Kolonisatie

Als kind verzamel je wonderlijke vondsten. Alles is nog betoverd en betoverend als je nog niet door het ‘gewone’ bent gekoloniseerd. Stenen, door rivieren eivormig geslepen waar je ongeboren dino’s in vermoedde… onder je hoofdkussen broedde je ze uit.
Zelfs geurmonsters probeerde je te conserveren, bloesems, kruidachtige blaadjes…om later nog eens aan te ruiken. Vaak stonken ze dan muf en schimmelig. Conserveren bleek een moeilijk vak. Je bewaarde al je bevindingen in doosjes. In de lade van een oude kast op je kamer.
Op een nacht werd je wakker van indringend, knerpend geluid, alsof iemand met zijn nagels over hout schraapte, onheilspellend… beklemmend. Je hart klopte in je keel
in onzekere afwachting of het geluid nog eens zou weerklinken of niet, het klonk griezelig dichtbij, vanuit de kast leek het te komen.
Verstijfd lag je te huiveren tot je zonder besluit opstond om te kijken. Het licht ging aan en traag opende muisstil de lade die vol doosjes lag. In plaats van ze te openen wachtte je tot het geluid weerklonk. Het kwam uit een van lucifersdoosjes die toen nog van dun hout waren. Je herinnerde je niet meer wat erin verstopt zat… het doosje schoof open…
Je zag de Atalantavlinder die je voor dood had gevonden. Nog helemaal gaaf klapwiekte ze nu het weer kon.
Ze krabte aan haar doodskistje, als levend begraven. Je liet haar meteen vrij op het nachtelijk balkon. Je besloot geschokt om geen doosjes meer te vullen. Achteraf kon je er niet over uit dat zo’n fragiel wezen zo’n kabaal kon veroorzaken. De klankkast van het luciferdoosje in de klankkast van de lade. De hele kast werkte als versterker om de vlinder te bevrijden. Nu begrijp je pas dat jij toen die vlinder was.
De kolonisten van de onttovering hebben nooit grip op jou gekregen.

Kin

Ik heb mijn grootvaders van beide kanten nooit gekend.
Ze smolten zomaar samen tot één ongekende grootvader.
Van twee heeft de geest één hele geweven.
Omdat ik geen foto’s heb weet ik precies hoe die ene eruit ziet.
Hij heeft mij ook niets nagelaten, behalve nalatigheid.
Slechts losse rafels van verhaallijnen van horen zeggen kwamen mij ter ore.
Wat het meest bij blijft zijn de verhalen die niet zijn verteld, de verzwegen geheimen, die sijpelen nog altijd door in de lange vuile baard van de geschiedenis. Nu ik zelf grootvader had kunnen zijn van mijn dierbare ongeboren kleinkinderen scheer ik elke dag op mijn kin de stoppels van de geschiedenis weg. Mijn ongeboren nazaten spelen nietsvermoedend & onbekommerd in de branding van mijn aardse dagen, die af en aanspoelen op het strand aan deze zee van geest.

Bestek


Vork bevond zich in een identiteitsvacuüm en dacht steeds vaker dat ze liever een Taartschep had willen wezen. Een rustig bestaan, als taartschep…alleen werk op verjaar en feestdagen. Dat eeuwige geprak was haar zo tegen gaan staan. Haar naaste collega Mes steunde haar. Mes adoreerde Vork en had zelfs ook wel eens gefantaseerd om net als Vork te zijn…maar Mes had zich er, in de besteklade bij neergelegd, omdat hij Meszijn op zich al bijzonder genoeg vond.
“Welke vorm dan ook heeft aan gebreken geen gebrek…..maar wij zijn samen, gewoon, simpelweg bestek”… Zo hadden de theelepeltjes in koor gezongen, bij de jaarlijkse kerstmusical, waar de gebaksvorkjes een leuk dansje bij deden.
De oude opscheplepel die vroeger kaasschaaf was geweest, verlangde nog wel eens naar het schaven van dunne plakjes. Als opscheplepel kwam je nauwelijks nog aan schaven toe. Je werd feitelijk uitgesloten van het hele schaafgebeuren, omdat je, zo onrechtvaardig, toevallig in de verkeerde vorm gegoten was. Mes begreep Vork en Opscheplepel goed, maar waarschuwde voor de onomkeerbare consequenties:
Eenmaal omgesmolten…in een andere vorm gegoten is er geen weg terug.
Maar Vork was niet overtuigd. Haar aversie tegen prakken gaf de doorslag.
Op laatste jaaravond was er een groot diner. De besteklade ging helemaal leeg op het tafellaken van damast. Ze gingen samen uit eten, om te vieren dat ze samen het bestek waren. Ze namen dankbaar afscheid van hun dierbare Vork, die ze allemaal, na het omsmelten een perfecte vorm toewensten.

Ook

Hallo, wat bent u als ik vragen mag?

Ik ben zonder meer een ‘Ook’.

Een Ook? , nee, ik doel op uw sexuele identiteit, bent u non binair…of…

Ik ben gewoon Ook.

Maar hoe wenst u dan aangesproken te worden?

Gewoon, als Ook…ik ben wat dan Ook!

Oké Ook dus…maar Ook is mij tot nu onbekend met alle respect, waar staat Ook voor, is het een afkorting?

Nee, geen afkorting, het staat voor: Onder andere….Eveneens….of Reken ik ook goed….voornamelijk Ook dus, het woord zegt eigenlijk alles al.

Kunt u toch misschien wat specifieker zijn…een tipje van de sluier?

Nou, het is nogal inclusief…specifieker dan Ook zal moeilijk gaan lijkt mij of het zou iets worden als: Dat gaat u helemaal niets aan!

Ach, wat flauw, u wilt dus niet uit kast van Ook komen?

Er is geen kast, daar kom ik rond voor uit!

U wilt zich dus niet bekend maken?

Welzeker, maar dan graag als Ook!

Nou, dan weet ik niet goed hoe ik mij tot u moet verhouden.

Is ook goed, doe dat dan maar niet…u verhouden tot…

Rug


‘Hij kijkt alleen maar… hij kijkt het mooie ervan af’, zo sprak men over W als kind.
W was een geboren voyeur, kreeg op zijn derde jaar al een verrekijker waardoor het natuurlijk gegeven talent tot een dwangmatige obsessie ontwikkelde.
Op latere leeftijd probeerde W via een complexe spiegelopstelling zichzelf te betrappen op een onbespied moment.
Vanuit een gefixeerde positie zag hij zichzelf nu als een rug die in de verte gluurde. De rug zag er gespannen uit en voelde vorsende ogen prikken, hetgeen een lichte jeuk veroorzaakte. De geobserveerde rug kon de impuls om te gaan krabben kennelijk weerstaan. Er werd ook geen poging ondernomen om over de schouder te kijken naar wat er zo priemde. Vergeefse moeite.
Nu W zich zo zag vroeg hij zich voor het eerst af…wat ogen eigenlijk zochten…wat wilden ogen zien… vinden?
Of was het om het even wat er gezien werd? Was dit nu eenmaal wat ogen deden, hun vermogen uitleven, registreren wat er allemaal aanwezig was? Nieuwsgierigheid naar alles maar die zich nu toonde als een rug.
Of was het het gewaar zijn van mogelijk gevaar dat mogelijk achter de rug naderde?
W wist niet meer waar hij moest kijken, ontspande waardoor de oogleden vanzelf dichtvielen als zachte sluizen die ‘n oceaan van zicht binnen sloten,
een stuwmeer van licht.

Loket

Je bij het loket uitschrijven als mens, om de natuurlijke staat
van anonimiteit te herstellen en daarna te worden uitgezet in het reservaat
of dierentuin. Bij wijze van Safari zullen voormalige soortgenoten je met verrekijkers komen spotten, in strenge winters voeren ze je bij.
Liever was je duurzaam onontdekt gebleven zoals de legendarische Wambigo, ondefinieerbaar, bij geen enkele soort ingedeeld. Een onbeschreven blad in welk standaardwerk dan ook. Je niet voortplantend, wacht je een vredig uitsterven, als de avondzang van de nooit gevonden Wambigo…een onvergetelijk geluid, onvergelijkelijk ook.