Steenwezen

Stenen spraken jou van jongsaf aan, ongevraagd. Wezens van steen. Je vond ze vanzelfsprekend. Hun taal was zo direct fysiek. Ze benaderden jouw handen, met het stille verzoek om te worden opgeraapt, meegenomen naar huis. Alsof ze onderdak zochten voor hun ziel zo hard als graniet. Je koesterde kiezels als intieme vrienden.
Van jongsaf aan vertelden ze aan jou hun oerverhalen. Hoe ze ooit vloeibaar waren als rivieren van vuur, stolden tot bergmassieven. Hoe ze als bergtoppen in ravijnen waren gedonderd en stroomversnellingen maakten in de dalen. Zo raakte je vertrouwd met het stenen bewustzijn. Steen drukte zich vanzelfsprekend uit in gewicht, in hardheid, in onverzettelijkheid, robuust en betrouwbaar, in gladheid en ruwheid. Stenen vertrouwden jou blindelings hun geheimen toe en je gaf ze jouw geheimen in bewaring. Je ging ervan uit dat stenen met iedereen contact maakten, maar dat bleek al gauw niet zo. Je leerde in gezelschap te zwijgen als een bemost rotsblok over het wezen van steen. Dat stenen bewust zijn wilde niemand weten. Dat ze meeluisteren, getuige zijn van alle menselijke schijnbewegingen. Ze wisten dat vermogen goed te verbergen in hun natuurlijke ‘staat van het donkere licht’. Stenen zaten vol humor, relativerend en stoïcijns bleven ze onder elke schepping of vernietiging. Hun droge aanblik verlichtte jouw perceptie als het bestaan even moeizaam leek. Hun hardheid maakte jou zacht, ze leerden je te stromen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.