Surrogaatgod

Mijn moeder was filosofe, niet dat ze ooit filosofie gestudeerd had maar ze praktiseerde dagelijks een heel eigen levensovertuiging.
Boeken las ze niet, ‘Je verleest je verstand’ had haar vader haar gedoceerd.
Ze sprak vaak in bondige aforistische stijl: ‘ Aan de achterkant wonen geen mensen’
Wanneer je een koekje van haar eigen deeg weigerde stelde ze de filosofische vraag: ‘Wat mankeert eraan, is het soms weer niet goed genoeg voor meneer de baron?’ Mijn sprakeloosheid maakte haar vraag retorisch, mijn zwijgen stemde toe. Soms kon ze dit nog iets verder toelichten met:
‘je wordt toch altijd door een strontkar overreden!’
De leerstellingen waren als een ondertiteling waar mijn brein levendige beelden bij maakte, talloze malen zag ik strontwagens meedogenloos over mijn moeder heen karren.

‘Gottegot, wat is mijn lot, een leven lang werken en dan kapot’ Een interessant detail is dat ze volkomen atheïstisch dacht te zijn.
Wanneer ze ons na het boodschappen doen in ledigheid aantrof kon ze cynisch toebijten: ‘Zo, daar zitten ze dan de Heeren der Schepping’

In haar levensfilosofie had ze een surrogaat van een oudtestamentische god geschapen, een verbeterde versie, toegerust met extra absurditeit.
Ze was niet op andere gedachten te brengen, niet dat andere gedachten zoveel beter zijn maar als je nu toch denkt te moeten denken kun je net zo goed iets leukers bedenken.
Of steeds iets anders, het venijn van denken zit hem niet zozeer in wat men denkt maar in de mechanische herhaling van steeds maar hetzelfde.
Moge een hele leuke God haar ziel hebben en haar eeuwig laten lachen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *