De fabel van Babel

Ik voelde mij een kosmopoliet
maar sprak de taal nog niet
geboren en getogen in Babel
weliswaar nog ver voordat
die torenmetafoor verrees

ik gebaarde in het wildeweg
kende van elke bloem de geur
van ieder dier zijn spoor en vacht
las feilloos in elke lichtval
het juiste moment van de dag

de hele wereld kwam hier
vrij moedig over de vloer
in mijn bovenkamer logeerde
om het even wie, plant of dier
ze begrepen mijn gebaren

tot ik eindelijk de taal leerde
nu voel mij een provinciaal
we vechten om ieder woord
als was het een vlezig bot

wie de bekvecht wint begraaft
‘zijn’ bot op de geheime plek
onder die rotte appelboom
ergens in de tuin van Eden

nu leef ik onder elke steen
mijn haar groeit erop als mos
stil ligt mijn tong als schaduw
de juiste lichtval van dit moment

Monument

echte geschiedenis bestaat
natuurlijk het meest puur

uit dat wat nimmer gebeurt
en daarom nooit beschreven is

geen glorieus monument pronkt
voor zij die nooit vielen voor niks

afwezigheid doordringt elk heden
alsof gemarineerd in feitloos zijn

als ervaringsonkundigen getuigen
deze tegenwoordige tegenwoorden

doofstom van wat hier evident niet is
waarvan kennelijk niets te leren valt

dan deze uitgelezen gelegenheid
‘n lege gelegenheid te laten blijven

Fabel van Koe en Haas

Het verschil tussen Hoe en Dat…
Als er niet aan Dat is voldaan komt het Hoe te vervallen. Niemand weet Hoe de koe ‘n haas vangt. Dat komt omdat we best weten we Dat koeien nooit hazen vangen.
Zelfs al zou de koe dolgraag hazen bejagen, dan nog heeft de koe geen kans te slagen. Vanuit de koe is er geen Hoe. Er is hooguit een kans van één op onmogelijk dat er een haas vrijwillig en of per ongeluk bij de koe gaat liggen, zo’n voorval noemen we genade. Er valt niets te vangen. Dus, ben je een koe of denk je een koe te zijn, die om wat voor reden ook, zoiets ultiems als een haas meent te moeten najagen. Ga bewust naïef liggen in grazig weiland…liefst bij een leeg leger, blijf stil, ga niet loeien…wie weet? Vergeet te wachten en waarom wie hier ligt…meer kun je niet laten.

Epische Ode

Vergeet ook niet alle Katuitdeboomkijkers
de Wiewindzaaitzalstormoogsters
de Metallewindenmeewaaiers
en de Voordeelvandetwijfelgevers

Lang leve de Ophetverkeerdepaardwedders
de Allewinduitdezeilennemers
de Hetmoettochnietgekkerworders
en ook alle Hetzaltochnietwaarwezers

Eer de Hetzalmijntijdwelduurders
de Hogebomenvangenveelwinders
de Altijdaanhetkortsteeindtrekkers
de Duvelschijtaltijdopdegrotehopers

de Wieniethorenwilmoetmaarvoelers
eeuwig leve de Katindezakkopers
de Appelvaltnietvervandebomers
de Ziejewelikhadhettochgezegters

alle Watkanhetmijallemaalschelers
de Goedbeginishethalvewerkers
de sterrenvandehemelspelers
gedenk de Mosterdnademaaltijdkomers

prijs de Soepwordtnietzoheetgegeters
de Zandindeogenstrooiers
de Hartonderderiemstekers
de Vaneenkoudekermisthuiskomers

Ode aan de Goederaadindewindslaanders
de Eenbedankjekanernietaffers
de Ietsisiniedergevalbeterdannietsers
de Alsikhetnietdoedoetniemandhetters

de Hethebtochallemaalgeenzinners
de Kopopmeiderzijnmeervissenindezeeërs
de Datloopttochdespuigatenuiters
de Vaneenkalekikkerkanmengeenverenplukkers

alle Oversmaakvaltniettetwisters
de Blaffendehondenbijtennieters
alsook alle Wienietwegisisgezieners
en tenslotte de Erewieeretoekomers

Epische Ode

Ode aan de Deukinpakjeboterslaanders
de Godswaterovergodsakkerlatenlopers
Lang leve de Bierkaaivechters
de Geenpootomoptestaanders

de Druppelopdegloeiendeplaatspetteraars
Vergeet ook niet de hetzalmeworstwezers
de Aandewegtimmeraars
de Iedereennaardemondpraters

Alle Opgladijsbegevers
de Vanelkemugeenolifantmakers
de Vanvorennietwetendatzevanachterenlevers
eert eveneens alle Katophetspekbinders

de Alshetschaapverdronkenisputdempers
leve lang de Vanhetpadjeafrakers
de Uitdeplaatgaanders
alle Tegendestroominzwemmers

Eer de Zichmakkelijkervanafmakers
de vele Teringnaardeneringzetters
de Alseenboermetkiespijnlachers
en natuurlijk de Nietlullenmaarpoetsers

Alsook de Metdepeternaargooiers
de Spijkeroplaagwaterzoekers
de Pootonderdestoelvandaanzagers
Ode aan de Waareenwilisiseenweggers

de Waternaardezeedragers
even de talloze Koolendegeitspaarders
de Schepenachterzichverbranders
de Tegenbeterweteninvolhouders

Ode aan al deze Zoutindepappers
deze Meerdandesomderdelers
deze Uitzonderingdiederegelbevestigers
Waarzoudewezijnalswedietochniethadders

Fabel van de Paraaf

De Paraaf is een ambtelijke vogel
gerieflijk gekooid in zijn kantoor
achter zijn bureau of loket
een onwijs grijze vogel
die met zijn vuile pootafdruk
levens kan breken of bezegelen
als handlanger van de macht
reiken zijn onzichtbare vleugels
tot in alle schuilplaatsen, holen,
nesten, nergens is men veilig
voor zijn onuitwisbare inkt
de Paraaf kan ook praten
napraten als de beste
ongevraagd en onvermoeibaar
herhaalt de Paraaf als een
papegaaiend antwoordapparaat
de vele eenzijdige afspraken
die nooit met ons zijn gemaakt
maar over onze hoofden heen
de Paraaf noemt dat tactvol
het sociaal contract
onze handtekening
wordt niet nodig geacht

Geheelonthouder

Iedereen had het maar over ‘Het’,
wat was ‘Het’ in hemelsnaam?
Hij kon zich ‘Het’ niet herinneren
noch of hij ooit een geheugen had gehad.
Laat staan dat hij wist welke herinneringen
daar wel of niet in waren opgeslagen…gewist?
Ook wist hij niet of het wel de juiste
dan wel de verkeerde herinneringen waren.
Zelfs bij confrontatie met het feitenrelaas
bleef ‘Het’ helaas blanco in zijn bovenkamer.
Hij was kennelijk vergeten om het goed
te onthouden, dat kon hij wel met zekerheid zeggen.
Volgens hem lag ‘Het’ allemaal besloten
in dat ene woord ‘onthouden’…dat moest je breed zien.
Betekende dat niet dat je ergens van af zag
en misschien wel overal van af wilde zien?
Misschien was hij wel geheelonthouder,
dat was hij eventueel wel bereid te erkennen.
Als tegemoetkoming was hij tenslotte bereid
om te verklaren: “Sorry dat ‘Het’ mij zo spijt.”

Opus

Het schijnt zo ijl en tegelijk zo massief, dit in dichte mist gehuld fantoomgebergte.
Dit monumentale gemis van al die ongeschreven gedichten die de mensheid in vervoering hadden kunnen brengen…vleugels hadden kunnen geven om het zielloos kleingeestige te ontstijgen. Waren die blind naïeve poëten soms even vergeten om geboren te worden? Waarom anders bleven deze verzen zo stevig ongeschreven…of waren deze weke verzenkwekers…met mos begroeide wezens weer eens te lyrisch geweest, te overmeesterd, te hysterisch begeesterd…?…niet bij machte om de open wond van verwondering te verplegen? Hoe slaagden deze talloze verzen er in om nooit een lichaam van taal te verwerven? Is dat te danken aan de taal die nooit het sublieme kan raken? Het kijkt ons nu gelaten aan, dit Magnum Opus Vacuum, permanent…vanuit alle blikvelden, vanuit elk perspectief, voelbaar in alles wat van taal is ontdaan. In dit besef trekt poëtische koorts zich terug in het mistige bergmassief, in dit gemis dat nimmer taalde naar vertaling. Het neemt de wereld voor lief, gemis dat niets dan ruimte is.
De wond mag open blijven, als een oog dat nooit kan slapen.

Tijdblind


We zien klokken, pendules, wekkers, horloges, zandlopers, zonnewijzers, we horen ze wegtikken, strak opgewonden voortjakkeren, dat wel…maar de tijd zelf heeft niemand ooit gezien.
Hoe ervaart een blinde de tijd? Voelt hij soms aan de wijzers dat hij geen tijdsbesef heeft, tastend naar voortdurend bewijs? Schijnbaar zijn wijzers tijdelijke daders, er is alleen geen daad, alleen het onstoffelijke overschot van schaduw kruipt voort,
op de vlucht voor het licht, maar om dat nu…tijd te noemen…?
Hoe vaak wekkers ook rinkelend ontwaken, alarmen afgaan, sirenes loeien. Er is geen tijd die we kunnen verliezen, alleen uitgestrekte gelegenheid. Biologische klokken verstrijken organisch. Elk hart leeft z’n eigen cadans. Niet één hart klopt dezelfde strakke maat, alleen in liefde dansen harten synchroon of vullen elkaar om de beurt aan, gewoon, omdat het klopt.