1 t/m 6


Komt een psychiater bij de patiënt,
vraagt de patiënt empathisch:

-Wat scheelt er aan, dokter Welmoed, u ziet weer zo bleek…

-Wel, zegt de zenuwarts: Ik lijd aan de psychiatrische aandoening DSM-1 tot en met 6, chronisch…

-Ach, zegt de patiënt, is het een geestelijke beperking?

-Ja nogal…een zeer uitgebreide…en beperkend ja, ik zie mensen als biologische automaten die op stofjes reageren.

-Is het een aangeboren afwijking, als ik vragen mag? …of beter gezegd: is het Nurture of Nature?

-Domweg aangeleerd gedrag als u het mij vraagt, zegt de psych.

-Een neurotische verslaving wellicht?

-Ja, dat kun je gerust zeggen, ik kan geen dag meer zonder, die DSM-gids is een bijbel voor mij.

-Bestaan daar dan geen pillen voor?

-Jawel, placebo-tabletten, maar die lust ik dus niet, er zit geen smaak aan… en bovendien ben ik bang dat ze werken.

-Is DSM-1 tot en met 6 dan soms een neurotische angststoornis met ziekte winst?

-Ja, nu het zo vraagt, Ik ben bang van wel ja… en ik vrees dat het niet soms is, maar altijd.

-Nou dokter, dank u wel weer, mijn behandeltijd is al weer om, tot de volgende week dan maar weer, en sterkte ermee!

-U bent mijn beste patiënt, ik voel mij altijd een stuk beter als u geweest bent. Helaas loopt uw module trauma-sessies ten einde. Daar moeten dus iets anders op vinden.

Schilderij: Gunnar Fjöldhagen, Stilleven met Antidepressiva.

Station Wildesheim


Station Wildesheim is geen eindstation.
Nee, dit is geen plaats om te arriveren,

dit is slechts geen begin.

Er is feitelijk niet eens een perron
in dit midden van nergens.

De rails is trouwens ook nog niet gelegd.
Elk mogelijk traject ligt hier in het verschiet.

Tunnels moeten zich overigens nog
als rupsen door bergmassieven heengraven.

En ja, de locomotief zal eerlijk gezegd
nog moeten worden her-uitgevonden.

Men bevindt zich hier, onder ons gezwegen,
in het post-industriële, post-virtuele tijdperk.

Nog een eeuw of wat en de trein kan vertrekken,
met wagons zo steriel als een laboratorium,
zonder vracht, zonder bagage,
en liefst zonder passagiers.

Het ging toch om het onderweg zijn,
niet om de reizigers?

Stockholm

Hij had geen eisenpakket. Daarom viel er zo moeilijk met hem te onderhandelen. Hij wilde gewoon contact maar wel met een urgentie waar je niet omheen kon. Wij hadden ons meteen aan hem over gegeven, zo ontwapenend was hij. Niemand had ooit naar hem geluisterd. We namen hem heel serieus…lieten hem zijn verhaal doen. Op mijn verzoek overlegden we wat we samen zouden eten. De buitenwacht zou het binnen het uur laten bezorgen. Daarna kon hij zijn verhaal vervolgen. Al met al was het een aangename gijzeling. Een welkome verrassing in deze voortjakkerende tijd. Overdag zaten we in de beslotenheid van de binnentuin. De lucht daarboven was schoon en hemelsblauw, stilte en rust. Sinds jaren hadden we niet zulke intieme gesprekken gevoerd. We hadden opeens alle tijd om echt te luisteren. Hij was ook vol aandacht en zorgzaam voor ons. Geen afleiding of amusement, geen middelen om de tijd te verdrijven…het verlangen om de tijd te verdrijven kwam niet eens op.
Op de derde dag verzocht hij mij om de onderhandelingen van hem over te nemen. Hij vond mij daar wel geschikt voor. Ik voelde mij vereerd en eiste een vrije aftocht voor hem, zwart op wit ondertekend door het hoogste gerechtshof. Halsstarrige weigering van de overheid deed de gijzeling nog een week langer voortduren. Kennelijk was de buitenwacht verslaafd aan vergelding. Ik werd gedwongen om het hard te spelen, dreigen dat we onze gijzeling niet zouden opgeven. Het feit dat hij geen wapen had verzweeg ik om onze onderhandelingspositie niet te schaden.
Uiteindelijk waren de autoriteiten gezwicht en tekenden voor een vrije aftocht. De vrijbrief werd mij overhandigd bij de ingang door de afgezant met de witte vlag.
Eenmaal buiten werden wij, de gegijzelden, meteen naar het ziekenhuis gebracht voor onderzoek. We waren in goede conditie en beetje bedrukt vanwege het naderende afscheid. Een team psychiaters stond in de aanslag en diagnosticeerde ons moeiteloos als lijdend aan het Stockholmsyndroom. Meewarig bekeken ze ons omdat we niet eens beseften hoe zeer wij er aan dat syndroom leden. We begrepen het bijna hysterische vertoon van medeleven niet. Zij begrepen niet dat wij hem vrijuit wilden laten gaan.
Na nog wat omslachtige formaliteiten werden wij teruggeworpen in de buitenwereld, dat voelde als een pijnlijk afscheid, van de indringende ervaring van wezenlijke aandacht die zo afstak tegenover het loze oppervlakkige contact, intense betrokkenheid tegenover het onverschillig langs elkaar heen leven in de officiële wereld.
Hij komt nog regelmatig ongewapend langs om ons te bezoeken, dan vieren we onze vriendschap in serene stilte. We zijn overigens nooit genezen verklaard.