Oude jongen

De Oude en de jonge jongen zaten voor het huisje naar de zonsopgang te kijken.

‘Hoor je die stilte, Vaal Veulen?’

‘Nee, ik hoor niks’.

‘Mooi zo, ik hoor nu oorsuizingen, vroeger kon ik ook niks horen maar mijn oren gaan achteruit…nu beginnen mijn oren zelf liedjes te fluiten’.

………..

‘Zie je die verdwenen wolk daar naast dat verbleekte maantje?’

‘Nee, ook niet, ik zie alleen maar blauwe hemel’ ,zei Veulen.

‘Mooi…maar ik zie toch duidelijk een vaag wolkje…ach ja, het zal wel staar zijn, mijn ogen worden troebel….dat zie ik glashelder’.

……….

‘Voel je wel dat de wind is gaan liggen?’ ,vroeg Tandeloos even later.

‘Nee, ik voel helemaal geen wind!’

‘Ik voel haar op mijn arm!’ ,grinnikte Tandeloos.

‘Hoe kan dat, u hebt geen haar meer op uw armen!’ ,lachte Vaal Veulen.

‘Nee dat klopt, ik ben onderhand al zo kaal als de maan’.

Nu besloot Veulen zijn oude vriend verrassen met een vraag:

‘Ruikt u dat,meester Tandeloos? Deze bloem hier heeft geen geur!’

‘Misschien vergis je je, Veulen. Wellicht heeft ze geen geur meer over…of heeft ze nog geen geur…wellicht is ze een avondbloeier, net als ik…ruik maar eens vanavond’ ,mijmerde Tandeloos.

……….

De zon was nu volmaakt rondgegroeid boven de einder, oranjerood als een bloedsinaasappel.
Tandeloos raakte door de kleur in vervoering:

‘Moet je deze zon eens proeven Vaal Veulen! ….ze smaakt…ze smaakt naar…naar meer…naar…..’

‘Naar alles!’ ,vulde Veulen aan, ‘alles krijgt haar smaak van deze zon’.

Tandeloos likte z’n lippen alsof hij de zon zojuist had ingedronken.

Vaal Veulen genoot van zijn oude vriend die net als de zon straalde, oranjerood…
alsof hij in bloei stond…en dat in de ochtend.

Spul

‘Weet jij eigenlijk, Vaal Veulen, wat water is?’ ,vroeg Tandeloos zomaar tussen neus en lippen aan Vaal Veulen, alsof dat de gewoonste vraag ter wereld was.

Veulen had net een slok willen nemen…hij bleef stil, er zat vast weer iets achter…
‘Waarom vraagt u dat aan mij, weet u het zelf niet?’ , antwoordde Veulen slim om het antwoord te ontwijken.

‘Inderdaad, hoe wist je dat Vale, dat ik geen idee heb wat water is, je bent een slimme jongen dat je weet dat ik dat niet weet?’

Vaal Veulen keek bedenkelijk naar de Oude die gewoon doorvroeg:
‘Maar vertel mij alsjeblieft, dit glas water, wat is dit in hemelsnaam voor spul?’

Veulen voelde nattigheid, maar hij moest nu wel een verklaring voor water gaan verzinnen:
‘Het is nat….vloeibaar….je kunt het drinken…erin zwemmen’.

‘Ja, dat weet ik zelfs nog’ ,zei Tandeloos, ‘maar dat zijn kenmerken, namen voor eigenschappen en bruikbaarheid, maar wat is water voor spul?

‘Spul?….wat bedoelt u, water is zo waterachtig…waar wilt u naartoe?’

‘Weet je, dit water is nu vloeibaar, maar soms is het zo hard als ijs, kan het rotsen breken…of soms zo zacht als sneeuw zijn…dan weer vervliegt het tot waterdamp…het kan alle vormen aannemen en tegelijk kan het vormloos zijn als de wind….zie je die wolk daar?…zwevend water, misschien is het wel een voormalige ijsberg die daar hoog in de hemel drijft? ….water is in de lucht die we ademen, we leven binnen een dampkring van het water…als vissen op het droge!’ , grapte Tandeloos.

‘Voormalig…Vissen?…IJsberg?’ , herhaalde Veulen duizelig, ‘Water heeft inderdaad niet één verschijningsvorm’.

‘Begrijp je nu wat ik niet begrijp?’ ,vroeg Tandeloos.

‘Goed, ik geef toe dat ik ook niet weet wat water is’ ,erkende Veulen.

‘Dan begrijpen wij elkaar’ ,zei Tandeloos, ‘kom drink wat water….proef het goed, en vertel: waar smaakt dat naar? En als je dat proeft, wat weet je dan?’

Veulen nam nipjes uit het glas water.
‘Het smaakt niet echt naar iets, het smaakt eigenlijk nergens naar!’

‘Zo is het, je weet niet wat je proeft en dat niet weten noem je dan water!’ ,zei Tandeloos rustig.

‘Op school leerde ik dat water uit twee waterstofjes bestaat en één zuur stofje!’,
probeerde Veulen te verklaren.

‘Dat is interessant, maar wat is dan een waterstofje? En wat is een zuur stofje?
En waarom zijn er twee waterstofjes nodig en maar één zuurstofje om water te maken?
Met andere woorden: eerst wisten we één ding niet, en nu weten we twee dingen niet!’

‘Maar water is gewoon water omdat het nu eenmaal zo is!’

‘Omdat het zo is? ,wat is ‘Zo’ dan?…is water niet juist ongewoon, is water niet mysterieus, ongrijpbaar…probeer het maar eens te grijpen, zonder water zou er geen leven bestaan, het is niet vanzelfsprekend dat het er zomaar is’.

‘Is het gewone dan een wonder?’

‘Weet je Veulen, als we nu al niet weten wat water precies is, wat weten we dan eigenlijk wel precies?’ ,vroeg de Oude zich af.

‘Dat het gewone helemaal niet zo gewoon is?’

‘Jij zegt het…als we ergens een naam voor verzonnen hebben wil dat natuurlijk niet zeggen dat we iets begrijpen, als we dat inzien kunnen we aan de naam voorbij gaan en verder onderzoeken’.

‘Is het niet wonderlijk dat we het wonder niet zien in het gewone dagelijkse leven?’ ,vroeg Veulen.

‘Heel wonderlijk’ ,beaamde Tandeloos, ‘bestaat er wel een gewoon dagelijks leven?’

Vaal Veulen keek in zijn glas, naar wat er in had gezeten.

Eerlijk gezegd

Vaal Veulen was met overduidelijke weerzin het tuinpad aan het vegen.
Zijn gezicht sprak boekdelen vol ergernis en verveling.

‘Zeg eens Veulen, kun je niet wat vrolijker vegen, het klinkt zo zwaarmoedig, zulk gezwoeg op deze prachtige ochtend’ , vroeg Tandeloos vriendelijk.

‘Ik heb eerlijk gezegd helemaal geen zin om te bezemen’ , bekende Vaal Veulen.

‘Waarom doe je het dan, ….. eerlijk gezegd?’ , vroeg Tandeloos gespeeld bezorgd.

‘Ik wil niet dat u over het vuil valt meester Tandeloos….en als ik het niet doe dan doet niemand het!’

‘Haha, Vale dan laat je het ‘niemand’ toch doen!….niemand doet het vast heel graag, dat weet ik heel zeker’, verklaarde Tandeloos opgewekt, ‘vraag het maar eens aan niemand!’

‘Niemand?’ ,herhaalde Veulen verbaasd, ‘wat bedoelt u daar nou weer mee?’

‘Luister goed Vale,….eerlijk gezegd…heeft er nog nooit iemand gefietst, want alleen een fiets kan fietsen!’ Tandeloos wees verwonderd naar de wolken die doelloos voortdreven.
‘Niemand bakte ooit een brood, want alleen brood kan bakken. Niemand zaagt, alleen een zaag zaagt’.

‘Dus alleen bezems kunnen vegen?’ , probeerde Vaal Veulen.

‘Juist, je hoeft ze alleen wat leven in te blazen en ze vegen zo alles aan de kant!’

Vaal Veulen keek bedenkelijk. ‘Maar mijn handen moeten toch het werk doen?’

‘Precies, maar zie je niet dat je handen handelen, zie je niet dat  handen al dat werk doen?’
‘Schrijf maar eens op wat we net hebben besproken dan zul je zien dat alleen de pen kan schrijven…er is geen schrijver!’

Vaal Veulen ging aan tafel zitten en zag de pen in zijn hand schrijven wat er allemaal gezegd was.
Moeiteloos ontstonden er woorden op het papier, zonder schrijver.

‘Lees het maar voor als je wilt’ , vroeg Tandeloos benieuwd.

Na het voorlezen vroeg de Oude: ‘En Veulen, ging dit niet vanzelf, was er niet alleen lezen? Of zag jij ergens een lezer?’

Vaal Veulen wist niet wat hij nog wilde zeggen.

‘Zie je Veulen, laat je leven door het bestaan en alles zal vanzelf gaan….vele
mensen klagen dat het leven ze ontglipt, dat het als los zand door de handen loopt,
maar dat is juist de bedoeling, zonder doel zijn’ ,legde Tandeloos uit.

Vaal Veulen begreep er niets van, maar na deze dag verwonderde hij zich erover dat het pad geveegd werd, dat het brood gebakken werd, dat de soep kookte.
Het leven bleek nog steeds wonderlijker te zijn dan Veulen zich kon voorstellen.

Vracht

Vòòr de jonge jongen bij meester Tandeloos arriveerde wilde hij gaan reizen. Op de dag van zijn vertrek kwam hij ‘de Oude’ tegen op de markt waar een vrachtwagen zou vertrekken, waarheen?…. naar ver weg van zijn geboortedorp.

‘Waar ga je naartoe?’, vroeg Tandeloos die hem wel van gezicht kende, een van de vele kinderen in het dorpje die ‘Jong Veulen’ werd genoemd.

‘Ik trek de wereld in, om mijn plaats in de wereld te zoeken’, had de jongen weifelend geantwoord wachtend met een zak vol bagage.

‘Hoe weet je waar je op je plek bent…misschien is je plek wel hier?’, vroeg Tandeloos zich af, ‘maar wie weg moet kan niet blijven’.

‘Bent u dan nooit op reis geweest meester Tandeloos?’, vroeg de jongen.

‘Zeker wel, Jong Veulen, vanaf mijn geboorte ben ik onderweg geweest. Mijn leven zelf is de reis.’

‘Waar ging u dan naartoe?’

‘Nergens naartoe, ik ging op reis naar binnen.
Naar het innige midden…het land dat achter je gesloten oogleden oplicht’

‘Wat voor land is dat dan?’, vroeg Veulen nieuwsgierig.

‘Het is een land zonder bodem…waar geen mensen wonen…het licht alleen maar op’, lichtte de Oude toe.

‘Wie of wat woont daar dan…zo zonder bodem, zei u?’ De jongen wilde de oude niet beledigen, maar moest erom lachen.

‘Ach , hoe moet ik het zeggen…niemand in het bijzonder’ , zei Tandeloos zacht mee lachend, ‘oorspronkelijke natuur woont daar, zij die alles en iedereen bezielt’

‘Is dat ver reizen, naar het midden van dat binnen-land?’

‘Welnee, het binnen land kent geen enkele afstand… het is het meest dichtbije…en juist dat maakt het zo schijnbaar moeilijk bereikbaar’

‘Schijnbaar ?’ vroeg Veulen ongelovig.

‘Inderdaad , schijnbaar schijnt het grootste obstakel voor de mens te zijn…het lijkt alleen maar zo…maar toch!’ , verklaarde Tandeloos.

‘Maar…wat zo lijkt is het niet!’, vatte Veulen samen.

‘Zo is het, dat heb je goed gezien jonge jongen!’

‘Wat een wonderlijk vreemd land moet dat zijn!’

‘In tegendeel binnen-land is het meest vertrouwde, het meest natuurlijke.
Als je het eenmaal weet te liggen ben je er nooit weggeweest. De reis naar binnen is een thuisreis. Een reis zonder bagage, binnen is er oneindige ruimte, maar geen plaats voor bagage.

‘Ik ben al eens aan de overkant van de grote rivier geweest, daar was de wereld al heel anders, met andere mensen die anders spraken, ik verstond ze niet’, herinnerde Veulen zich hardop.

‘In het binnen-land is geen taal nodig, alle woorden schieten te kort voor het onuitsprekelijke, alles wordt anders, gezien vanuit het binnen-land, anders dan je ooit kunt bedenken’, De ‘Oude’ krabde onder zijn voet.

‘Ik twijfel nu aan mijn wereldreis’, zei Veulen turend naar de horizon.

‘Ontdek het binnen-land en de hele wereld reist door je heen!’ , verklaarde Tandeloos met z’n ogen dicht en zijn oude handen op z’n hart.

De vrachtwagen waar Veulen mee zou vertrekken stond inmiddels klaar. De vracht was opgeladen, nu Veulen nog.
Tandeloos stond aan de kant en zwaaide de vrachtwagen uit. Toen ze uit zicht waren keerde ‘de Oude’ terug, naar binnen.

Geestig

Vaal Veulen had de afgelopen nacht geen oog dicht gedaan. Tenminste, zijn ogen gingen nog wel dicht, maar de slaap wilde maar niet op bezoek komen. Alsof hij vergeefs op niemand had liggen wachten.

Meester Tandeloos had hem voor het slapen opgedragen om eerst zijn geestesoog te sluiten.

‘Waar waren de oogleden van dit geestesoog?’, dat had hij zich stil liggend afgevraagd.

Hij kon alleen maar denkbeeldige oogleden bedenken…en om die denkbeeldig te sluiten
dat ging ook nog wel, maar het bleef na het sluiten even licht als daarvoor. Het leek zelfs nog helderder dit licht, stil liggend.
Het wilde maar niet donker worden.

De volgende ochtend had Tandeloos doodleuk tegen hem gezegd:

‘Goed gedaan Vale, ik zie aan je dat het gelukt is!’ Daarna had de oude onhoorbaar gegrinnikt.

‘Maar… het is juist helemaal niet gelukt’, had Veulen slaperig tegengesputterd.

‘Juist, het is maar dat je het weet!’, lachte Tandeloos hem toe.

‘U bedoelt dat je het geestesoog niet kan sluiten…wat gemeen…om mij te laten zoeken’, riep Veulen ontgoocheld.

‘Dat niet alleen…je kunt het geestesoog dus ook niet openen in het al-gemeen!’.
Tandeloos had geschuddebuikt.

‘Het geestesoog lijkt dan wel op de zon, die ook altijd schijnt!’, probeerde Vaal Veulen te vergelijken.

‘Dat schijnt zo!’, is dat niet geestig van dat geestesoog?, verklaarde Tandeloos opgewekt terwijl hij naar de ochtendzon wees.

‘Ik ga nog even liggen!’, zei Veulen.

‘Goeiemorgen welterusten!’, zei de oude zacht.

Wolkje

Er gleed een fronsend wolkje over het nog gave gezicht van Veulen.
Tandeloos merkte het op met zijn ogen dicht.

‘Is er soms zwaar weer op komst, Vale of dacht je alleen maar aan een donkere lucht?’ ,vroeg hij zacht.

De jongen keek verwonderd naar het rijk berimpelde gezicht van Tandeloos.

‘Ik vroeg mij af of het niet erg dom is om niet te weten…de jongens in het dorp….?’

Tandeloos onderbrak hem en zei:
‘Is weten dat je dom bent niet het begin van het wijze?… is weten dat je niet weet niet een mooi beginloos begin om bij te blijven?’

‘Waar dient een ‘beginloos begin’ nu toe?’

‘Niet-weten geeft toegang tot wat werkelijk is, als je bij dit beginloze begin blijft dan kun je dit hier blijvend onderzoeken…zit het zus?…zit het zo?…of zit het anders?…zit alles tegelijkertijd moeiteloos naast elkaar?….of zit het niet?’

‘Zit het dan ook wel eens niet?’, vroeg Veulen verbaasd.

‘In verreweg de meeste gevallen…zit het niet!’ ,zei Tandeloos opgeruimd…

‘Het is in alle gevallen het beste om oprecht te onderkennen dat je niet weet… dan blijft het begin tenminste open’

‘Hoe kan ik dat niet-weten dan bereiken?’ ,vroeg de Vale.

‘Wat je al bent is onbereikbaar’ ,zei Tandeloos.

Het klonk raadselachtig eenvoudig.

‘Je bent één en al niet-weten, Vaal Veulen, waarom zou je dit anders vragen?’

‘Één en al’ , herhaalde Vaal Veulen en haalde zijn schouders op terwijl hij probeerde de achterkant van zijn ogen te bekijken.

‘Ik begrijp er niets meer van!’ , zo gaf Veulen met een diepe zucht toe.

‘Is dat dan geen goed beginloos begin!’ ,zei Tandeloos met een verwonderde blik.

‘Is dit dan soms een geval van ‘zit het niet?’ ,probeerde Vaal Veulen nog.

‘Ik weet het niet, Veulen!’ ,bekende Tandeloos opgeruimd, ‘laten we samen dit
beginloze begin onderzoeken’.

‘Wat onderzoeken we eigenlijk?’ , vroeg Vaal Veulen plots uit het niets’

‘Ha’, riep Tandeloos ‘Het is kennelijk al opgelost…een typisch geval van ‘zit het niet’ ,
waar is het nu in opgelost?’

‘Ik weet het niet’ ,zei Veulen opgelucht.

‘Zie je wel!’ ,lachte Tandeloos, ‘nu snappen wij er samen helemaal niets van!’

‘Één en Al’ ,zei Vaal Veulen blij.

Wijsje

‘Meester Tandeloos, er zijn mensen die beweren dat het mysterie niet bestaat, omdat niemand ooit het mysterie heeft gezien’.

‘Inderdaad Veulen, er zijn mensen die alleen erkennen wat zij zien, ze vinden het moeilijk om te erkennen dat ze veel meer niet-weten dan wel-weten’.

‘Hoe kan dat?’, vroeg Veulen.

‘Ze klampen zich vast aan objecten om grip te krijgen, ze willen geen mysterie zien , laat staan mysterie zijn’.

‘Waar is dat mysterie dan in ons, meester Tandeloos?’

‘Waar is het niet, Vaal Veulen? Niemand heeft ooit de ruimte gezien, zij is onzichtbaar, maar waar is zij niet?
‘Wij zien alleen ‘de tienduizend dingen’ die in deze ruimte verschijnen’
‘Waar begint zij en waar houdt zij op?’
‘Niemand weet het… en toch is ruimte onmiskenbaar’.

Vaal Veulen keek naar de ruimte tussen de dingen en wist niet goed waar hij naar keek.

‘Heeft iemand ooit de wind gezien?’ ging Tandeloos verder.
‘We zien alleen maar gevolgen van de wind, in de wolken, in de bomen, in het water’.

Vaal Veulen blies tegen de kaarsvlam op tafel die begon te flakkeren.

‘Heeft iemand ooit de stilte gezien of gehoord?’ vervolgde Tandeloos, ‘toch zwemt iedere klank in deze zee van stilte
,als een visje.’

Veulen luisterde ademloos…hij
wilde de visloze stilte eigenlijk niet verbreken, maar vroeg toch:
‘Hoe zou u het mysterie in ons dan omschrijven?’

‘Als ruimte gevuld met een windstille aanwezigheid…die schittert…hoe zou ik dat weten Veulen?, vroeg Tandeloos plechtig weifelend.

Vergeefs probeerde oude Tandeloos een wijsje te fluiten. Er was niets te horen, maar de oude raakte er helemaal van in vervoering.
Hij zag hoe Veulen in verwondering zijn lippen tuitte. ‘Fluit maar mee, jongen’, moedigde hij aan.

‘Maar ik ken het wijsje niet’, zei Vaal Veulen.

‘Maakt niet uit Veulen, je kunt het heel goed, elke toon is namelijk goed…dit wijsje bestaat uit alle tonen’, Tandeloos ging verder.

Vaal Veulen probeerde het, begreep er niets van en vond het ongehoord mooi.

Vrucht

Vaal Veulen had op de markt een nieuwe vrucht gekocht. De vrucht leek niet op iets anders dat hij kende. De koopman had hem aangeraden voor meester Tandeloos.

‘Kijk nu eens meester wat ik gevonden heb!’,
riep Veulen toen hij thuiskwam.

‘Wat heb je daar nu, dat ding lijkt nergens op…Hoe heet het? ‘, vroeg Tandeloos.

‘ Ik weet het niet meer, de naam ben ik vergeten…maar de smaak…je weet niet wat je proeft, hij smaakt nergens naar….!’

‘dat is bijzonder! ‘ zei Tandeloos verheugd,
‘maar beschrijf mij nu eens precies hoe hij smaakt’, ik heb wel zin in een sappig verhaal!’

Vaal Veulen begon weifelend: ‘Sappig…fris…
Zoetachtig…notig…zachtzuur…..met een lekker weeïge nasmaak’ Tevreden keek hij de oude aan.

‘Klinkt goed’, beaamde Tandeloos, ‘maar nu weet ik nog niets…waar lijkt het op….op een andere vrucht of zo?’

‘Het lijkt op veel vruchten, maar wat ergens op lijkt is natuurlijk nooit hetzelfde…dit smaakt echt nergens naar!’, moest Veulen bekennen.

‘hmm!, Nergens naar…hoe weet je dat…ben je wel eens nergens geweest?’, vroeg Tandeloos, ‘weet jij dan waar nergens naar smaakt?’

De jongen bedacht dat hij, waar hij ook was altijd ergens was geweest en nooit nergens.
‘ U hebt gelijk meester Tandeloos, ik ben altijd ergens geweest en dat noemen we Hier!’

Tandeloos kreeg een raadselachtige grijns op zijn verweerde gezicht en vroeg:
‘Smaakt dan niet alles naar Hier?’

Veulen moest tot tranen toe lachen en wist niet waarom.

‘Kom laat eens mij eens proeven van die Wolbek! ‘, zei Tandeloos opgewekt.

‘U kent hem dus wel!’, riep de jongen en sneed een stuk van de bonkige vrucht af en lepelde het vruchtvlees eruit zoals de koopman het voor gedaan had.

‘Ik heb één eerste keer de Wolbek geproefd, dat was de vorige keer’, Tandeloos slobberde het zo naar binnen en zuchtte verzaligd.
‘kijk, nu weet ik in één hap waar je net nog over zat te bazelen’

Veulen nam zelf ook een hap en proefde onmiddellijk wat de oude bedoelde.

‘Kijk’, zei Tandeloos,’ het proeven van de eerste keer is iets ongekends, je weet niet wat je meemaakt…pas de tweede keer kan er herkenning zijn…maar de eerste keer is vormloos en naamloos…Nu is de kunst om ook de tweede keer als eerste kennismaking te beleven, dan is het Hier onvergelijkelijk!’

Vaal Veulen probeerde de woorden: ‘Nu is de kunst…onvergelijkelijk’ van de oude te proeven…
‘Maar….als je niet weet wat je meemaakt…is dat dan niet nergens?’,probeerde hij voorzichtig.

Tandeloos stak zijn tong uit die zo rood was van de Wolbek en wees naar het puntje.
‘Hier is het…nergens niet!’

‘Dus de eerste keer proeven geeft de lekkerste smaak, welke vrucht het ook is?’
,vroeg Veulen.

‘Ik weet van niks’ zei de oude,’ snij nog maar eens een stuk af van dat heerlijke rare ding!’

Maan

Vaal Veulen had die nacht niet kunnen slapen. Klaarwakker had hij naar de maan liggen turen.

Tandeloos zag het en zei gapend: ‘Zo Vale wat ben jij wakker jongen…ja, wat niet slaapt kan niet ontwaken, nietwaar!’

De jongen had niet goed gehoord wat Tandeloos zei en vroeg: ‘Meester, wat is nu toch de ziel, waar men het soms over heeft?’

De oude keek hem aan zwijgend als een volle maan en zei bedachtzaam:
‘Wat bezielt je, Vaal Veulen om mij deze vraag te stellen?’

‘Omdat er iets in mij wil weten wat het is, de ziel?’

‘Precies dat willen weten, dat is het kenmerk van de ziel’, zei Tandeloos terwijl hij naar de wolk wees die net de maan verduisterde.

‘Maar dat is een kenmerk dat je niet kunt aanwijzen?’

‘Inderdaad, dat is het kennen van het kennen…dat zielsgraag weten is de ziel van het universum…wat zou het universum zijn als het niet wordt gekend ?’

Veulen probeerde zich een ongekend universum voor te stellen, zonder het kennen.
Er verscheen een glimlach op zijn slaperige gezicht.

‘Je houdt het niet voor mogelijk’, zei Tandeloos,’ maar de ziel is datgene wat de tienduizend dingen bezielt… ‘

Het duizelde Vaal Veulen terwijl hij alle dingen in zich op probeerde te nemen.
‘Hoe kan het, dat één ziel alles bezielt?’

Tandeloos greep machteloos in de lucht en keek dan in zijn lege hand.
‘Hoe is een onmogelijke vraag, maar als wat jou onmogelijk lijkt toch mogelijk blijkt, is dat dan geen wonder?’, vroeg Tandeloos

De jongen nam Tandeloos in zich op en zag de gelijkenis van zijn kale schedel met het gezicht van de maan.
‘Is de maan dan ook bezield?’

Tandeloos speurde de ochtendhemel af op zoek naar de maan, die inmiddels was opgelost in het blauwe.

Wijds

Het was op een doodgewone zomerdag dat
Meester Tandeloos plotseling in verwondering mompelde dat hij op deze bewuste dag herboren was, als hij het zich goed herinnerde…?’

‘Maar dan zou het vandaag uw verjaardag zijn!’, riep Vaal Veulen opgewonden, ‘hoe oud bent u dan nu?’

‘Dat zou ik nu even zo gauw niet weten’ , zei Tandeloos nog steeds verstild van verwondering.

Feitelijk wist Vaal Veulen maar heel weinig over Tandeloos, wel kende hij vele wonderlijke verhalen van horen zeggen, waarop de oude lachend verklaarde:
‘Men beweert zoveel over mij dat ik wel tien levens zou moeten leven om al die verhalen waar te maken, maar misschien kun jij een handje helpen om ze waar te maken?’.

‘Wat is dan het mooiste wat u ooit hebt meegemaakt?’, wilde de jongen opeens weten.

‘Dit, Nu, Hier met jou!’

‘Maar meester, u hebt toch veel meer beleefd dan Dit, Nu, Hier?’

‘Welnee, jongen, hoe kom je erbij, natuurlijk niet, want is Dit, Nu, Hier los te zien van Dat, Straks, Daar? of gescheiden van Dat, Toen, Ooit Waar dan ook?’

‘Leeft u dan zo wijds?’

‘Waarom zou je zo smalletjes leven?…het bestaan bestaat over de volle breedte, de langste lengte en de hoogste diepte…
Al moet ik bekennen dat toen de wereld in mij werd herboren wel het wijdste is wat ik nog steeds beleef!’

‘Maar meester Tandeloos u bent toch in de wereld geboren en niet andersom?’

‘Geloof mij Veulen, elk mens wordt in de wereld geboren en daarna wordt de wereld in hem herboren, zo onthult de natuurlijke weg’.

Vaal Veulen probeerde Tandeloos te volgen:
‘Hoe kan die wijdse wereld in een klein mens worden herboren?’

‘Een moeder baart het kind, en het kind baart
een nieuwe wereld, daarom is elk kind een openbaring…en daarom Vaal Veulen is Dit, Nu, Hier het mooiste moment met jou!’

Vaal Veulen was sprakeloos vanwege deze onverwacht mooie verjaardag…Nu, Hier met hem. De hele wereld gallopeerde in de wijdse wei, als een jong veulen dat bokkesprongen maakt, zo voelde zijn hart.