Lafaardig

Je had het goed verknoeid bij de buurman. Verweesd draalde hij bij het afvalpunt verzadigd door drank. Alsof je zijn laatste strohalm was, zo klampte hij zich aan je vast. Met een verwarde monoloog hengelde hij je binnen met aas van gerafelde taal. Voor je het wist zat je gevangen in zijn leefnet. Je moest erg je best doen om zijn gewauwel te ondertitelen. Regelmatig sperde hij zijn pupillen wijd open als hem een woord ontbrak. Ogen die leken te smeken…vul het ontbrekende woord even in of veins op z’n minst begrip. Even probeerde je een lichtere invalshoek, maar hij onderbrak je.
‘Nee, dat moe je nie doen!’ ,sprak hij je onverwacht heftig toe.
‘Jij moet geen u zeggen!’ Opeens kon hij wel ar-ti-ku-le-ren.
Je was je van geen kwaad bewust. ‘Heb ik u gezegd, weet je het zeker?, vroeg je nog.
‘Jazeker’, peperde hij in. ‘Jij heb u gezegd…en damoeje nie doen!’.
De winkel aan de overkant hunkerde naar sluitingstijd. ‘Nog even iets te eten halen’, zo dacht je te ontsnappen, maar hij ging mee, moest toevallig ook die kant op. ‘Nog iets te drinken…..’ lichtte hij toe terwijl zijn ogen naar boven toe wegdraaiden.
Je beloofde beterschap. Wat was je toch een schoft om je bloedeigen buurman met ‘U’ aan te spreken. Je was een lafaard, een lafaard om u tegen te zeggen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.