Vleugels

Je wilde een bloem plukken als kind,
de bloem vloog weg…als vlinder.

Je huppelde achter de vlinder aan
met je netje ving je…steeds een bloem.

Nu je oud bent komt een vlinder zomaar
op je roze zonverbrande neus rusten.

Je kruipt soms als een rups door je bed,
je huid droogt uit alsof je traag verpopt.

Dromend vormt je nervengeest vleugels,
ze klapwieken aandachtig, dag en nacht.

Het vertrek wacht op volkomen windstilte
om de reis naar de zon, die bloem van licht.

De gevleugelde geest zal hoe hoger ze komt
wegsmelten in een poging de nectar te stelen.

Terwijl je opvliegt voel je het gezwiep achter je,
van het vlindernetje van een of andere gek.

Pupil

De pupil is een zwart gat, met een blik van oneindig

tuurt het in alle pupillen met het donkerste licht.

Het is toch werkelijk geen gezicht, dat vergezicht?
En op wat staart het zich blind? Op een kometenstaart?

Welnee, deze pupil zuigt alles rustig in zich op
als een uitgehongerd kosmisch oog, gulzig.

Elk licht dat op haar netvlies valt wordt voorgoed

nooit weer gezien, in geval van zwaartekracht.

Deze sterrenstofzuiger in het land der blinden
heeft eonen lang geduldig geposeerd voor de camera.

En dit is nog maar één koning, maar hoeveel ogen
uit die duizelingwekkende pauwenstaart van sterren

kijken ons al eeuwig onderzoekend aan?
Wie niet weg is is gezien en wie weg is ook!

Midden

Scheppend midden,
waar alles zich uit tevoorschijnt,
heeft geen lokatie.

Ze is als het ware,
nergens niet inwezig.
Nooit valt ze ergens op,
hetgeen opvallend is.

Pas als het stil valt.
Als elke gerichtheid wegvalt
toont de opening zich
tijdens een open baring.

Wat zich ook openbaart
het valt als een blaadje
in het herfstbos, lukraak thuis.

Ze lijkt soms duister
dit binnenste midden,
maar zeer lichtvoetig is ze,
zonder voetjes, zo frivool,
als vreugde zonder oorzaak.

Trainer

Soms hoor je de
raarste geluiden
in de buitenwereld:

“Nu ga je, ik zeg het
nog één keer, nu ga je.
Nu ga je het veld in
en je gaat jagen, jagen”

“en nog eens jagen…
anders stellen we jou
zaterdag niet op!’
Anders kun je gaan”

Vreemde, wrede poëzie.

Binnen draaien de beste
grijsgedraaide platen,
herlezen zich eeuwig
onverwoestbare bronnen.

Hier laat leven zich
vredig en vrij afspelen.
Spelen en laten spelen,
het ware wint alles,

het geeft zich gewonnen.

Respons

Soms fluistert het scheppende
midden in de lege nacht iets
in het stille geestesoor:
‘Ik besta niet, ik…besta…niet!’

Heel geestig.

De geestesmond geeft lucide respons:
‘Ik ook niet, ik…ook…niet!’
Een ‘inside joke’ die niemand vat.
Wat is daar zo grappig aan?

Vraag het aan de geestesneus.

Pet

Wie weet nu wat poëzie is?
Velen vinden het zwaar pet
of flauwe kul met of zonder
peren, amper rijm of maat.

Je weet nooit wat je leest.
Het gaat je pet te boven.
Kun je houden van dat,
juist omdat je het niet vat?

Kun je je petje niet afnemen
omdat je er geen ene snars,
geen malle moer van grijpt?

Ach, gooi er eigenlijk ook maar
met je mooie pet naar, want
een ding moet wel gezegd:

Dat petje zit jou als gegoten.

Fernweh

Vogels trekken, padden trekken.
Tandartsen trekken liever
niet, ze vullen hun leven liever
met wat anders, dan haal je
er meer uit zeggen ze…tja

Conclusies trekken,
oude wonden trekken
Vissen trekken zich niets aan,
ze gaan naakt, de hele zee
past als een dikke natte jas.

Kurken trekken, flessen trekken,
wortels trekken, nomadengedrag.
En wie geen fernweh heeft die
krijgt zijn trekken gewoon thuis
voor zo ver de voorraad strekt.

Hier

Dansende bladschaduwen op de muur

wegsmeltend in het jongste licht,

dat dag schijnt te zeggen.

*

Een oud scharnier miauwt,

niemand treedt binnen,

alleen adem tocht.

*

Innig diepe verten

binnen dit allerkleinste,

deze dooier vol leven.

*

Beuken kreunen omberkleurig,

ze zuchten zich heel,

vallen ten prooi aan geluk,

dat gulzige roofdier.

*

Geen enkele verklaring

overwoekert dit geheime pad,

vleugelafdrukken in de lucht.

*

Thuisdwalend in elke bestemming,

overal verwijlt hier hier

deze immensige holte,

onverwoestbaar stil.

Hoeden

Schoenen lopen wat af, plaveisel slijpt zolen,
onderwijl blijven voeten roerloos thuis, hecht omsokt.

Kleding draagt lichamen door deze omwereld,
de hemel beademt terloops de nog lege longen.

‘De dingen’ grijpen handen doortastend vast,
ze bewegen deze sereen onbewogen staat.

Zo doet het potlood een hand schrijven en
betekenisjes tekenen in de kantlijn van dit leven.

Mysterie vermomt zich hier als doodgewoon wonder,
opmerkelijk hoe onopvallend dit zich publiekelijk toont.

Het voelt zich bekeken alsof leven geschaduwd wordt
door een geheime aanwezigheid die dit zijnde leeft.

Hoeden zoeken vergeefs naar kruinen om te bedekken,
maar geheimen openbaren zich zonder hoofd, zo bloot.

1

Elk mens is 1 wilde bloem in het veld, 1 zeld-
zame mogelijkheid, 1 malig als 1 ling.

Pluk bloem niet, voor in je kale vaas, ruk bloem niet
met wortel en al, om als kasplant in je vensterbank…

Jammer niet van oh, wat issie mooi, als 1 droogbloem
in je plakboek met 1 mooie dooie praatnaam erbij.

Het mensenherbarium zit vol mismaakte mensbloemen,
als vlinders vastgeprikt, dood door pervers eerbetoon.

Laat staan in het vrije veld, de bloem, in rust verkwijnen,
ze vraagt geen roem, geen bewonderende blik.

Geen gedetermineer, geen soortbepaling, het 1 nige
wat bloem wenst is 1 bezoek van dat wat zalig zoemt

in dat zoemen komt alles bij 1.