Kakkerlakafka

Ik, Koeka Racha groeide op in een veilig warm nest van welopgevoed ongedierte. Als nazaat van een trotse familie adellijke kakkerlakken uit het Carboon, een driehonderdmiljoen jaar oude beschaving. In de vochtwarme sfeer van onze kelderwoning koesterden wij ons kleinburgerlijk geluk. Op een alledaagse doordeweekse morgen riep mama Racha mij wakker: ‘Koeka! Opstaan, nu, hoor je me Koeka?!’. Om naar het insectengymnasium te gaan, ik had immers een tentamen entomologie…tijdens het ontwaken deed ik de gruwelijke ontdekking: het prachtige chitinepantser van mijn uitwendige skelet was verweekt en vleesroze verkleurd, met hier en daar wat vies haar erop. Bij nadere inspectie bleek mijn gehele kakkerlaklijf van gedaante veranderd. Het zweet brak mij uit toen ik mijzelf al huiverend in de door vocht verweerde badkamerspiegel aanschouwde: waar waren mijn fiere voelsprieten?…waar mijn fraai glanzend schilferig schild…ik was veranderd in een afschrikwekkend monsterlijk wezen…in een mensch…van vleesch en bloedch…ch.. Niemand mocht mij zo rozebevleesd betrappen…  ‘Koeka!, waar ben je?’ ,klonk het, ijlings schoot ik de kamelenharen kamerjas van Opa Racha aan, ze zouden mij verstoten of verdelgen als een ongewenste indringer.
Wij, vanuit het Carboon, keken hautain neer op deze inferieure soort, als een nog vrij recent verschijnsel, evolutionair gezien feitelijk een snotneus, bovendien een plaag voor de planeet. Inmiddels was ik ruimschoots te laat voor het tentamen. Mijn entomologische carrière kon ik sowieso wel op m’n buik schrijven.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.