde ze zichzelf.
Meteen zag ik mij zelf deze zin opschrijven. Deze beginzin bevatte een hele roman
op zich. Overal had ik vergeefs gezocht naar een stukje papier tot ik het bij gebrek aan beter in mijn handpalm krabbelde om nooit meer te vergeten. Moeder Wami was de enige vroedvrouw voor het gehele oude stadsdeel in Warbovald, in het nieuwe weigerde ze een stap te zetten. Principieel was ze tot op het bot. Zo weigerde ze pertinent om zich in geld te laten uitbetalen, alleen in natura. Dan wist je tenminste wat je in huis had. De duurzame geldinflatie had haar gehard in deze overtuiging, waardoor we inderdaad nogal wat in huis hadden. Onze woning was een soort van spullenmagazijn van overbodige voorwerpen en levensmiddelen, analfabetisch gerangschikt. Moeder wist ongeveer precies waar haar ruilwaren tussen of onder lagen, meestal eronder. Dingen waar niemand op zat te wachten, tot je ze opeens hoogstnodig had. Ons adres werd door de jaren heen een plek van openbare ruilhandel
zonder sluitingstijden. Midden in de nacht kon er iemand aanbellen om het overbodige te ruilen voor een eerste levensbehoefte. Uiteindelijk wilde moeder alleen nog maar conservenblikken incasseren, corsetten had ze inmiddels genoeg. Droge worst wilde ook ze niet meer sinds Belko daar lucht van had gekregen en de voorraadkamer had geplunderd. Toiletpapier was er al jaren niet meer te krijgen nadat de fabriek was afgebrand. Langzaam begon ik te begrijpen waarom mijn schrijverschap maar niet wilde vlotten. Elk snippertje papier werd voor andere, nog dringender behoeftes benut.

Genen (Barvo)

Vandaag vroeg opgestaan, met zo’n onbedwingbare drang om te schrijven, maar had geen beginzin, geen onderwerp. Verweesd langs de oever van de Umber gelopen, die buiten haar oevers was getreden door de gesmolten gletscher. Halverwege de zonnige parkzijde kwam ik Barvo Vorelsmani tegen die zijn roman Parkietenvlees net had gepubliceerd. De recensies waren laaiend vertelde hij gedeprimeerd. We dronken wat Schervensap, illegaal gestookte genever, bij kiosk Fourai naast de vermaarde Vezilsbrug. Barvo moedigde mij aan te gaan schrijven, het maakte niet uit wat. Ik klaagde dat ik het zo graag wilde maar er steeds niet aan toe kwam. ‘Telkens komt er wat tussen Barvo, wordt er aangebeld, gaat de telefoon, blaft de buurhond tegen de kat op het balkon van juffrouw Wasselgenk…het is gekmakend!’
‘Bazel niet Beusgard, blinde daadkracht, daar komt het op aan, knip godnogaantoe alle kabels door inclusief die hondenriem, jaag dat kreng de straat uit, maar schrijven zal je!’ ,riep Vorelsmani begeesterd, ‘ons soort volk is daartoe voorbestemd!’
‘En vergeet dat wufte wezen van Wasselgenk…die gunt jou geen blik waardig Beus!’
Ik moest hem beloven zijn advies uit te voeren en bedankte hem. God, wat had ik zin om te gaan schrijven, ik kon niet wachten om te beginnen. Maar eerst knipte ik de vaste telefoonlijn door, de deurbel saboteerde ik door een kartonnetje tusen de contactpuntjes te leggen…zo eindelijk rust. Even wat eten en dan zou ik achter mijn bureau plaatsnemen, het bureau van mijn grootvader Darpo die ik nooit had gekend.
Die was notulist geweest bij de Partij, talloze partijvergaderingen had hij uitgewerkt tot hij er zelf de partij werd uitgewerkt. Het schrijven zat mij dus in de genen zo maakte ik mij zelf wijs. Ik had wel eens wat dingetjes geschreven…op winkelbonnetjes, op onbezorgbare enveloppen van mijn vader die postbode was. Mijn vader las geen boeken, maar wel de brieven die hij moest bezorgen. De wereld was een levende roman zo hield hij mij voor. Waarom verzonnen literatuur lezen als je het echte leven kon lezen van echte mensen van vlees en bloed met een eigen brievenbus. Waar moest ik over schrijven? Ik maakte nooit iets mee. Ik was een man zonder geschiedenis. En hoe moest je beginnen, welke eerste zin was de juiste beginzin? Ik wilde net mijn pen op papier zetten toen er hard op mijn deur gebonkt werd. ‘Hé, Beusgard, je had beloofd Belko uit te laten, hij heeft in de salon gepist!’ ,klonk het.
Het was buurman Momzi, die naar de tandarts moest om de gevel van zijn huis te schilderen, betaling in natura in ruil voor het nieuwe bovengebit dat Momzi steeds beter ging passen. Inwendig vloekte ik: ‘Waar moet ik over schrijven, ik weet niets en nu die hond weer…en ik hou zo van schrijven…er stroomt van nature pure inkt door mijn aderen…of moet ik mij beter omscholen tot postbode?’ Toen ik opendeed kreeg ik meteen een warmnatte lik in mijn gezicht van Belko, de Ierse Wolfshond. Momzi lachte zijn nieuwe tanden bloot.