Men


Men is een zeer raadselachtige bevolkingsgroep.
Aan de ene kant wil men niets liever dan bij de groep ‘men’ horen.
Anderzijds wil men zich juist onderscheiden van de groep door heel bijzonder te zijn.
Men weet kennelijk niet goed wat men wil. Zelfkennis is aan men niet besteed.
Men kent zichzelf niet….en men wil zich niet laten kennen.

Wie is men eigenlijk? Liefst zouden we het aan men zelf vragen, maar men is niet aanspreekbaar. Wel vreemd omdat men toch in grote getale aanwezig lijkt.
Men zou zelfs, zo gaat het gerucht, de grootste gemene deler zijn… ?
Men zou de zwijgende meerderheid zijn…?
Men zou het statistische gemiddelde zijn van alle doorsneemensen….een men-taal concept…?
Heel bijzonder is dat degene die het over men heeft zelf nooit tot ‘men’ behoort.
Door het over ‘men’ te hebben is al genoeg om jezelf bijzonder te maken.

Men wordt opvallend vaal geciteerd.
Men schijnt overal verstand van te hebben..
Men heeft overal een mening over. Wie zegt dat dan ?
Men schijnt van alles te beweren :
Men pikt het niet meer.

Men heeft er schoon genoeg van!
Men heeft weer vertrouwen in…
Men voelt zich veilig op straat…
Wat zijn deze meningen van men waard?
Wat de gek ervoor geeft?

Men is dus een bijzonder algemeen verschijnsel.

Men schittert door afwezigheid.

Gelukkig bestaat men niet.
Wellicht heeft men wel iets beters te doen dan te bestaan.
Niet dat dit veel zegt hoor, want degene die zich wil onderscheiden van men bestaat evenmin.
Diegene is niemand in het bijzonder.

Stuwmeer


Er wordt vaak nogal makkelijk gedaan over humor.
Men denkt, ach dat loopt wel los…het komt wel.
Maar zo makkelijk is het allemaal niet. Met een afwachtende houding komt men er niet. Het vraagt wel enig doorzettingsvermogen, om niet te zeggen: het eist!
Humor eist inzet…totale inzet, het is niet gewoon een kwestie van even de schoudertjes eronder. Neen dus, blijvende toewijding is nodig, dat vergeten de meeste mensen wel eens. Die lieden haken dus ook af bij de eerste de beste ernstige kwestie. Met zo’n mentaliteit wordt de bevrijdende ontlading natuurlijk nooit bereikt.
Soms ligt het falende lachvermogen ook aan het feit dat er gewoon te weinig lading voorhanden is. Het is dan ook zaak om ruim voor dat humor begint een enorme lading op te bouwen.
Er moet liefst een soort stuwmeer van lading worden aangelegd voordat de spanning weg kan stromen. Een ieder kan begrijpen dat het gewoon hard werken is om even te kunnen lachen. En let wel, het voorwerk hoeft niet persé leuk te zijn…
Nu iedereen weet hoe het in z’n werk gaat zou ik willen zeggen:
“Kom mensen, aan de slag!”

Overtocht


Tijdens de overtocht ging ik even aan de reling staan, op de achtersteven van het schip. Starend naar het machtige schuimspoor. Dat heeft mij altijd een euforisch gevoel gegeven: we zijn onderweg…weg van dat eiland…we gaan ergens naartoe…naar een volgend eiland….wat een vaart!
Opeens hoorde ik een stem naast mij in de flakkerende wind hardop, alsof iemand een gedicht voordroeg…was dit voor mij bedoeld?
Ik besloot niet te kijken, maar te luisteren:

“Wat waren we dom, God nog aan toe zeg!… wat waren we nog heerlijk dom toen. Weet je nog… We wisten van niks, echt nergens van… als onbeschreven lenteblaadjes dwarrelend door het leven…”

Ik zag het voor mij, dat gedwarrel.

“Fantastisch was dat…achteraf gezien …heerlijk flanerend over de gapende vlaktes van Dolce far niente…zalige lege hoofden hadden we nog…dat we ons dat konden veroorloven…! wat een broodnodige luxe…waar hadden we dat aan verdiend?”

Het begon zachtjes te regenen, maar de stem oreerde gestaag door…ik stond als aan de reling vastgeklonken door het omberkleurige timbre van die stem.

“Nog geen zorgen over van alles en nog wat, wat buiten ons bereik lag… allemachtig, dat was nog es goddelijk…die weldadige pierenwaaiende vrede”

Ik tuurde verzaligd naar de schitterend ondertitelde horizon…

” en God wat zijn we nu gespannen …zenuwelijers zijn we geworden, afgebrande zenuwpezen…daar hebben we hard aan gewerkt met z’n allen…dat hebben we dan toch maar mooi bereikt niet?”

De stem kwam op stoom…

“Als kwijlende schoothonden liepen we achter die volgepropte dataworst aan.
en nu weten we zoveel…Alles weten we, God wat een ramp…Alles weten we te vinden, denken we…op het wereldweb of hoe heet dat valse kreng… Interweb, weet ik veel punt com…kom! ga dan!…kruip er maar es in met je slimme hoofd, in dat web…in de hersenspinsels van die volslagen idioot…je raakt verstrikt in dat web van leugens…onderwijl zuigt de spindoctor je ziel op…je kostbare tijd van leven…dat offer je op aan dat pathologische geval…dat surrogaatapparaat…gevulde dataworst is het, niet te vreten…Dansen zul je in de maat van het algoritme!!

Nu ik door de motregen heen opzij keek zag ik een roodbebaarde man met z’n pet stevig tegen zijn borst geklemd. Nu richtte hij zich tot mij in plaats van de kolkende maalstroom.

“Nou, ik laad die spin niet meer op hoor, ben je gek…ik weet nu genoeg….ik weet meer dan goed voor mij is…vergeet het maar…overboord ermee!”

“Wie bent u als ik vragen mag…’ vroeg ik, “u hebt werkelijk een prachtige stem!”

“Dank u, ik ben slechts de kapitein”, zei hij bijna verontschuldigend.

Ik wilde hem een behouden vaart toewensen, maar hij beende al weg naar de brug. Daar boven zwaaide hij nog even met zijn verfomfaaide pet.

“Waar bleef jij nou…?”, vroeg mijn reisgenoot die mij kennelijk had gezocht,
“het lopend buffet is al bijna afgelopen…
wat heb je trouwens met de kapitein, hij zwaaide naar je!?”

“Ach, we hadden het over de koers van het schip”, zei ik terloops.

“En liggen we op koers ?”.

“Volgens de kapitein hoeft een zinkend schip geen koers te houden…
elk strand is geschikt om op vast te lopen”

“Wat sla jij nu voor orakeltaal uit?”, klonk het terwijl mijn lichaam langs het leeggeroofde buffet dwaalde. Het had geen trek meer.

Dingenfokkers

Bestaat de gehele natuur niet uit seksuele handelingen? Het is moeilijk om ergens naar te kijken waar geen sex aan te pas komt. De plantenwereld ovuleert waar je bij staat. Het zaad en stuifmeel waait je om de oren. De evolutie fokt maar raak…en terecht.
Waarom eigenlijk terecht?
Omdat het aan de andere kant sterft van het leven. De natuur sterft van het leven.

Nu zijn er vast die beweren dat dingen door mensen gemaakt niet door sex tot stand komen. Tot voor kort dacht ik er ook zo over…

In het slechtvertaalde boek ‘Dingenfokkers’, ‘Sexy Thing’ schetst Weldon Mayfield de geestelijke geslachtsdaad, ondertitel: ‘de sexuele fenomenologie van het ding’
Kunstenaars, uitvinders, ontwerpers, schrijvers bedrijven sex met ideeën.
Weldon gaat diep in op deze
‘denkbeeldige materie’.
Hierbij onderscheidt Mayfield dezelfde fasen die bij biologische voortplanting spelen:
De baarmoeder van de geest omschrijft hij als lege bovenkamer met poreuze wanden en open dak om de ovulaties uit de zee van mogelijkheden te kunnen ontvangen, het domein van het voorspel.
Dan volgt de fase van bevruchting:
men spreekt van ‘de geest krijgen’.
Is het ‘idee-zaadje’ ingedaald dan volgt de incubatieperiode, het afwachten of het idee wortel schiet en tot wasdom komt. Heel veel ideeën worden afgedreven als niet levensvatbaar, gelukkig maar want anders kwamen we om in een tsunami van dingen.
Blijkt het geesteskind levensvatbaar dan treedt de verwachtingsperiode in.
Anders dan een gewone zwangerschap, weet men niet wat men kan verwachten.
Welke gedaante het idee aanneemt blijft tot aan de geboorte een verrassing.
Zelfs na de geboorte is soms moeilijk vast te stellen waar we mee te maken hebben.
Het is immers in het beste geval iets nieuws in een nieuwe unieke vorm gegoten. Is het geesteskind getalenteerd om te blijven of is het een eenmalige verschijningsvorm?
Geesteskinderen zijn doorgaans nestvlieders, ze moeten meteen op zichzelf staan.
Het laatste hoofdstuk gaat over musici.
Zelfs geluid plant zich voort in de ruimte.
Musici hebben ideële sex met de ruimte. Zij produceren louter bronstgeluiden, aldus Weldon Mayfield.
Zijn conclusies liggen eigenlijk erg voor de hand, toch is er nooit zo’n gedegen studie over verschenen.
Waarschijnlijk te danken aan onze geciviliseerde preutsheid, gemarineerd in schaamte als wij zijn. Cultuur is toch in diepste wezen schaamte voor de eigen natuur.
Cultuur als schaamlap.

Kralen

De man in het muisgrijze pak met kralenketting had zojuist het begrip Karma glashelder uit de doeken gedaan. Hij was er zichtbaar erg mee ingenomen dat hij de mensen in de zaal dit machtige begrip kon aanreiken. Want het ging nog altijd niet goed met de wereld dat kon je aan zijn gezicht goed aflezen. Men zou bijna medelijden met zo’n man krijgen.
De bijeenkomst was afgelopen en men wilde al gedragen het zaaltje verlaten toen er zomaar een man uit het publiek opstond en het gewaagde een vraag te stellen.
Verstoord keken de toehoorders de man aan. Zo zou het nog langer duren. Begreep hij dan niet dat vragen stellen niet de bedoeling was en dat men naar huis wilde?
De spreker met kralenketting zag kennelijk geen kans om de man te stoppen.

De man had vrijmoedig het woord genomen
en stelde:
“Stelt u zich voor, A doet iets naars tegen B, heeft B dat dan niet verdiend wegens slecht karma? Is wat A deed dan nog slecht te noemen? En is dat dan niet rechtvaardig te noemen?”

De kettingdrager fronste bedenkelijk.

“Of stel dat B goed karma had? Is het dan rechtvaardig dat hij de slechte daad van A moet ondergaan? Is dat dan niet onrechtvaardig te noemen?”

De kettingman wist niet waar hij moest kijken en had dus zijn ogen gesloten. Zijn assistent ging even naar hem toe en fluisterde iets in zijn oor.

De vragensteller zag zich bekeken door verontwaardigde blikken, maar deed nog een moedige poging om het ijs te breken.

“Of stel je voor dat Judas Jezus niet verraden had, dan hadden we nooit dit christendom gekend dat is opgetuigd rond de kruisdood!”
“Zouden christenen Judas niet dankbaar moeten zijn voor zijn onmisbare hoofdrol in dit drama?”

Het ijs brak niet. Integendeel, de aanwezigen verlieten in duurzaam bevroren staat het zaaltje. De vragensteller had verwonderd om zich heen gekeken hoe de volgzamen wegschuifelden en zag nog net de rug van het grijze pak door de achterdeur wegglippen.

Bij de uitgang liep hij de zaalbeheerder tegen het lijf, breed grijnzend zei deze;
“Neem ook een kralenketting en ga voordrachten houden… ik zal er zeker zijn, al is het maar als zaalbeheerder…”

Opgelucht dat hij eindelijk van iemand normaal respons kreeg verzuchtte hij: “Wie weet!?”

Oneens

Mijn beste vriend Walter was vaker dan eens ontwapenend openhartig tegen mij.
Heel verfrissend.
Dat kende ik niet van huis uit.
Als hij niets te zeggen had dan zei hij dat gewoon ronduit. Dat vond ik heel prettig, zo kwam ik zelf ook nog eens aan het woord.
‘Zeg Ko, ik ben wel zo’n beetje uitgepraat, weetje! ‘, zei hij na zijn tweede zin.
Typisch Walter, hij draaide niet om de hete brij heen.
‘Niet erg Walt’, zei ik dan, ‘Ik praat je wel even bij, dan kun je er ook over meepraten!’
Wij pasten achteraf denk ik zo goed bij elkaar omdat ik juist uit een heel ander hout gesneden was. Niet dat ik nou zoveel belangwekkends te zeggen had. Maar in tegenstelling tot hem babbel ik moeiteloos de oningevulde tijd vol met wetenswaardigheden.
‘Je kletst weer als een oud wijf!’, luidde Walter’s verzuchting. Zijn ironie heb ik altijd hogelijk weten te waarderen.
Hij keek mij dan met verwondering aan…kan ook verbijstering geweest zijn!?… om de ongevraagde informatie die ik hem zo gul voorschotelde. Dan dacht ik: Ja Waltertje, dat wist je niet hè, daarom vertel ik je dit, zo weet je tenminste wat je mist.
‘Zeg Ko, wat je ook zegt…dat mag zo lijken te wezen, maar ik kan daar toch niks mee!’, reageerde Walter
Ik nam dat altijd sportief op:
‘Maar beste Walt, dat geeft toch niets, trek het je niet aan…wees blij dat je er niets mee moet!’, zo stak hem dan een hart onder de riem.
Walter keek mij dan radeloos aan…kan ook ten einde raad geweest zijn!?

‘Kop op kerel, ik weet toch dat jij geen prater bent, maar wij begrijpen elkaar tenminste, toch…wist je trouwens dat…?’

De laatste keer dat ik hem sprak kapte hij mij midden in een mooie volzin af en zei op gedempte toon:
‘Eerlijk gezegd Ko snap ik niets van jou, wat je mij allemaal vertelt en waarom je het vertelt is mij een raadsel!’
‘Snap ik Walt’, zei ik, ‘Kijk…we verschillen wellicht van mening over hoofd en bijzaken, maar het is toch goed dat het een keer gezegd wordt,
“We agree to disagree, don’t we?”

Walter bleef daarna zitten als een verstijfd ijskonijn voor zich uitstarend.
Hij was het in dit geval kennelijk echt niet met mij eens.
Vreemd dat ik hem daarna nooit meer gezien heb. Hij emigreerde met stille trom.
We konden het zo goed samen vinden.
Nu weet hij nooit meer wat hij mist.
Moet iedereen voor zichzelf weten.

Titanen


Schoften waren we, maar nette schoften.
Keurige schoften met goede bedoelingen. Wij hielpen de wereld vooruit zonder te weten wat er nodig was. Dankzij ons bleef de aarde draaiende om haar vermolmde as. Enige dankbaarheid van die zijde zou toch wel eens op haar plaats zijn. Eerst wachtten we nog geduldig, maar nee hoor…ho maar!
Ons kostbare geduld raakte op, als een afkalvend oevertje van een vervuilde rivier.
Toen zei N. de grootste schoft, dat het nu wel welletjes was geweest…dat als we niet beloond zouden worden voor onze tomeloze inzet dat we dan wel even langs zouden komen om het te halen. Allen hadden geestdriftig ingestemd, dronken van verontwaardiging.
Wat was dat toch lekker spul om je aan te bezatten, verontwaardiging. En wie het niet met ons eens was die was pas onbeschoft. Wie dachten we wel dat we waren?
We wisten het niet, net als Nescio.