Gelaten


Gezichten weerspiegelen gelaten
de vele levens die het bewuste
tot nu heeft beleefd
met geestesogen
die alle vergezichten zagen.

Onze voorzaten lieten ons
hun eenmalige gelaten,
stervend van het leven
achter als verlaten
landschappen.

Van rimpelloos pasgeboren
tot zorgelijk fronsen,
diep ingesleten denksporen,
lachgrage kraaiepootjes
getekend door weer en wind,
door lief en leed gelooid,
tussen verkreukelde oren.

Welke oorspronkelijke natuur
woont er achter gelaten,
onderhuids schuilend?

Performance-Art

Destructivisme is wellicht & terecht
de meest ondergewaardeerde kunststroming.
Des te vreemder is het dat deze extreme performance-art
zoveel subsidie krijgt. De andere kunsten komen er bekaaid af.
Miljarden aan belastinggeld worden er geïnvesteerd in
vernietigingskunst, onze geschiedenisboeken staan er vol mee,
vol met namen van daders…
Geboorte en sterfdata van de beste vernietigers.
Schone oorlogen, heilige kruistochten, bloederige revoluties.
Geweld is kennelijk ooit tot cultureel erfgoed gebombardeerd
om te worden verheerlijkt. Het zijn louter mannen die de hoogste
onderscheidingen op hun borst dragen. Onderling heerst er een
moordende concurrentie. Ze lijken er eer in te leggen wie de beste,
de meeste vernietigingen nalaat aan de nabestaanden.
Wie trekt het meest efficiënte spoor van vernieling.
Schoonheid is hen een doorn in het oog.
Alleen gruis en as kan hun hart bekoren.

Ingesneeuwd

In de lakenlichte nacht
had het bloesems gesneeuwd
voor dag & nachtdromers als wij
een hemelse zegen

ze bleven maar vallen
die blaadjesregen
tot we zo diep
raakten ingesneeuwd
dat we moesten blijven
in onze igloholte

We konden, gelukkig
niet meer onderweg
niet meer terug naar
de stad van beschaving
de staat van verwarring
en handhaving

We bleven stil omgeven
door bloesemsneeuw…

Pas later hoorden
we dat we ons netjes
moesten doodschamen
voor onze gelukzaligheid
tijdens het vergaan
van de wereld

We hadden niets gedaan
om de bloemblaadjes te redden
van hun prachtig fatale val,
inderdaad
we hadden niets
ondernomen om
hun dood te voorkomen

We werden gelukkig wakker
want kon er door ons verdwijnen
niet telkens een hele verse wereld
opnieuw beginnen?

Begint niet al wat pril en vers is
na het scheppen van gelegenheid?
‘Kom, laten we ruimte maken,
maken dat we wegkomen!’

Grijs gebied

Discreet zwijgen is soms een gouden leugen.
Een dictator die erger geweld onbedoeld weet te voorkomen
is soms beter dan met geweld een democratie opleggen.
Is heulen met de vijand om beter verzet te plegen laakbaar?
Is een dief bestelen niet heel legitiem?
Is het niet eigenlijk een plicht om oplichters op te lichten?
Is de schrijver een aartsleugenaar of een fantastische fantast?

Het grijze gebied is onzeker, fascinerend door meerduidigheid.
Onzekerheid over hoe het echt zit is de perfecte hangmat
voor een geest die beiden standpunten accepteert.
Aan deze denkbeeldige punten kan de hangmat hangen.
Eenmaal in de hangmat schommelt het tussen waar en niet waar,
geen van beiden waar, allebei waar en ik weet het niet.
‘Ik weet het niet’ omvat het totaal van alle standpunten.

Emo-accessoires

Het huidige klimaat bestond vooral
uit verkoelende Bestaansschaamte
wat als een handzaam parasolletje
nog een beetje schaduwkoelte gaf

Door Vliegspijt als spiegelzonnebril
te dragen strafte men zich achteraf
voor elk heimelijk genoten snoepreisje
naar het einde van deze prachtige wereld

Gelukschuld leek op ‘n dik boetekleed
geweven van erkende medeplichtigheid,
waarmee men zich warm kon houden
tijdens winters die nooit meer kwamen

Helaas was er nog wat ijdele Hoop,
als ‘n verbeterde veganistische worst
die beloofde dat het wel zou meevallen
als men er braaf achteraan zou lopen

Morgen gratis voor iedereen die worst lust…

Magnum Opus

Na het teleurstellende succes van zijn magnum opus ‘Megalomanus’ had de IJslandse componist Snorri Gustafsdottir zich op zijn laatste stuk geworpen: ‘Collateral Damage’ zou ter gelegenheid van de eeuwwisseling in première gaan. Zijn stijl viel het best te typeren als hedendaagse neo-postmoderne klassieke avant-garde-dodecafonie.
Snorri was bij de repetities aanwezig om de dirigent bij te staan bij het instuderen van overcomplexe partituur. Er waren al twee gerenommeerde dirigenten van de oude garde overspannen weggelopen . De ene vanwege evidente onuitvoerbaarheid… onspeelbare noten, onhaalbare tempi en dynamische extremiteiten. De ander wegens een esthetisch artistiek conflict. Hij vond het niet om aan te horen, slecht geschreven en veel te lang. In krant had de maestro verklaard: “Als je zo weinig te zeggen hebt kun je dat veel beter en efficiënter doen met een summier aantal noten, dan met een met noten overladen Piepknorpartituur!”
Gustafsdottir bekend om zijn compromisloze onverzettelijkheid weigerde concessies te doen en was diep gekrenkt.
Zelfs als het instrumentarium er onder zou lijden vond hij dat dat offer gebracht moest worden voor zijn ultieme muziekgenre. Diverse instrumenten hadden al blessures opgelopen door de eindeloze rijen van repeterende noten…snaren knapten, rieten werden opgeblazen, paukenvellen tot gort geslagen…
Tenslotte werd er een jonge, pas afgestudeerde dirigent gevonden, één die nog plooibaar was en die zo’n buitenkansje niet kon weigeren…
Als dit zou slagen kon zijn carrière een vliegende start krijgen.
De jongehondachtige jongen plooide zich geheel dienstbaar naar maestro Gustafsdottir en willigde al zijn nukkige wensen en eisen in.
De orkestleden werden gesloopt gedurende dagenlange repetities.
Vanaf de eerste noot ging het concert echter totaal verkeerd… Het publiek merkte het niet omdat het de première was…men dacht dat elke misser precies zo bedoeld was…zo spontaan klonk het. Er klopte werkelijk niets van de uitvoering zoals die eindeloos was gerepeteerd. De dirigent had zich er letterlijk wanhopig doorheen geslagen. Het was de kakafonie van klank die zijn armen bespeelden.
Snorri Gustafsdottir zag groen en geel van ergernis en beende na het abrupt chaotische slot woedend de zaal uit…de zaal was uitzinnig enthousiast en bleef applaudiseren. Ze hadden de lukrake klankbrij fantastisch gevonden en riepen bis…
De onervaren dirigent nam in verlegenheid het applaus en de complimenten in ontvangst.
Ochtendkranten drukten prachtige recensies waarin de lezer werd aangeraden om vooral dit meesterwerk te gaan beluisteren onder leiding van dit pasgeboren talent. Het probleem was alleen dat dit werk onherhaalbaar was, een lukrake en eenmalige onbedoelde toevalstreffer.
Van Snorri is niets meer vernomen. Wie er bij waren vergaten het nooit. Ze wisten niet wat ze hoorden.

Over bevolking

{CAPTION}

Hoeveel is 8 miljard min 1?
Waarom hebben ze Titulaer
meegeteld toen ze ongevraagd
‘n wereld-volks-telling hielden?

Chriet is niet meer onder ons
als ongeëvenaarde visionair.
Vandaar deze som der delen
min 1, de som is onberekenbaar.

Elk moment sterft van ‘t leven
en baart nog veel meer nazaten,
de voorbehoedmiddelindustrie
faalt glorieus en draait verliezen.

Voortplantdrang blijkt een tiran
die quasi onschuldig bungelt
of tussen de achterpoten rustend
droomt van & in beluste schoten.

Chriet voorspelde groeigrenzen,
maar wie luistert naar profeten?
Geen zinnig mens neemt genoegen
met het genoeg van minder veel.

Graag wat meer onzinnigen dus.
Opdat wij Titulaer nooit vergeten
met zijn ringbaart in de keel

Fombeau de Mazzelpineut

Als uitverkoren mazzelpineut was Fombeau de Frambois
faalmachtig als geen ander, het doen van laten en
het laten van doen bracht al het wenselijke voort…
Zij/Hij/Het/… Fombeau dus, wisselde per etmaal van geslacht
of liet welke vermeende geaardheid dan ook
in het midden, waar het ontsprongen dansjes deed,
geheel aanhankelijk aan hoe of welke waanwind er nu weer waaide.
Als overtuigd aanhanger van ‘de these van Hypo’ aangaande:
‘Wat Dan Ook…’ en om daar dan speculaties van te bakken…
hulde Fombeau de Frambois zich liefst in wandelwol,
droeg weerloos kruinschoeisel en was in het zeldzame bezit
van geen enkele rolkoffer.
Mazzelpineuten werden doorgaans geboren en opgetogen in Zonderland
ten zuiden van Schootoord.
Fombeau offerde daar van jongsaf erbarmzalige korrelgodjes op het fornuisaltaar
aan de Gleufhaven waar dagelijks gebulte schepen der woestijn aanmeerden
die daar hun buitenaards geheime ladingen losten op de kade van openbaring.
Als Mazzelpineut voerde Hij/Zij/Het een uitgesproken tong van geest,
die bestond uit fijngepureerde atomenwolken gedachtengas
of denkdamp zoals de Zonderlozen dat zogenaamd noemen.
Een gas dat regelmatig olifantomen van reeds ontschapen werelden
voortbracht, hetgeen in geen enkele geestfles meer paste.
Dankzij het jaloersmakende bezit van een muggemaag
at Fombeau mondjesmaat dove boeketten Dagdauw met teugjes vaaswater.
Als voorzanger(es) van ‘het genootschap van de Raapsteen’
dat tijdblindheid nastreefde, zong Fombeau bij wijlen euforische lamento’s
voor alle ongeborenen die zich alvast konden verheugen op nog
ongekende belevingswerelden. Volgens ‘de these van Hypo’ kon dit bestaan
van alles betekenen, althans, aldus het vluchtige gedachtengas van Fombeau.

Wolmar V.

“Wiggeltakkieroe meek de galst.” ,zong de sjamaan walmgeestig terwijl de smeulende damp optrok. Zo werden de fragiele contouren van zijn met kralen versierde zwerflichaam zichtbaar. Voor deze sessie droeg ‘de Sjamaan van Ondermaan’ een bh gevuld met riviergrind, klaproosblad en verse kruiden uit het veld.
Ook sjamanen omarmen kennelijk uiteindelijk de moderniteit, dacht Wolmar V. die tot zijn middel in een inktzwarte bosvijver stond, met alleen duistere naaldbomen als kaarsrechte getuigen.
“Soberfanzig galst de meek”, vervolgde Wiggeltakkieroe zijn schorre zang van uitzinnigheid waarmee hij Wolmar V probeerde te ontstoren. De met prijzen gelauwerde schrijver leed na zijn debuutbestseller ‘Een Zwerm Kolenmijnkanaries’ aan een wurgend writersblock. Dit was kennelijk de prijs die je voor succes betaalde. De literaire wereld sprak al van een ‘One-hit-wonder’, wat de auteur nooit meer zou kunnen overtreffen. Hij werd gek van dat lezersvolk dat maar ongevraagd naar zijn volgende boek bleef informeren. Teruggetrokken als kluizenaar in een gehucht liep hij Wiggeltakkieroe tegen het lijf, die hij eerst had ingeschat als dorpsgek.
Wolmar had geen idee meer hoe hij die debuutroman ooit had geschreven. Hij had maar wat neergepend, intuïtief zonder enig gewik of geweeg.
Op bezwerende toon zingzegde de rituele genezer “Soberfanzig galst de meek…Soberfanzig etc..” een fonetische mantra van wereldvreemde herkomst.
Sierlijk zwaaiend met zijn bundel walmende salie huppelde Wiggeltakkie roe rond de vijver, daarbij elke windrichting markerend met een spiralende rookpluim. Het bosbad moest Wolmar louteren van de ondraaglijke opgeklopte verwachtingen.
Zijn huisdokter had ongepast geconcludeerd: “Je kunt de kanarie wel uit de kolenmijn halen, maar niet de kolenmijn niet uit de kanarie”
Daarom had hij nu zijn leven ten einde raad in de roetzwarte handen van deze sjamaan gelegd.
Eenmaal uit de vijver, omzwachteld door een lap vet vilt had Wolmar verschrikkelijk moeten overgeven. Wonderlijk genoeg voelde hij zich daarna als herboren, stinkend en wel.
‘Soberfanzig galst de meek’, reciteerde hij nog regelmatig als nagedachtenis aan Wiggeltakkieroe die na de vijversessie in rook leek te zijn opgegaan.
Wolmar V. besloot voorlopig nooit meer te schrijven. En zeker niet over dit gewijde ritueel.
Het zou jonge schrijvers kunnen afschrikken om een debuutroman te schrijven.